Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5924

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
16-710561-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:8480, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak over de juridische betekenis van het Regionaal Convenant Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad regio Midden-Nederland. Verdachte veroordeeld voor het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hasjiesj en het witwassen van gelden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710561-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [woonplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht

raadsman mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: opzettelijk 145,19 kilogram hasjiesj en 58 gram hennep aanwezig heeft gehad;

Feit 2: een gewoonte heeft gemaakt van witwassen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte in oktober 2010 ten onrechte als verdachte is aangemerkt en verder ook bij het onderzoek persoonlijke gegevens betreffende verdachte zijn gebruikt van onder meer de belastingdienst, welke onrechtmatig waren verkregen. Deze gegevens zijn namelijk op basis van een zogenaamd samenwerkingsconvenant (het Regionaal Convenant Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad regio Midden-Nederland, verder te noemen: het Convenant) tussen onder meer de politie en het openbaar ministerie en diverse andere partijen, waaronder onder meer de belastingdienst en de Kamer van Koophandel, door de politie opgevraagd en vervolgens ook door diverse convenantspartijen verstrekt. De raadsman is echter van mening dat aldus de wettelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) inzake gegevensverzameling zijn ontdoken en dat om die reden de niet-ontvankelijkheid verklaring van de officier van justitie dient te volgen.

De officier van justitie heeft betoogd dat het betreffende Convenant voldoende basis vormt voor de gegevensbevraging en –verstrekking, en dat er derhalve geen grond is om hem

niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval in het kader van een politioneel verkennend onderzoek naar verdachte door de politie bij diverse partijen informatie is ingewonnen over verdachte. De rechtbank merkt op dat een deel van deze informatie afkomstig is uit openbare, dan wel voor de politie vrijelijk toegankelijke bronnen, zoals de Kamer van Koophandel, het Intranet Verdachte Transacties of de Justitiële Documentatie, welke informatie zonder nadere vormvoorschriften mag worden ingewonnen. Voorts blijkt dat de verdenking tegen verdachte mede is ontstaan op grond van de waarnemingen die de politie op straat gedaan heeft ten aanzien van (de auto van) verdachte. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit die waarnemingen niet kan worden afgeleid dat verdachte toen reeds als verdachte in de zin van artikel 27 Sv werd beschouwd. Aangezien voor de verzameling en verstrekking binnen de eigen politiekring van de inhoud van deze waarnemingen verder geen dwangmiddelen of bijzondere opsporingsbevoegdheden behoefden te worden aangewend, acht de rechtbank het bewaren en gebruiken van deze informatie door de politie, ook in het kader van een politioneel verkennend onderzoek, rechtmatig.

In casu zijn ook door de politie gegevens bij de belastingdienst ingewonnen omtrent het inkomen en eventueel andere fiscale afdrachten door verdachte gedurende een aantal jaren. Uit het dossier blijkt dat deze gegevens door de belastingdienst zijn verstrekt op basis van voormeld convenant, in relatie met artikel 67, lid 3 onder c. van de Algemene Wet op de Rijksbelastingen. Deze laatste bepaling regelt, zakelijk weergegeven, dat in geval een convenant als hier bedoeld is gesloten, de belastingdienst in afwijking van haar normale geheimhoudingsplicht gegevens mag verstrekken aan de opvragende convenantspartij. Daaruit vloeit voort dat de betreffende gegevens door de politie niet zijn verkregen naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie tot het verstrekken van opgeslagen of vastgelegde gegevens als bedoeld in ex artikel 126nd Sv. Uit het onderzoek ter terechtzitting is overigens gebleken, dat een dergelijke vordering ex artikel 126nd Sv wel opgemaakt is, doch dat men daarvan geen gebruik heeft gemaakt, omdat men in de veronderstelling verkeerde dat dit, gegeven de afspraken in het convenant, niet (meer) nodig zou zijn.

