Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6212

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
16/513695-11 en 16/602732-08 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake van mishandeling, bedreiging en belediging tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/513695-11 en 16/602732-08 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1996] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsvrouw mr. H.S.K. Jap A Joe, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven dat bij de doornummering op de tenlastelegging het vierde feit abusievelijk als feit 5 is vermeld. Een feit 4 ontbreekt derhalve.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: [slachtoffer] heeft mishandeld;

Feit 2: [B] heeft bedreigd met de woorden “als je naar de politie gaat, dan maak ik je af”;

Feit 3: [C], ambtenaar in functie, heeft beledigd met de woorden “kanker homo”;

Feit 5: [A] heeft bedreigd met een mes.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen met dien verstande dat niet bewezen kan worden verklaard dat [slachtoffer] letsel heeft bekomen.

De officier van justitie acht eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aan [A] een mes heeft getoond, hetgeen een bedreiging oplevert. Voor het overige heeft zij ten aanzien van feit 5 partiële vrijspraak gevorderd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Verdachte zegt de aangever slechts te hebben geduwd, maar duwen is niet tenlastegelegd. Bovendien heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verklaring van de getuige [getuige] als ongeloofwaardig dient te worden beschouwd, nu hij, anders dan aangever, heeft verklaard dat verdachte vijf of zes klappen op het hoofd van aangever heeft gegeven. Voorts is in een aantal overige getuigenverklaringen ondersteuning te vinden voor het standpunt van verdachte.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 kan de rechtbank naar de mening van de raadsvrouw tot een bewezenverklaring komen, evenals ten aanzien van de onder feit 5 ten laste gelegde bedreiging door het tonen van een mes. Dat verdachte met het mes steek- en/of snijbewegingen heeft gemaakt, kan niet bewezen worden verklaard, aldus de raadsvrouw.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

[slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 13 maart 2011 te Veenendaal door een Marokkaanse jongen met kracht bij zijn keel is vastgepakt en dat deze jongen hem een paar stompen op zijn milt alsmede een klap op zijn hoofd heeft gegeven.

[getuige] heeft verklaard dat een Marokkaanse jongen [slachtoffer] bij zijn keel vastpakte, dat deze jongen uithaalde met zijn rechter vuist en [slachtoffer] een klap tegen het hoofd gaf.

Het is de rechtbank gebleken dat getuige [getuige] tevens heeft verklaard over vijf of zes vuistslagen die verdachte tegen het hoofd van aangever [slachtoffer] zou hebben gegeven, terwijl [slachtoffer] slechts heeft verklaard over één klap tegen zijn hoofd. Dit gegeven maakt naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat de door deze getuige afgelegde verklaring in zijn geheel als ongeloofwaardig dient te worden beschouwd. De rechtbank heeft daarbij in overweging genomen dat hij niet alleen een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd, maar dat hij ook heeft verklaard over het aandeel van zijn vriend [slachtoffer]. Voorts is het zo dat de aangifte van [slachtoffer], behalve in de verklaring van [getuige], tevens steun vindt in de hieronder genoemde getuigenverklaringen.

[getuige 3]heeft verklaard dat de Marokkaanse jongen op [slachtoffer] afstapte en begon te slaan en te duwen.

[getuige 4] heeft verklaard dat verdachte boos naar die jongen (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer]) toe liep en dat zij elkaar vervolgens bij de nek of schouders vastpakten.

De rechtbank is op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat verdachte zich niet heeft beperkt tot het duwen en trekken van [slachtoffer], zoals door verdachte ter terechtzitting is verklaard, maar dat hij [slachtoffer] ook op/tegen zijn lichaam heeft geslagen en gestompt en die [slachtoffer] bij zijn nek/hals heeft vastgepakt.

De verklaring van [slachtoffer] dat de Marokkaanse jongen ook tegen zijn scheenbeen heeft geschopt en tegen het gezicht heeft geslagen of gestompt, vindt geen steun in de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zodat ten aanzien van dat deel van de tenlastelegging vrijspraak zal volgen.

Uit de verklaring van [slachtoffer] dan wel anderszins uit het dossier blijkt niet dat hij letsel heeft bekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de door verdachte verrichte gedragingen evident dat [slachtoffer] als gevolg daarvan pijn heeft ondervonden.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.

[B]heeft verklaard dat hij op 11 maart 2011 te Veenendaal door verdachte is bedreigd met de woorden “als je naar de politie gaat, dan maak ik je af”.

