Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6230

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-09-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
SBR 11-129
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BY2475, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschadevergoeding. Artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro maakt niet dat in de planvergelijking niet vergeleken mag worden met de uit te werken bepalingen in een bestemmingsplan. De planvergelijking dient in het onderhavige geval te geschieden tussen de door de vrijstelling gecreëerde mogelijkheden en de maximale mogelijkheden op grond van de uit te werken bepalingen in het bestemmingsplan.

Doordat geconcludeerd wordt dat geen sprake is van te vergoeden planschade komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de planologische wijziging voorzienbaar was.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/129

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: C. Balandis-de Vroome

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen, verweerder,

gemachtigden: mr. Th. G. Florissen en M. Van Maanen.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 16 juni 2010 heeft verweerder het verzoek van eiser om planschadevergoeding afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 november 2010 (verzonden 1 december 2010) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 9 juni 2011, waar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde Balandis-de Vroome, voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden Florissen en Van Maanen, voornoemd.

Overwegingen

2.1 Eiser heeft op 14 december 1999 gekocht en op 2 maart 2000 in eigendom verworven het perceel met woning [adres] te [woonplaats]. Aan het perceel van eiser grenst het perceel [perceel 1].

2.2 Op het perceel [perceel 1] is het bestemmingsplan “Het Bosje” van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 5 februari 1997 onherroepelijk geworden. Volgens dit bestemmingsplan heeft het perceel [perceel 1] de bestemming “Woongebied, uit te werken”. Op 28 maart 2000 heeft verweerder het voor dat perceel geldende uitwerkingsplan “Het-Bosje 1” vastgesteld. Het plan is op 20 april 2000 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten en vervolgens onherroepelijk geworden. Op grond van dit uitwerkingsplan kregen de gronden de bestemming woondoeleinden, tuin en groenvoorzieningen. Op het perceel mochten vrijstaande of halfvrijstaande woningen gerealiseerd worden, binnen de aangegeven bouwvlakken.

Voordat het bestemmingsplan “Het Bosje” in werking trad, gold het bestemmingsplan “Kern Elst”. Op grond van dat bestemmingsplan rustte op het perceel [perceel 1] de bestemming “agrarische doeleinden”.

2.3 Op 19 september 2007 heeft verweerder voor het perceel [perceel 1], onder intrekking van het uitwerkingsplan “Het Bosje 1”, een bouwvergunning en een vrijstelling op grond van artikel 19 lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend voor de bouw van een woonzorgcomplex.

2.4 Eiser heeft op 20 mei 2009 een aanvraag tegemoetkoming planschade ingediend op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Volgens eiser ondervindt hij schade als gevolg van de realisatie van het woonzorgcomplex, doordat zijn uitzicht is verslechterd, zijn privacy is afgenomen en doordat sprake is van geluids- en lichthinder door intensiever gebruik van de gronden.

2.5 Per 1 juli 2008 is de Wro in werking getreden. Op grond van artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

Gelet op het voorgaande is op de onderhavige aanvraag artikel 6.1 van de Wro van toepassing, nu deze is ingediend ná 1 juli 2008 en de aanvraag geen betrekking heeft op een planologische maatregel die dateert van vóór 1 september 2005.

2.6 Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college van burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2.7 Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden onderzocht of de verzoeker door verandering van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van deze regimes maximaal kon onderscheidenlijk kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

2.8 Verweerder heeft het verzoek van eiser ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). Deze heeft in haar rapportage gesteld dat de opgerichte bebouwing mogelijk is binnen de bepalingen van het geldende bestemmingsplan Het Bosje, dat gold ten tijde van de aankoop van het perceel door eiser. Ook het gebruik is volgens de SAOZ toegestaan op grond van dat bestemmingsplan. De enige afwijking van dat bestemmingsplan heeft betrekking op de parkeernorm. Op grond van het bestemmingsplan dienen er bij het woonzorgcomplex 30 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Bij het complex zijn, overeenkomstig de door verweerder bij de bouwvergunning verleende vrijstelling op grond van artikel 19 lid 2 van de WRO, 17 in plaats van 30 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze afwijking van de parkeernorm heeft volgens de SAOZ geen nadelige gevolgen voor het object van eiser. De SAOZ komt dan ook tot de conclusie dat de vergunning met de vrijstelling voor eiser niet heeft geleid tot een nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 6.1 van de Wro voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid. Verder heeft de SAOZ gesteld dat de realisatie van het woonzorgcomplex voor eiser voorzienbaar was.

Verweerder heeft het advies van de SAOZ aan haar besluit van 16 juni 2010 tot afwijzing van het verzoek ten grondslag gelegd.

2.9 Met partijen is de rechtbank van oordeel dat de conclusie van de SAOZ dat op grond van artikel 9.1.5. van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening de WRO op het verzoek van eiser van toepassing is, niet juist is.

De voormelde onjuiste conclusie van de SAOZ kan er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe leiden dat het bestreden besluit vernietigd moet worden, omdat verweerder in het bestreden besluit onderkend heeft dat die conclusie onjuist was. De beroepsgrond dat verweerder haar besluit heeft gebaseerd op een ondeugdelijk advies slaagt dan ook niet.