De rechtbank stelt vast dat het Convenant vooral beoogt te regelen in welke gevallen, hoe en aan wie, bepaalde persoonlijke informatie, welke normaliter onder de geheimhoudingsplicht van de convenantspartijen valt, aan (een van) de andere convenantspartijen mag worden verstrekt. Voor het overige verwijst het naar de eigen (wettelijke) verantwoordelijkheden van de convenantspartijen.

De rechtbank constateert dat het opvragen van andere dan identificerende gegevens aangaande personen voor strafrechtelijke doeleinden is geregeld in artikel 126nd Sv. Daarin is onder meer bepaald dat het de officier van justitie is die een vordering tot verstrekking van dergelijke gegevens moet doen, terwijl er voorts staat omschreven dat deze vordering slechts kan worden gedaan in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv, te weten een misdrijf waarvoor ook voorlopige hechtenis is toegelaten. Artikel 126nd Sv geeft voorts een aantal voorschriften omtrent de vorm en inhoud van een dergelijke vordering.

Aldus bevat artikel 126nd Sv belangrijke waarborgen ten aanzien van het gebruik en de verslaglegging daarvan van de bevoegdheid tot het inwinnen van andere dan identificerende gegevens van personen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze waarborgen niet, dan wel onvoldoende, terug te vinden in voorbedoeld Convenant. De rechtbank constateert in dit verband onder meer dat het convenant ook de bevraging bij derden van andere dan identificerende gegevens door de politie (en niet slechts door de officier van justitie) mogelijk maakt en dat deze bevraging voorts ook niet uitsluitend beperkt lijkt te zijn tot de gevallen waarin sprake is van een verdenking van een misdrijf, laat staan een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv. Voorts bevat het convenant geen voorschriften over de wijze waarop van de gegevensbevraging c.q. –verstrekking verslag moet worden gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank creëert het Convenant onvoldoende rechtsgrond voor de strafrechtelijke bevraging van gegevens als bedoeld in artikel 126nd Sv. Een verzoek tot het verstrekken van informatie door de politie en/of de officier van justitie op basis van dit Convenant kan dan ook niet in de plaats treden van een vordering als bedoeld in die bepaling. Het feit dat het Convenant vanuit de fiscale regelgeving wel voldoende basis zou kunnen bieden voor de verstrekking van deze informatie maakt dat niet anders.

Aangezien bij de verkrijging van de gegevens van de belastingdienst betreffende verdachte niet conform artikel 126nd Sv is gehandeld, is ter zake van die verkrijging sprake van een vormverzuim. De rechtbank merkt zulks aan als een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Anders dan de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat dit vormverzuim niet tot gevolg dient te hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard. Niet gezegd kan immers worden dat het betreffende vormverzuim daarin heeft bestaan dat de politie en/of de officier van justitie ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

3.2 Bewijsuitsluiting en strafvermindering

Subsidiair is door de raadsman betoogd dat als gevolg van het onder 3.1. gestelde vormverzuim onrechtmatig informatie van de belastingdienst over verdachte is verkregen en dat deze informatie van het bewijs moet worden uitgesloten. Nu het bovendien mede op basis van deze informatie is geweest dat de officier van justitie heeft besloten verdachte als verdachte aan te merken c.q. de woning van verdachte te doorzoeken, meent de raadsman dat ook al het tijdens de doorzoeking verkregen bewijs dient te worden uitgesloten van het bewijs tegen verdachte. De officier van justitie heeft betoogd dat al het bewijs rechtmatig is verkregen.

De rechtbank overweegt ter zake allereerst dat uit het gestelde onder 3.1. volgt dat de informatie van de belastingdienst onrechtmatig is verkregen. Anders dan de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat aannemelijk is dat deze informatie slechts zeer ten dele heeft meegewerkt aan de beslissing tot doorzoeking van de woning van verdachte. Uit het dossier blijkt namelijk dat de informatie van de belastingdienst door de politie eerst was verkregen nadat daarvoor, op 13 januari en 4 februari 2011 ook al gedetailleerde CIE-informatie bij de politie was binnengekomen over het voorhanden hebben en verkopen door verdachte en zijn medeverdachte van hasj en wiet en over het feit dat zij bij een feest in België duizenden euro’s hadden uitgegeven en voor iedereen alles betaald hadden.

