Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6445

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
31-08-2011
Zaaknummer
16/511846-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van bedreiging, diefstal in vereniging en diefstal. Daarnaast is verdachte veroordeeld ter zake van openlijke geweldpleging. De rechtbank heeft vastgesteld dat meerdere getuigen hebben verklaard dat ook verdachte het slachtoffer heeft geslagen. Zelfs indien de rechtbank het betoog van de raadsman dat verdachte het slachtoffer ‘slechts’ eenmaal heeft getrapt, zou volgen, gaat het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak van de andere ten laste gelegde geweldshandelingen niet op gelet op het karakter van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/511846-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. J.M. Walther, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen;

Feit 2: [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een mes;

Feit 3: samen met een ander een auto heeft gestolen;

Feit 4: een autosleutel heeft gestolen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vier ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geschopt. De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het stompen, slaan, duwen en trekken van [slachtoffer 2], omdat er volgens de raadsman teveel twijfel bestaat of verdachte deze handelingen heeft verricht.

Ten aanzien van de feiten 2 en 4 kan de rechtbank tot een bewezenverklaring komen.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 ten laste gelegde feit omdat verdachte niet als pleger dan wel medepleger kan worden aangemerkt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, op de wijze zoals hierna is vermeld, gelet op:

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij [slachtoffer 2] tegen het hoofd heeft geschopt terwijl die [slachtoffer 2] op de grond lag en dat hij zag dat de ogen van die [slachtoffer 2] vervolgens wegdraaiden ;

- de verklaring van getuige [getuige] ;

- de verklaring van getuige [slachtoffer 1] ;

- de geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2].

De rechtbank heeft vastgesteld dat meerdere getuigen hebben verklaard dat ook verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen. Zelfs indien de rechtbank het betoog van de raadsman dat verdachte het slachtoffer ‘slechts’ eenmaal heeft getrapt, zou volgen, gaat het verweer van de raadsman strekkende tot vrijspraak van de andere ten laste gelegde geweldshandelingen niet op gelet op het karakter van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging in vereniging.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting en de verklaring van

[slachtoffer 1] .

Ten aanzien van de feiten 3 en 4:

Aangeefster [aangeefster] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat tussen 21 februari 2011 omstreeks 11.30 uur en 25 februari 2011 omstreeks 23.00 uur te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, een autosleutel alsmede de daarbij behorende grijze Toyota Aygo, toebehorende aan haar werkgever [bedrijf], zijn weggenomen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte] tegen hem had gezegd dat als verdachte eens autosleutels in een woning tegen zou komen hij die mee moest nemen omdat [medeverdachte] die wel kon gebruiken. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in de woning bij [A], een vriendin van hem, een autosleutel zag liggen en dat hij deze autosleutel heeft meegenomen. Toen verdachte buiten op de elektronische sleutel klikte zag hij dat de lichten van een zilvergrijze Toyota knipperden. De volgende dag heeft verdachte deze autosleutel aan [medeverdachte] gegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wist dat het de bedoeling was van [medeverdachte] om de auto weg te nemen. Samen met [medeverdachte] is verdachte vervolgens per scooter naar het laatste bruggetje in Zwanenkamp gereden. Verdachte vertelde [medeverdachte] waar de auto stond, waarop [medeverdachte] naar de auto liep. Even later reed [medeverdachte] voorbij in de Toyota. Verdachte heeft vier keer als bijrijder bij [medeverdachte] in de auto gezeten.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bevestigd dat verdachte hem een autosleutel gaf, dat zij samen per scooter naar de Zwanenkamp zijn gereden en dat hij daar de Toyota Aygo heeft gepakt.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte zich niet alleen schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een autosleutel, maar ook dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] en acht daarom het medeplegen van de onder feit 3 ten laste gelegde autodiefstal wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 12 februari 2011 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, met anderen, aan de openbare weg, een fiets- en voetgangerstunnel tussen de wijken Duivenkamp en Bloemstede en op de Buurtweg Bloemstede, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], welk geweld bestond uit het

- opzettelijk gewelddadig meermalen stompen en slaan tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 2] en

- opzettelijk gewelddadig duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2], en toen die [slachtoffer 2] op de grond was gevallen en

- opzettelijk gewelddadig meermalen schoppen en/of trappen tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 2];

2.

op 12 februari 2011 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een mes, met de punt naar voren gericht, op die [slachtoffer 1] toegelopen en heeft hij, verdachte, (daarbij) geroepen/gezegd: "rot op, of ik doe je wat";

3.

in de periode van 21 februari 2011 tot en met 15 maart 2011 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een auto (Toyota Aygo), toebehorende aan Tosca Medisch Interim Bv, waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen auto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

4.

in de periode van 21 februari 2011 tot en met 25 februari 2011 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een autosleutel toebehorende aan [bedrijf].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Ten aanzien van feit 4:

Diefstal.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van de verdachte laten voorlichten door

drs. E.M. van Engers, GZ-psycholoog, orthopedagoog, en drs. H.A. Gerritsen, psychiater, die op 20 respectievelijk 23 juni 2011 een rapport hebben uitgebracht.