[getuige 2] heeft verklaard dat verdachte heel boos en agressief was en dat hij aan het schelden was. Het zou best kunnen dat verdachte tegen [B] heeft gezegd dat hij hem dood zou maken als hij de politie zou bellen.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de aangifte van [C] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting ;

Ten aanzien van feit 5:

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij [A] een mes heeft getoond. Deze bekennende verklaring wordt ondersteund door de aangifte van [A].

[A] heeft voorts verklaard dat verdachte met het mes steekbewegingen in zijn richting maakte en dat verdachte met het mes een snijbeweging over zijn (de rechtbank begrijpt: verdachtes) hals maakte. Nu deze verklaring niet wordt ondersteund door de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, zal de rechtbank verdachte van dat deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Gelet op de omstandigheden waaronder door verdachte het mes aan [A] is getoond – verdachte zat in een schoolbusje, terwijl [A] zich op het schoolplein bevond, er zijn geen bedreigende woorden geuit die zouden kunnen wijzen op een bedreiging met de dood en het maken van bewegingen met het mes wordt niet bewezen geacht – is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte als een bedreiging met zware mishandeling dient te worden gekwalificeerd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 13 maart 2011 te Veenendaal opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld, immers heeft hij,

verdachte, opzettelijk die [slachtoffer] op/tegen zijn lichaam geslagen en gestompt en die [slachtoffer] bij zijn nek/hals vastgepakt, waardoor voornoemde [slachtoffer] pijn heeft ondervonden;

2.

op 11 maart 2011 te Veenendaal [B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [B] dreigend de woorden toegevoegd: "als je naar de politie gaat, dan maak ik je af";

3.

op 30 maart 2011 te Veenendaal opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [C],

gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kanker homo";

5.

op 06 juli 2011 te Oosterbeek, gemeente Renkum, [A] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes aan die [A] getoond.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 3:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Ten aanzien van feit 5:

Bedreiging met zware mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

In het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 juni 2011 is genoemd dat verdachte een groot aantal recidiverisicofactoren heeft, zoals op het gebied van agressie, vaardigheden en attitude. Hij moet onder andere leren om de juiste vrienden te kiezen, zijn boosheid/impulsen te beheersen en zijn probleemoplossend vermogen te vergroten. Hier zal langdurige en intensieve begeleiding voor nodig zijn. Gezien zijn beperkte cognitieve vermogens zal hij daarin sterk afhankelijk zijn en blijven van derden. De Raad verwijst ten aanzien van deze risicofactoren onder meer naar een psychiatrisch onderzoek van 29 oktober 2009 en een psychologisch onderzoek van 2 november 2009 van het NIFP, waarbij een aantal psychiatrische en/of psychische stoornissen is geconstateerd, welke een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van verdachtes geestverrmogens betreffen. Uit het rapport van de Raad en ter zitting is niet gebleken dat de psychische situatie van verdachte ingrijpend is gewijzigd. Aangezien de ten laste gelegde feiten een uiting lijken van de agressieproblematiek van verdachte, voorkomend uit de gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en/of ziekelijke stoornis, is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten verdachte niet volledig kunnen worden toegerekend. Daarom zal de rechtbank evenals de officier van justitie verdachte niet als volledig toerekeningsvatbaar beschouwen. Nu uit de rapportages of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen jeugddetentie, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 50 uur, subsidiair 25 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met als bijzondere voorwaarden:

- de maatregel hulp en steun;

- het meewerken aan de intake en behandeling/begeleiding van Pluryn “De Beele” of een soortgelijke instelling, zulks voor de duur van maximaal twee jaar of zoveel korter als de behandelaars van de instelling in overleg met de jeugdreclassering wenselijk achten of indien er binnen 2 maanden bij Pluryn “De Beele” of een soortgelijke instelling geen plaats is het meewerken aan een uithuisplaatsing;

- tot aan de plaatsing in Pluryn “De Beele” of een soortgelijke instelling of uithuisplaatsing meewerken aan ITB-plus.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de maatregel hulp en steun en het opvolgen van de aanwijzingen van de gezinsvoogd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling en een tweetal bedreigingen. Hierbij is het steeds verdachte geweest die als eerste de confrontatie heeft gezocht. Bij één van de bedreigingen heeft verdachte zelfs aan een medescholier een van huis meegebracht mes getoond. Met zijn handelen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers en de omstanders en meer in het algemeen in de maatschappij.

Voorts heeft verdachte een politieagent beledigd met de woorden “kanker homo”, een term die de rechtbank serieus opneemt en als een belediging beschouwt.

De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte zich tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in deze zaak schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit, te weten de bedreiging van medescholier [A]. Verdachte heeft hiermee laten zien dat hij zich weinig gelegen laat liggen aan een voorwaardelijk opgelegde straf.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte, ondanks zijn jonge leeftijd, eerder met justitie in aanraking is gekomen wegens het plegen van strafbare feiten.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en uit de over verdachte opgemaakte rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming van 21 juni 2011 en 21 juli 2011 en Bureau Jeugdzorg van 29 juli 2011.