Naar het oordeel van de rechtbank vormde deze CIE-informatie in combinatie met de reeds wel vanuit andere bronnen rechtmatig omtrent verdachte (en zijn medeverdachte) verkregen informatie op zichzelf reeds ruim voldoende aanleiding om verdachte als verdachte aan te merken en deswege ook zijn woning te doorzoeken. Derhalve kan ook niet worden gezegd dat deze doorzoeking geheel of overwegend het gevolg was van de van de belastingdienst verkregen informatie. Reeds hierom ziet de rechtbank geen reden om het bij die doorzoeking verkregen bewijs van het bewijs in de strafzaak tegen verdachte uit te sluiten.

In het kader van de onder 359a Sv door de rechtbank te nemen beslissingen omtrent het aan het geconstateerde vormverzuim te verbinden gevolgen heeft de rechtbank groot gewicht toegekend aan laatstgenoemde constatering dat verdachte geen materieel nadeel heeft ondervonden van de gememoreerde onrechtmatige informatiebevraging door de politie bij de belastingdienst. Voorts heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen het belang dat het geschonden voorschrift dient en de ernst van het verzuim. Bij dit laatste heeft de rechtbank betrokken dat aannemelijk is geworden dat de politie in de veronderstelling verkeerde dat een vordering ex 126nd Sv niet meer nodig was, nu het Convenant voorlag. Het leidt echter naar het oordeel van de rechtbank weinig twijfel dat als een dergelijke vordering door de politie aan de Officier zou zijn voorgesteld en de Officier deze zou hebben ingediend, de belastingdienst de gevraagde gegevens vervolgens ook zou hebben verstrekt. De ernst van het verzuim is derhalve meer van formele dan van materiële aard.

Om bovengenoemde redenen ziet de rechtbank ten aanzien van het geconstateerde vormverzuim geen reden om daaraan andere consequenties te verbinden dan de enkele constatering van dit verzuim.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij ten aanzien van feit 1 met name op de doorzoeking in de woning van verdachte, waarbij de hasjiesj en de hennep zijn aangetroffen. Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op het feit dat blijkens de inhoud van het dossier de herkomst van de goederen waarover de verdachte heeft kunnen beschikken niet anders te verklaren valt dan van de opbrengst uit criminele activiteiten nu verdachte nauwelijks een bron van inkomsten heeft gehad en verdachte geen aannemelijke verklaring geeft voor het op andere wijze verkrijgen van die goederen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 tenlastegelegde. De verdediging wijst er daarbij op dat op basis van de inhoud van het proces-verbaal van sporenonderzoek niet kan worden vastgesteld hoeveel monsters er zijn genomen en of uit alle dozen en aparte verpakkingen monsters zijn genomen. Daardoor kan niet worden vastgesteld dat de hele partij daadwerkelijk softdrugs was.

De verdediging is voorts van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 2 tenlastegelegde nu verdachte een groot deel van het geld, waarmee hij de in de tenlastelegging genoemde uitgaven heeft gedaan, van zijn ex-vriendin had gekregen. Daarom kan niet bewezen worden dat deze uitgaven van misdrijf afkomstig zijn geweest, aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van feit 1:

Na de aanhouding van verdachte heeft op 18 april 2011 een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] plaatsgevonden. Tijdens de doorzoeking werden verdovende middelen, vermoedelijk hasjiesj en hennep, aangetroffen.

Op 18 april 2011 werd onderzoek verricht naar de aangetroffen verdovende middelen. Het waren op verschillende wijzen verpakte plakken. De plakken bruine samengeperste substantie werden door verbalisant herkend als hasjiesj, een vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep. Uit diverse plakken werd door verbalisant een representatief monster genomen dat werd getest door middel van de indicatieve Cannabis test van het merk M.M.C. International BV. De monsters gaven alle een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet. Het totale gewicht van de plakken betrof 144,72 kilogram.

