Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5923

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
16/710698-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:8478, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak over de juridische betekenis van het Regionaal Convenant Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad regio Midden-Nederland. Verdachte is veroordeeld voor het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hasjiesj en het witwassen van geld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/278
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710698-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

raadsman mr. J.G. Kabalt, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: opzettelijk 137,08 kilogram hasjiesj aanwezig heeft gehad;

Feit 2: van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte in oktober 2010 ten onrechte als verdachte is aangemerkt en verder ook bij het onderzoek persoonlijke gegevens betreffende verdachte zijn gebruikt van onder meer de belastingdienst, welke onrechtmatig waren verkregen. Deze gegevens zijn namelijk op basis van een zogenaamd samenwerkingsconvenant (het Regionaal Convenant Geïntegreerde Decentrale Aanpak Georganiseerde Misdaad regio Midden-Nederland, verder te noemen: het Convenant) tussen onder meer de politie en het openbaar ministerie en diverse andere partijen, waaronder onder meer de belastingdienst en de Kamer van Koophandel, door de politie opgevraagd en vervolgens ook door diverse convenantspartijen verstrekt. De raadsman is echter van mening dat aldus de wettelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) inzake gegevensverzameling zijn ontdoken en dat om die reden de niet-ontvankelijkheid verklaring van de officier van justitie dient te volgen.

De officier van justitie heeft betoogd dat het betreffende Convenant voldoende basis vormt voor de gegevensbevraging en –verstrekking, en dat er derhalve geen grond is om hem

niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval in het kader van een politioneel verkennend onderzoek naar verdachte door de politie bij diverse partijen informatie is ingewonnen over verdachte. De rechtbank merkt op dat een deel van deze informatie afkomstig is uit openbare, dan wel voor de politie vrijelijk toegankelijke bronnen, zoals de Kamer van Koophandel, het Intranet Verdachte Transacties of de Justitiële Documentatie, welke informatie zonder nadere vormvoorschriften mag worden ingewonnen. Voorts blijkt dat de verdenking tegen verdachte mede is ontstaan op grond van de waarnemingen die de politie op straat gedaan heeft ten aanzien van (de auto van) verdachte. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit die waarnemingen niet kan worden afgeleid dat verdachte toen reeds als verdachte in de zin van artikel 27 Sv werd beschouwd. Aangezien voor de verzameling en verstrekking binnen de eigen politiekring van de inhoud van deze waarnemingen verder geen dwangmiddelen of bijzondere opsporingsbevoegdheden behoefden te worden aangewend, acht de rechtbank het bewaren en gebruiken van deze informatie door de politie, ook in het kader van een politioneel verkennend onderzoek, rechtmatig.

In casu zijn ook door de politie gegevens bij de belastingdienst ingewonnen omtrent het inkomen en eventueel andere fiscale afdrachten door verdachte gedurende een aantal jaren. Uit het dossier blijkt dat deze gegevens door de belastingdienst zijn verstrekt op basis van voormeld convenant, in relatie met artikel 67, lid 3 onder c. van de Algemene Wet op de Rijksbelastingen. Deze laatste bepaling regelt, zakelijk weergegeven, dat in geval een convenant als hier bedoeld is gesloten, de belastingdienst in afwijking van haar normale geheimhoudingsplicht gegevens mag verstrekken aan de opvragende convenantspartij. Daaruit vloeit voort dat de betreffende gegevens door de politie niet zijn verkregen naar aanleiding van een vordering van de officier van justitie tot het verstrekken van opgeslagen of vastgelegde gegevens als bedoeld in ex artikel 126nd Sv. Uit het onderzoek ter terechtzitting is overigens gebleken, dat een dergelijke vordering ex artikel 126nd Sv wel opgemaakt is, doch dat men daarvan geen gebruik heeft gemaakt, omdat men in de veronderstelling verkeerde dat dit, gegeven de afspraken in het convenant, niet (meer) nodig zou zijn.

