Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6205

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
30-08-2011
Zaaknummer
16/712008-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op filiaal van Bart Smit te Utrecht op 27 augustus 2010. Verdachte was één van de overvallers. Een medeverdachte was werkzaam in dat filiaal ten tijde van de overval.

De opvatting dat van ‘bedreiging met geweld’ in de zin van artikel 312 geen sprake kan zijn indien de persoon tegen wie de bedreiging is gericht, zich niet bedreigd heeft gevoeld vindt volgens de HR geen steun in het recht (HR 22-02-2011, LJN: BP0295). Uitgangspunt is dat de beoordeling of er sprake is van bedreiging met geweld dient te geschieden naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging.

Veroordeling in verband met afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712008-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: zich op 27 augustus 2010 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing van medewerkers van een filiaal van [bedrijf] en/of aan diefstal met geweld op dat filiaal;

Subsidiair: zich op 27 augustus 2010 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan verduistering van een geldbedrag van een filiaal van [bedrijf].

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing. In dat verband heeft de officier van justitie ook gewezen op het arrest van de Hoge Raad d.d. 22 februari 2011, nr. 09/00717 (LJN: BP0295) en de conclusie van Advocaat-Generaal A.J.M. Machielse in die zaak.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair ten laste gelegde en heeft verzocht verdachte daarvan vrij te spreken.

Daartoe heeft de verdediging naar voren gebracht dat uit het dossier blijkt dat de overval van 27 augustus 2010 in scene is gezet en dat om die reden geen sprake kan zijn van afpersing of diefstal met geweld.

Het subsidiair ten laste gelegde kan naar de mening van de verdediging wel wettig en overtuigend worden bewezen, met dien verstande dat het verduisterde bedrag bij lange na niet het bedrag van € 4.285,20 is dat in de tenlastelegging is genoemd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair, eerste cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 16 augustus 2011 ;

- de aangifte van [benadeelde 1] d.d. 27 augustus 2010 .

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van het onder bedreiging afgeven van een geldbedrag. Immers, uit bovengenoemde bewijsmiddelen komt naar voren dat verdachte en zijn medeverdachte na sluitingstijd de winkel binnenkwamen, dat verdachte een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) in zijn hand had en dat [benadeelde 1] de inhoud van de kluis en nadien de inhoud van de kassa in een plastic tas moest deponeren, die haar door één van de daders werd voorgehouden.

Van het primair, tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feit, te weten - kort

gezegd - het onder bedreiging wegnemen van een geldbedrag, zal verdachte om die reden worden vrijgesproken.

Verdachte heeft ter terechtzitting ten stelligste ontkend dat de door [benadeelde 1] afgegeven inhoud van de kluis en de kassa in totaal € 4.285,90 zou bedragen. Tegenover deze verklaring van verdachte, staat de verklaring van getuige [getuige] die heeft verklaard dat uit telling en kasopmaak is gebleken dat € 4.285,90 is ontvreemd. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet uit te sluiten dat een deel van het ontvreemde bedrag op een andere wijze en op een ander moment dan via voornoemde plastic tas ten tijde van de overval de winkel heeft verlaten. Om die reden zal de rechtbank bij de bewezenverklaring uitgaan van afgifte van een geldbedrag.

Ten aanzien van het verweer van de verdediging dat sprake is van verduistering, gelet op de omstandigheid dat zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] er van zijn verdacht dat zij een rol hebben gespeeld en dat er tevoren een plan is bedacht om dit filiaal van [bedrijf] te overvallen zodat het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’ jegens [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet opgaat, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De opvatting dat van ‘bedreiging met geweld’ in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht geen sprake kan zijn indien de persoon tegen wie de bedreiging is gericht, zich niet bedreigd heeft gevoeld, vindt geen steun in het recht (HR 22 februari 2011, 09/00717, r.o. 2.6, LJN: BP0295). Uitgangspunt is dat de beoordeling of er sprake is van bedreiging met geweld dient te geschieden naar de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging. Het handelen van verdachten had alle uiterlijke kenmerken van een gewapende overval.

Een dergelijke gewapende overval op een winkel in een winkelcentrum heeft een grote impact op het publiek en brengt veel commotie teweeg, ook al door de publiciteit, die er aan gegeven wordt in de media.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 27 augustus 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

[benadeelde 1] en [benadeelde 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag toebehorende aan [bedrijf], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en/of één van zijn mededader(s)

- opzettelijk dreigend een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) aan die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft getoond en

- (daarbij) opzettelijk dreigend tegen die [benadeelde 1] heeft gezegd dat zij de deur moest openen en naar achteren (naar het kantoor) moest lopen en (vervolgens) dat zij de kluis moest openen en de inhoud van die kluis en de kassalade in een tas moest stoppen, althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- jeugddetentie voor de duur van 210 dagen, waarvan 132 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten, en met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun voor een periode van 1 jaar;

- werkstraf voor de duur van 120 uur.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat jeugddetentie voor de duur dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht een passende straf is. Voorts heeft de verdediging een voorwaardelijke werkstraf bepleit met als bijzondere voorwaarde de verlenging van de maatregel Hulp en Steun voor de duur van 1 jaar.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De gewapende overval op het filiaal van [bedrijf] op 27 augustus 2010 is een buitengewoon ernstig feit. Een dergelijk feit leidt niet alleen tot beroering en bij bezoekers en omwonenden van het winkelcentrum waarin dit filiaal is gevestigd, maar veroorzaakt ook grote verontwaardiging en een gevoel van onveiligheid in de samenleving. Daar komt bij dat het filiaal twee weken daarvoor ook al het doelwit van een gewapende overval is geweest, en aan beide overvallen in de media veel aandacht is besteed, zowel door de schrijvende pers als door RTV Utrecht.

Verdachte heeft zich dat niet gerealiseerd en heeft snel geld willen verdienen ten koste van anderen. De rechtbank rekent hem dat zeer aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het Pro Justitia rapport van 24 januari 2011, opgemaakt door W. van der Wal, psycholoog, waaruit blijkt dat verdachte niet lijdend is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, en dat ook niet was ten tijde van het ten laste gelegde.

De voorlopige hechtenis van verdachte is met ingang van 16 december 2010 geschorst met een maatregel Hulp en Steun in de ITB Plus-variant. Het ITB Plus-traject is goed verlopen en is inmiddels afgerond. Naar aanleiding van hetgeen S. Hafsi, reclasseringswerker bij Bureau Jeugdzorg, ter terechtzitting naar voren heeft gebracht over het afgeronde traject en over de persoon van verdachte, komt de rechtbank tot het oordeel dat het opleggen van een maatregel Hulp en Steun geen toegevoegde waarde heeft.

Bij de vaststelling van de straf heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat verdachte vóór het onderhavige delict niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte, met uitzondering van - zoals hiervoor reeds toegelicht - het opleggen van de maatregel Hulp en Steun.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 1.601,00 voor het ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu

haar vordering , immateriële schade betreffende, onvoldoende is onderbouwd. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen.

Deze voorwerpen zijn in beslag genomen bij een huiszoeking in de woning van verdachte op 30 september 2010. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte de voorwerpen die niet aan hem toebehoren maar aan zijn huisgenoten, aan zijn huisgenoten zal teruggeven.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tweede cumulatief/alternatief, ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 210 dagen, waarvan 132 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 60 dagen;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis als bijlage II gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 tot en met 11;

Voorlopige hechtenis

- heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Kruijff-Bronsing, voorzitter,tevens kinderrechter, mr. E.A. Messer en mr. E.A.A. van Kalveen, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 augustus 2011.