Op 3 mei 2011 werd onderzoek verricht naar vier fouilleringszakken, met daarin tevens tijdens de doorzoeking in beslag genomen verdovende middelen. In fouilleringszak 2 zat een boterhamzakje met gedroogde plantendelen, met een gewicht van 12,15 gram, en in fouilleringszak 3 zaten gedroogde plantendelen gewikkeld in krantenpapier, met een gewicht van 46,63 gram. De plantendelen werden door verbalisant herkend als materiaal van het geslacht Cannabis, beter bekend als hennep.

Uit elke hoeveelheid aangeboden materiaal werd door verbalisant een representatief monster genomen dat werd getest door middel van de indicatieve Cannabis test van het merk M.M.C. International BV. De monsters gaven allen een positieve reactie indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep, vermeld op lijst II van de Opiumwet.

Het onderzoek wees voorts uit dat in fouilleringszak 1 één blok samengeperste bruine substantie zat, met een gewicht van 100,23 gram, dat in fouilleringszak 2 één blok samengeperste bruine substantie zat, met een gewicht van 179,74 gram en dat in fouilleringszak 3 één blok samengeperste bruine substantie zat, met een gewicht van

195,02 gram. De plakken bruine samengeperste substantie werden door verbalisant herkend als hasjiesj, een vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep.

Uit elke aangeboden hoeveelheid werd door verbalisant een representatief monster genomen dat werd getest door middel van de indicatieve Cannabis test van het merk M.M.C. International BV. De monsters gaven allen een positieve reactie indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet.

De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van onderzoek duidelijk blijkt dat uit de in beslag genomen en aangeboden partij verdovende middelen meerdere monsters zijn genomen, die als representatief kunnen worden beschouwd voor de gehele partij. Dat in het proces-verbaal niet vermeld staat hoeveel monsters er precies zijn genomen en uit welke dozen en verpakkingen monsters zijn genomen, vormt naar het oordeel van de rechtbank geen beletsel voor een bewezenverklaring van het feit. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman op dit punt.

Verdachte verklaarde bij de politie dat hij de woning aan de [adres] te [woonplaats] huurde van de eigenaar. Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat het wel kon kloppen dat tijdens de doorzoeking in de woning hasj en hennep waren aangetroffen, maar dat hij hier verder niets over wilde verklaren. De rechtbank is van oordeel dat aldus kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap had van de hasjiesj en de hennep die in de woning lagen en dat hij daarover ook de beschikkingsmacht had.

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 april 2011 opzettelijk ongeveer 145,19 kilogram hasjiesj en 58 gram hennep aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2:

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat de contante aankoop van ongeveer 145 kilogram hasjiesj niet de ten laste gelegde € 166.000,00 bedraagt, maar

€ 116.000,00. De rechtbank zal dan ook van laatstgenoemd bedrag uitgaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting niet betwist dat hij de in de tenlastelegging opgenomen uitgaven heeft gedaan, met uitzondering van de contante betaling van ongeveer 145 kilogram hasjiesj ten bedrage van € 116.000,00. Ook de hoogte van de opgenomen bedragen per post is door verdachte niet betwist. Wel heeft de raadsman gesteld dat van de uitgaven onvoldoende bewijs voorhanden is, nu ter zake niet aan het zogenaamde dubbelbewijscriterium is voldaan. De rechtbank verwerpt dit verweer, aangezien het door de raadsman gestelde in zijn algemeenheid geen steun vindt in het recht. Het is immers al jaren vaste jurisprudentie dat niet elk onderdeel van een tenlastelegging door bewijs uit verschillende bronnen behoeft te worden bewezen.

De verdediging heeft wel betwist dat verdachte de uitgaven heeft gedaan met geld dat van misdrijf afkomstig was. Voor een aantal uitgaven heeft verdachte een verklaring gegeven, waaruit zou blijken dat het geld afkomstig zou zijn geweest van een legale bron.