De rechtbank concludeert uit de door hen gegeven adviezen met betrekking tot de toerekenbaarheid van verdachte ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten dat verdachte geen weerstand heeft kunnen bieden aan de groepsdruk en dat hij daarom als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat dit eveneens dient te gelden voor de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

Nu uit de rapportages of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie voor de duur van 150 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 136 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun, ook als dit inhoudt het meewerken aan een behandeling bij de Waag. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de door de officier van justitie gevorderde werkstraf achterwege te laten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank allereerst rekening gehouden met de aard en de ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

Verdachte heeft zich samen anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van geweld op de manier zoals in de bewezenverklaring is omschreven. Dit geweld moet worden gekwalificeerd als bruut en volstrekt disproportioneel waarvoor gebruik van drank en drugs geen enkel excuus kan zijn. Naast de ernstige medische consequenties voor het slachtoffer, waaronder twee schedelbreuken, leert de ervaring dat delicten als de onderhavige de oorzaak kunnen zijn van langdurige en ingrijpende angstgevoelens en fysieke klachten, zoals ook blijkt uit de toelichting op het voegingsformulier. Deze schade laat zich slechts beperkt door een vergoeding in geld compenseren. Dit soort geweld op de openbare weg heeft ook een enorme invloed op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid wordt hierdoor versterkt. De rechtbank rekent verdachte zijn handelwijze zwaar aan en wijst erop dat de gevolgen voor het slachtoffer nog veel erger zouden kunnen zijn.

Ook heeft verdachte [slachtoffer 1] bedreigd met een mes en woorden. Met zijn handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij het slachtoffer en de omstanders en meer in het algemeen in de maatschappij.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een autosleutel en de daarbij behorende auto. Deze feiten veroorzaken naast ergernis en onnodig tijdsbeslag flinke materiële schade bij het slachtoffer en/of haar verzekeraars. De rechtbank neemt dit verdachte bijzonder kwalijk, temeer nu hij bij een vriendin op visite was en hij wist dat haar ouders op vakantie waren. Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen het vertrouwen van een vriendin maar ook dat van haar ouders in ernstige mate geschonden.

De rechtbank heeft bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd tevens rekening gehouden met de persoon van de verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 22 juli 2011 en het rapport van Bureau Jeugdzorg van 8 augustus 2011.

Door zowel de Raad voor de Kinderbescherming als Bureau Jeugdzorg is geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarde de maatregel hulp en steun, ook als dit inhoudt het meewerken aan een behandeling bij de Waag. Verdachte en zijn ouders hebben ter terechtzitting aangegeven veel baat te hebben bij begeleiding van de jeugdreclassering. De beide instanties adviseren om aan verdachte geen werkstraf op te leggen nu verdachte de laatste maanden een zeer positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 juni 2011, waaruit blijkt dat hij eerder met justitie in aanraking is gekomen wegens openlijke geweldpleging en daarvoor een transactieaanbod heeft gehad.

De bewezen verklaarde feiten zijn ernstig en rechtvaardigen zonder meer een onvoorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten gelet op het feit dat de minderjarige verdachte heeft getoond in te zien dat zijn handelen buitengewoon ernstig is geweest, dat hij afstand heeft gedaan van zijn voormalige vrienden, dat hij inziet dat hij hulp nodig heeft, daar reeds een positieve start mee heeft gemaakt en tenslotte ook op het feit dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Vanwege de ernst van en de hoeveelheid gepleegde feiten ziet de rechtbank geen aanleiding om een werkstraf achterwege te laten.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie alsmede een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank ziet op grond van het bovengenoemde aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel de geadviseerde bijzonder voorwaarden te verbinden.

7 De benadeelde partijen

7.1 [slachtoffer 2]

7.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] hoofdelijk toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.1.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de hoogte van de gevorderde materiële schade ter zake van de broek en het shirt niet aannemelijk zijn gemaakt nu geen aankoopbewijs is overgelegd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft hij verzocht om deze te beperken tot € 1.000,00, onder verwijzing naar vergelijkbare casus in de “smartengeldbundel”.

7.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 1.971,25, waarvan € 471,25 ter zake van materiële schade (kapotte kleding) en € 1.500,00 ter zake van immateriële schade, als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de gehele materiële schade alsmede de immateriële schade tot een bedrag van € 1.000,00 een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit. Hoewel er door de benadeelde partij geen aankoopbewijs is overgelegd van de broek en het shirt, waardoor de aanschafwaarde van deze goederen niet is te controleren, komt de rechtbank de daarvoor gevorderde bedragen niet onaannemelijk voor.

De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor de schade in totaal groot € 1.471,25. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de rechtbank de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal toewijzen.

Nader onderzoek naar de bewijsbaarheid ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade zal een onevenredige belasting opleveren voor het strafproces, zodat de rechtbank de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7.2 [bedrijf]

7.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij

[bedrijf] hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 135,00 en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2.2 Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleitte vrijspraak heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de door de benadeelde partij verzochte vergoeding ter zake van de posten inboedel auto en treinkaartje niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

7.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [bedrijf] vordert, zo begrijpt de rechtbank uit de toelichting van de officier van justitie ter zitting, een schadevergoeding van € 135,00 ter zake van het bedrag aan eigen risico en € 33,76 ter zake van kosten die door haar medewerker [aangeefster] zijn gemaakt, als gevolg van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

De rechtbank is van oordeel dat het bedrag aan eigen risico ad € 135,00 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Nu dat bedrag voldoende aannemelijk is gemaakt met een nader onderbouwend stuk en de hoogte van dat bedrag als zodanig niet door de verdediging is betwist, zal de rechtbank de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal toewijzen.

Nu de gevorderde schade ter zake van de inboedel van de auto en het treinkaartje geen kosten zijn die door de benadeelde partij [bedrijf] zijn gemaakt, zal de rechtbank de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 150 dagen, waarvan 136 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte:

* zich tijdens de proeftijd in het kader van de maatregel hulp en steun gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht, ook als dit inhoudt het meewerken aan een behandeling bij de Waag;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 40 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van

€ 1.471,25, waarvan € 471,25 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 februari 2011;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2], € 1.471,25 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

12 februari 2011, bij niet-betaling te vervangen door 24 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf] van € 135,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2011;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf], € 135,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 februari 2011, bij niet-betaling te vervangen door 2 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Kruijff-Bronsing, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. E.A.A. van Kalveen en mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Landen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 augustus 2011.