2.10 Eiser heeft aangevoerd dat uit artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro volgt dat

– anders dan onder de werking van artikel 49 van de WRO – de uit te werken bepalingen in een bestemmingsplan geen oorzaak kunnen zijn van planschade die voor vergoeding in aanmerking komt. Artikel 6.1, tweede lid, onder b, van de Wro bepaalt dat een bepaling van een planuitwerking dat wel kan zijn. Uit die wetsbepalingen trekt eiser de conclusie dat in het onderhavige geval in de planvergelijking niet vergeleken mag worden met de maximale mogelijkheden van de uit te werken bepalingen van het bestemmingsplan “Het Bosje”. In plaats daarvan zou een vergelijking moeten worden gemaakt met het voorheen geldende bestemmingsplan “Kern Elst” dan wel met het bestemmingplan “Het Bosje” waarbij de uit te werken bepalingen worden weggedacht.

2.11 Ten aanzien van de vraag welke planvergelijking in dit geval gemaakt moet worden overweegt de rechtbank als volgt. De schadeveroorzakende planologische maatregel is de verleende vrijstelling op grond van artikel 19 lid 2 van de WRO, die het mogelijk maakt om het woonzorgcomplex te realiseren met 17 parkeerplaatsen in plaats van de voorgeschreven 30 parkeerplaatsen. Deze planologische wijziging dient vergeleken te worden met het voorheen geldende planologische regime. Aangezien het uitwerkingsplan “Het Bosje 1” niet is verwezenlijkt en door verweerder is ingetrokken dient het bestemmingsplan “Het Bosje” als voorheen geldende planologische regime te worden aangemerkt. Bij de planvergelijking dient, volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) zoals in de uitspraak van 1 juli 2009 (LJN: BJ1111), uit te worden gegaan van de maximale mogelijkheden van de uit te werken bestemming, voor zover er geen sprake is van een verwezenlijkt uitwerkingsplan.

In dit geval is als gezegd geen sprake van een verwezenlijkt uitwerkingsplan, zodat vergeleken moet worden tussen de door de vrijstelling gecreëerde mogelijkheden en de maximale mogelijkheden op grond van de bepalingen van de uit te werken bestemming zoals opgenomen in het bestemmingsplan “Het Bosje”, die op het perceel [perceel 1] van toepassing zijn.

2.12 Ten aanzien van het betoog van eiser dat artikel 6.1 tweede lid, onder a, van de Wro in de weg staat aan een vergelijking met de maximale mogelijkheden van de uit te werken bepalingen van bestemmingsplan Het Bosje, overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 6.1, tweede lid, onder a, van de Wro sluit weliswaar uit dat uit te werken bepalingen in een bestemmingsplan als schadeoorzaak kunnen dienen bij een verzoek tot planschade, maar daaruit blijkt niet dat daarmee ook beoogd is om die uit te werken bepalingen uit te sluiten bij een planvergelijking. De uit te werken bepalingen worden alleen als zelfstandige oorzaak van planschade uitgesloten. In het onderhavige geval wordt de gestelde planschade echter niet veroorzaakt door een uit te werken bepaling, maar door de vrijstelling op grond van artikel 19 lid 2 WRO. Naar het oordeel van de rechtbank dient in dit geval bij de planvergelijking dan ook, evenals onder de werking van artikel 49 van de WRO, conform de voormelde jurisprudentie van de ABRvS, te worden vergeleken met de maximale mogelijkheden van de uit te werken bepalingen van het bestemmingsplan. Deze maken immers deel uit van het voorheen geldende planologische regime en de vrijstelling is ten opzichte van deze bepalingen verleend. Er bestaat dan ook geen aanleiding om een vergelijking te maken met het voorgaande bestemmingsplan,”Kern Elst” of met het vigerende bestemmingsplan met de uit te werken bepalingen weggedacht. Het betoog van eiser faalt dan ook.

2.13 Zoals onder 2.11 reeds is overwogen dient de planvergelijking plaats te vinden tussen de door de vrijstelling gecreëerde mogelijkheden en de maximale mogelijkheden op grond van de uit te werken bepalingen in het bestemmingsplan. Volgens verweerder is de enige afwijking van het bestemmingsplan het verminderde aantal parkeerplaatsen op het eigen terrein van het woonzorgcomplex, waarvoor de vrijstelling is verleend. De SAOZ is in haar advies tevens tot die conclusie gekomen en stelt dat de afwijking van de parkeernorm geen nadelige gevolgen heeft voor het object van eiser. Eiser heeft geen andere afwijkingen van de maximale mogelijkheden op grond van de uit te werken bepalingen in het bestemmingsplan “Het Bosje” aangevoerd. Van andere afwijkingen is de rechtbank ook niet gebleken. Eiser heeft voorts niet aangevoerd dat hij schade ondervindt door de afwijking van de parkeernorm en dit is ook niet op een andere wijze aannemelijk geworden. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank in lijn met het advies van de SAOZ dat de verandering van het planologische regime slechts bestaat uit het verminderde aantal parkeerplaatsen op het eigen terrein van het woonzorgcomplex en dat eiser daardoor niet in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden.

2.14 Nu de rechtbank heeft geconcludeerd dat geen sprake is van te vergoeden planschade aan eiser, komt zij niet toe aan de vraag of de planologische wijziging voor eiser voorzienbaar was op het moment van aankoop van zijn perceel.

2.15 Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.R. van Es- de Vries als voorzitter en mr. T. Pavicevic en mr. J.W. Veenendaal als leden, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2011.

De griffier: De voorzitter :

mr. A.R. Scharrenborg mr. J.R. van Es- de Vries

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.