Ten aanzien van het onder het vierde gedachtestreepje ten laste gelegde bedrag van

€ 38.700,00 terzake de aankoop van speelpenningen in Holland Casino en een overboeking van de bankrekening van Holland Casino naar een op naam van verdachte gestelde bankrekening verklaarde verdachte dat dit bedrag wel degelijk speelwinst was.

De rechtbank overweegt dat er geen stukken in het dossier aanwezig zijn die de verklaring van verdachte bevestigen dan wel tegenspreken. Blijkens het dossier is in 2010 door Holland Casino in totaal een bedrag van € 22.600,00 naar de bankrekening van verdachte overgemaakt. Het is de rechtbank onvoldoende gebleken dat dit bedrag anders moet worden aangemerkt dan als speelwinst. De rechtbank acht dan ook niet bewezen dat verdachte zich ten aanzien van dit bedrag heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Ten aanzien van het resterende bedrag van € 16.100,00 stelt de rechtbank op basis van de stukken in het dossier vast dat verdachte dit geld heeft ingewisseld voor speelpenningen. Dit bedrag kan dus niet worden aangemerkt als speelwinst en zal door de rechtbank in de berekening van het totale bedrag aan gelden worden meegenomen.

Ten aanzien van het onder het negende gedachtestreepje ten laste gelegde bedrag van

€ 116.000,00 voor de contante betaling van ongeveer 145 kilogram hasjiesj verklaarde verdachte niets te willen zeggen over de in zijn woning gevonden partij hasjiesj of over de wijze waarop hij deze heeft verkregen.

Uit het dossier blijkt wel dat verdachte op 31 maart 2011 van zijn medeverdachte [medeverdachte] een sms ontving met de inhoud: “Maak alvast 5 zwaard klaar. Voor straks om 7 uur”. Op één van de dozen met hasjiesj die bij verdachtes medeverdachte [medeverdachte] thuis zijn aangetroffen was op een daarop bevestigd stuk tape geschreven “zwaard”. Voorts is op één van de pakketjes hasj, behorende tot de grote partij die bij verdachte is aangetroffen, ook een vingerafdruk van zijn medeverdachte [medeverdachte] gevonden.

Ook desgevraagd heeft verdachte voor deze bevindingen geen verklaring willen geven. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande redelijkerwijs niet anders te begrijpen is, dan dat verdachte en zijn medeverdachte tezamen ook kennelijk zelfstandig besluiten namen over levering van (een deel van) de hoeveelheid hasj die zij samen in huis hadden.

Uit het dossier komen voorts enige aanwijzingen naar voren dat verdachte de partij hasjiesj mogelijk, al dan niet met een mededader, van iemand zou hebben “geript”. Op vragen ter terechtzitting werd dit echter door verdachte nadrukkelijk ontkend. Derhalve kan niet worden aangenomen, dat verdachte langs deze weg, en dus zonder betaling, in het bezit is gekomen van voormelde hoeveelheid hasjiesj.

Verdachte heeft de beschikking gehad over ruim 145 kilogram hasjiesj. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen, zeker in hoeveelheden als de onderhavige, niet kosteloos worden verstrekt en dat daar altijd voor betaald moet worden.

Mede gezien ook het hiervoor overwogene met betrekking tot de wijze van verkrijging door verdachte van de aangetroffen verdovende middelen is de rechtbank van oordeel dat daaruit voortvloeit dat het alleszins aannemelijk is dat verdachte voor de verkrijging van de partij hasjiesj heeft betaald. Een andere wijze van verkrijging is immers gesteld noch gebleken.

Bij gebrek aan een verklaring van verdachte is bij de berekening van het bedrag van

€ 116.000,00 door de politie uitgegaan van de laagst mogelijke inkoopprijs voor verdovende middelen van € 800,00 per kilogram hasjiesj. De rechtbank zal, gelet hierop, de in het voordeel van verdachte gemaakte berekening op dit punt overnemen.