De heer Van Kempen, gezinsvoogd en jeugdreclasseerder bij Bureau Jeugdzorg, heeft ter terechtzitting het advies van Bureau Jeugdzorg strekkende tot oplegging van een deels voorwaardelijke werkstraf met als bijzondere voorwaarden de maatregel hulp en steun, plaatsing en behandeling bij Pluryn “De Beele” en het meewerken aan ITB-plus tot aan het moment dat verdachte in Pluryn “De Beele” kan worden geplaatst, toegelicht en heeft aangegeven dat de Raad voor de Kinderbescherming achter dit advies staat. De heer Van Kempen heeft tevens naar voren gebracht dat verwacht wordt dat verdachte binnen twee maanden na de intake bij Pluryn “De Beele” kan worden geplaatst en dat de verwachte duur van de plaatsing zeker twee jaar is.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij een agressieprobleem heeft. Hij wil hier graag aan werken.

De rechtbank is, gelet op de al eerder ingezette behandeltrajecten zoals blijkt uit de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg, van oordeel dat ambulante behandeling thans niet meer aan de orde is. De strenge ambulante begeleiding in het kader van de ITB-plus is immers onvoldoende gebleken om de problematiek die mede ten grondslag ligt aan de strafbare feiten zodanig te verminderen dat verdachte geen strafbare feiten meer pleegt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank ziet op grond van de over verdachte opgemaakte rapportages aanleiding om aan het voorwaardelijke strafdeel de gevorderde bijzondere voorwaarden te verbinden, met dien verstande dat de rechtbank niet als bijzondere voorwaarde zal opnemen dat verdachte mee moet werken aan een uithuisplaatsing. Een dergelijke voorwaarde is in strijd met de wet, aangezien het zou betekenen dat verdachte zich bij de civiele kinderrechter niet zou mogen verweren tegen een eventueel binnen de proeftijd in te dienen verzoek van Bureau Jeugdzorg tot een machtiging uithuisplaatsing in het kader van de ondertoezichtstelling.

6.4 Het ad informandum gevoegde feit

De rechtbank heeft rekening gehouden met het volgende door verdachte ter terechtzitting bekende en als ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit:

- wederspannigheid buiten heterdaad tegen meerdere ambtenaren, gepleegd op 30 maart 2011 in Veenendaal.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde, gesteld bij vonnis van 16 maart 2010 van de kinderrechter in deze rechtbank, heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging echter afwijzen en conform de eis van de officier van justitie de bijzondere voorwaarde wijzigen zoals hiervoor bij de strafoplegging is genoemd. Zij overweegt daartoe dat de plaatsing en behandeling bij Pluryn “De Beele” een gedragsverandering beoogt te bewerkstelligen waardoor het recidiverisico aanvaardbaar kan worden verminderd. Daarnaast ontstaat door deze gewijzigde voorwaarde een stevigere stok achter de deur die nodig is om verdachte aan de (gewijzigde) bijzondere voorwaarden te houden.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77cc, 77gg, 266, 267, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de hierboven onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze werkstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

* zich tijdens de proeftijd in het kader van de maatregel hulp en steun gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht;

* meewerkt aan de intake en behandeling/begeleiding van Pluryn “De Beele” of een soortgelijke instelling, zulks voor de duur van maximaal twee jaar of zoveel korter als de behandelaars van de instelling in overleg met de jeugdreclassering wenselijk achten;

* tot aan het moment dat hij in Pluryn “De Beele” of een soortgelijke instelling geplaatst wordt, meewerkt aan ITB-plus, in het kader van de maatregel hulp en steun uit te voeren door Bureau Jeugdzorg Utrecht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

- wijzigt de reeds opgelegde bijzondere voorwaarde in die zin dat de veroordeelde:

* zich tijdens de proeftijd in het kader van de maatregel hulp en steun gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht;

* meewerkt aan de intake en behandeling/begeleiding van Pluryn “De Beele” of een soortgelijke instelling, zulks voor de duur van maximaal twee jaar of zoveel korter als de behandelaars van de instelling in overleg met de jeugdreclassering wenselijk achten;

* tot aan het moment dat hij in Pluryn “De Beele” of een soortgelijke instelling geplaatst wordt, meewerkt aan ITB-plus, in het kader van de maatregel hulp en steun uit te voeren door Bureau Jeugdzorg Utrecht;

Voorlopige hechtenis

- heft het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Landen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 augustus 2011.