Ten aanzien van het onder het tiende gedachtestreepje ten laste gelegde bedrag van

€ 10.786,88 voor wat betreft volgens aangetroffen contantbonnen in de periode van de tenlastelegging gedane contante uitgaven aan onder meer kleding en schoenen verklaarde verdachte dat een deel van de aangetroffen kleding van zijn broer was. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank echter niet aannemelijk gemaakt dat de kleding door anderen dan verdachte is aangeschaft.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij de afgelopen jaren een groot aantal geldbedragen van zijn ex-vriendin had gehad, waarmee hij zijn uitgaven had bekostigd. De rechtbank overweegt dat de verklaring van verdachte op dit punt wordt ondersteund door de verklaring van zijn ex-vriendin [A]. Zij verklaarde dat zij in 2009 verschillende bedragen aan verdachte had geleend en dat zij aan het eind van hun relatie nog eens

€ 20.000,00 aan verdachte had geleend om van hem af te zijn. Het geld dat zij had geleend was afkomstig uit de erfenis van haar vader. In totaal had verdachte € 68.300,00 van zijn ex-vriendin gehad.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte voldoende heeft onderbouwd dat hij dit bedrag als legale inkomsten tot zijn beschikking heeft gehad en dat hij hiermee een deel van zijn uitgaven heeft kunnen bekostigen. De rechtbank zal deze door de verdediging als legaal aangevoerde inkomsten dan ook in mindering brengen op het totaalbedrag aan witwasgelden.

Ten aanzien van de niet betwiste posten heeft de rechtbank nog gelet op:

- eerste gedachtestreepje:

o het tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen geldbedrag van € 6.122,01 .

- tweede gedachtestreepje:

o het tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen buitenlands geld ten bedrage van € 658.789,50 dirham ;

o het proces-verbaal, waaruit blijkt dat dit aangetroffen bedrag omgerekend

€ 58.742,18 bedraagt .

- derde gedachtestreepje:

o een door verdachte uitgevoerde money transfer op 17 juni 2010, waarbij verdachte een bedrag van € 500,00 heeft overgemaakt naar Marokko ;

o de verklaring van verdachte dat hij een bedrag van € 500,00 had overgemaakt naar Marokko .

- vijfde gedachtestreepje:

o de verklaring van de verkoper van de Volkswagen Golf met kenteken

[kenteken] dat verdachte voor deze auto een bedrag van € 20.500,00 contant had betaald in biljetten van € 50,00 ;

o de verklaring van verdachte dat hij de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] contant had betaald .

- zesde gedachtestreepje:

o het proces-verbaal, waaruit volgt dat Beddenspeciaalzaak Häestens op

10 april 2011 een bed had verkocht voor € 5.250,00. Het bed was contant betaald . Een kopie van de kassabon is als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd ;

o de verklaring van verdachte dat hij het bed had gekocht .

- zevende gedachtestreepje:

o de huurovereenkomst met betrekking tot de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats], waaruit volgt dat de huur is ingegaan op 1 juni 2010 en dat de huurprijs € 840,00 per maand bedraagt . Het totaalbedrag komt daarmee uit op 11 maanden x € 840,00 = € 9.240,00 ;

o de verklaring van de verhuurder van de woning aan de [adres], waaruit volgt dat hij de huur de laatste maanden van verdachte ontving en dat de huur contant werd betaald ;

o de verklaring van de moeder van de verhuurder dat verdachte de huur van de woning cash betaalde .

- achtste gedachtestreepje:

o de verklaring van verdachte dat hij de Mercedes Benz Viano met kenteken [kenteken] had gekocht en dat hij € 2.500,00 had betaald ;

o de verklaring van de verkoper van de genoemde auto, dat voor de auto een bedrag van € 2.500,00 contant was betaald .

- tiende gedachtestreepje:

o het proces-verbaal van bevindingen betreffende de bij verdachte aangetroffen kleding en goederen en de daarbij behorende contantbonnen ;

o de verklaring van verdachte dat hij veel luxe kleding en goederen had gekocht .

De rechtbank overweegt dat uit de inhoud van het dossier verder naar voren komt dat verdachte nauwelijks legale inkomsten heeft gehad. Verdachte heeft dat ook ter terechtzitting bevestigd . Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de goederen waarover verdachte heeft kunnen beschikken, volledig van legale inkomsten zijn aangeschaft dan wel een volledig legale herkomst hebben. Nu verdachte voor het totaal van de uitgaven slechts ten dele de legale verkrijging van de daarvoor benodigde gelden heeft kunnen aantonen, staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat deze uitgaven voor een aanzienlijk deel geen legale herkomst hebben, zodat elk van de afzonderlijk ten laste gelegde posten alleen dan wel grotendeels uit de opbrengst van criminele activiteiten kan worden verklaard en derhalve afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij de verkrijging van deze goederen gebruik heeft gemaakt van naar hij wist uit misdrijf verkregen gelden. Aldus heeft verdachte deze gelden ook witgewassen als strafbaar gesteld in artikel 420bis, lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht. De in de tenlastelegging opgesomde bedragen vormen in totaal een bedrag van € 231.947,48. Na aftrek van het bedrag van

€ 68.300,00, welk bedrag verdachte aannemelijk aan legale inkomsten heeft gehad, resteert een bedrag van € 163.647,48. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van dit bedrag heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Gelet op het feit dat verdachte meerdere transacties heeft verricht gedurende een periode van ruim twee jaar acht de rechtbank bewezen dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 18 april 2011 te [woonplaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad

- een grote hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet) hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), te weten ongeveer 145,19 kilogram hasjiesj, en

- 58 gram hennep,

zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 april 2011, in elk geval in Nederland, telkens van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens onderstaande voorwerpen voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten:

- een geldbedrag van ongeveer 6.122,01 euro (aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte);

- geldbedragen van (totaal) 658.789,50 dirham (omgerekend 58.742,18 euro, contant gestort bij de Attijariwafabank op rekeningnummer [rekeningnummer]);

- een geldbedrag van 500,- euro (verzonden moneytransfer);

- geldbedragen van (totaal) 16.100,00,- euro (aankopen speelpenningen Holland Casino);

- een geldbedrag van 20.500,- euro (contante betaling VW Golf [kenteken]);

- een geldbedrag van 5.250,- euro (contante betaling van een bed bij Häestens);

- geldbedragen van (totaal) 9.240,- euro (contante betalingen aan verhuurder woning [adres] te [woonplaats]);

- een geldbedrag van 2.500,- euro (contante betaling Mercedes Benz [kenteken]);

- een geldbedrag van 116.000,- euro (contante betaling van ongeveer 145 kg

hasjiesj);

- geldbedragen van ongeveer 10.786,88 euro (diverse contantbonnen),

terwijl verdachte telkens wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Een gewoonte maken van witwassen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht de op de beslaglijst onder 1 tot en met 7 genoemde voorwerpen te onttrekken aan het verkeer. De officier van justitie heeft verzocht over de overige in beslag genomen goederen geen beslissing te nemen nu op die goederen conservatoir beslag rust.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en voor witwassen, dat verdachte al geruime tijd niet met justitie in aanraking is geweest, dat niet is gebleken van aan drugsgerelateerde zware criminaliteit en dat hij bereid is om een werkstraf te verrichten. De eis van de officier van justitie moet dan ook gematigd worden.

De verdediging heeft verzocht de in beslag genomen kleding en het in beslag genomen schoeisel aan verdachte terug te geven.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een forse partij softdrugs aanwezig gehad. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Het gebruik van dergelijke middelen veroorzaakt, door vaak daarmee gepaard gaand crimineel gedrag, onrust en schade in de samenleving.

Ook heeft verdachte zich gedurende een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk bedrag. Daarmee heeft verdachte van het witwassen een gewoonte gemaakt. Door het witwassen werd de werkelijke aard en de herkomst van de gelden versluierd.

Daar komt nog bij dat het witwassen van gelden een ontwrichtende werking heeft op het economisch verkeer. Verdachte heeft de integriteit van het financiële en economische verkeer in ernstige mate geschonden.

De rechtbank overweegt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 juni 2011 maakt de rechtbank op dat verdachte eerder meerdere keren is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, echter voor het laatst in 2007. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet of voor witwassen, echter wel vele malen voor andersoortige vermogensdelicten.

De reclassering geeft in het voorlichtingsrapport van 3 augustus 2011, opgemaakt door

G. Mulder, reclasseringswerker, aan dat er nauwelijks problemen op de diverse leefgebieden zijn geconstateerd. Verdachte is op het punt van zijn financiën gemakzuchtig en realiseert zich dit ook. Verdachte is echter in staat om deze problemen zelfstandig het hoofd te bieden. De reclassering schat het recidiverisico in als laag. Hoewel verdachte een lang strafblad heeft is er vanaf 2006 een kentering te zien in de hoeveelheid veroordelingen.

De reclassering ziet geen meerwaarde in het opleggen van een toezicht. De reclassering adviseert dan ook om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Na zich gedurende het gehele onderzoek door de politie op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, heeft verdachte ter terechtzitting voor een deel een verklaring willen afleggen. Verdachte wil echter niet zeggen hoe de hennep en hasjiesj in zijn woning zijn gekomen en van wie deze softdrugs zijn. Verdachte blijft daarnaast ontkennen gelden te hebben witgewassen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet zijn verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft gedaan.

De zaak tegen verdachte werd ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaak tegen de medeverdachte. De medeverdachte werd eveneens verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs en het witwassen van gelden in eenzelfde periode. De rechtbank heeft op grond van de inhoud van het dossier de indruk gekregen dat beide verdachten een zelfde, gelijkwaardige rol hebben gespeeld in de door elk van hen gepleegde strafbare feiten. Nu ook de aard en de ernst van de feiten overeenkomen zou in beginsel eenzelfde straf gerechtvaardigd zijn. In de zaak van de medeverdachte heeft de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde opgelegd. Gelet op het feit dat verdachte een groter bedrag aan gelden heeft witgewassen, het strafblad van verdachte significant groter is, het feit dat verdachte in tegenstelling tot de medeverdachte ter zitting niet zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en gelet op het feit dat verdachte ter zitting in tegenstelling tot de medeverdachte niet heeft aangegeven hulp nodig te hebben en te willen aanvaarden, komt de rechtbank in de zaak van verdachte tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Om tot een vergelijkbare straf te komen waarin met een en ander rekening wordt gehouden heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de regeling van de vervroegde invrijheidstelling.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en mede gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is. De rechtbank acht in de zaak van verdachte een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden passend en geboden. De rechtbank zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder 1, 2, 3 en 4 genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen, te weten:

- weegschaal;

- lokpikkerset;

- 16 lopers van sleutels;

- koffer met lopers.

De rechtbank zal voorts de teruggave gelasten van de op de bij het vonnis gevoegde beslaglijst onder 8 tot en met 56 genoemde voorwerpen aan verdachte. Het strafvorderlijk beslag komt hiermee ten aanzien van deze voorwerpen te vervallen, echter het conservatoir beslag blijft gehandhaafd.

7.2 De onttrekking aan het verkeer

De op de beslaglijst onder 5, 6 en 7 genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, te weten:

- pepperspray;

- machine, baken, 365459;

- machine, baken, 364693.

Gebleken is dat deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: een gewoonte maken van witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van achttien maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

- weegschaal;

- lokpikkerset;

- 16 lopers van sleutels;

- koffer met lopers.

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 8 tot en met 56;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- pepperspray;

- machine, baken, 365459;

- machine, baken, 364693.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 augustus 2011.