De rechtbank stelt vast dat het Convenant vooral beoogt te regelen in welke gevallen, hoe en aan wie, bepaalde persoonlijke informatie, welke normaliter onder de geheimhoudingsplicht van de convenantspartijen valt, aan (een van) de andere convenantspartijen mag worden verstrekt. Voor het overige verwijst het naar de eigen (wettelijke) verantwoordelijkheden van de convenantspartijen.

De rechtbank constateert dat het opvragen van andere dan identificerende gegevens aangaande personen voor strafrechtelijke doeleinden is geregeld in artikel 126nd Sv. Daarin is onder meer bepaald dat het de officier van justitie is die een vordering tot verstrekking van dergelijke gegevens moet doen, terwijl er voorts staat omschreven dat deze vordering slechts kan worden gedaan in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv, te weten een misdrijf waarvoor ook voorlopige hechtenis is toegelaten. Artikel 126nd Sv geeft voorts een aantal voorschriften omtrent de vorm en inhoud van een dergelijke vordering.

Aldus bevat artikel 126nd Sv belangrijke waarborgen ten aanzien van het gebruik en de verslaglegging daarvan van de bevoegdheid tot het inwinnen van andere dan identificerende gegevens van personen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze waarborgen niet, dan wel onvoldoende, terug te vinden in voorbedoeld Convenant. De rechtbank constateert in dit verband onder meer dat het convenant ook de bevraging bij derden van andere dan identificerende gegevens door de politie (en niet slechts door de officier van justitie) mogelijk maakt en dat deze bevraging voorts ook niet uitsluitend beperkt lijkt te zijn tot de gevallen waarin sprake is van een verdenking van een misdrijf, laat staan een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv. Voorts bevat het convenant geen voorschriften over de wijze waarop van de gegevensbevraging c.q. –verstrekking verslag moet worden gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank creëert het Convenant onvoldoende rechtsgrond voor de strafrechtelijke bevraging van gegevens als bedoeld in artikel 126nd Sv. Een verzoek tot het verstrekken van informatie door de politie en/of de officier van justitie op basis van dit Convenant kan dan ook niet in de plaats treden van een vordering als bedoeld in die bepaling. Het feit dat het Convenant vanuit de fiscale regelgeving wel voldoende basis zou kunnen bieden voor de verstrekking van deze informatie maakt dat niet anders.

Aangezien bij de verkrijging van de gegevens van de belastingdienst betreffende verdachte niet conform artikel 126nd Sv is gehandeld, is ter zake van die verkrijging sprake van een vormverzuim. De rechtbank merkt zulks aan als een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Anders dan de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat dit vormverzuim niet tot gevolg dient te hebben dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard. Niet gezegd kan immers worden dat het betreffende vormverzuim daarin heeft bestaan dat de politie en/of de officier van justitie ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

3.2 Bewijsuitsluiting en strafvermindering

Subsidiair is door de raadsman betoogd dat als gevolg van het onder 3.1. gestelde vormverzuim onrechtmatig informatie van de belastingdienst over verdachte is verkregen en dat deze informatie van het bewijs moet worden uitgesloten. Nu het bovendien mede op basis van deze informatie is geweest dat de officier van justitie heeft besloten verdachte als verdachte aan te merken c.q. de woning van verdachte te doorzoeken, meent de raadsman dat ook al het tijdens de doorzoeking verkregen bewijs dient te worden uitgesloten van het bewijs tegen verdachte. De officier van justitie heeft betoogd dat al het bewijs rechtmatig is verkregen.

De rechtbank overweegt ter zake allereerst dat uit het gestelde onder 3.1. volgt dat de informatie van de belastingdienst onrechtmatig is verkregen. Anders dan de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat aannemelijk is dat deze informatie slechts zeer ten dele heeft meegewerkt aan de beslissing tot doorzoeking van de woning van verdachte. Uit het dossier blijkt namelijk dat de informatie van de belastingdienst door de politie eerst was verkregen nadat daarvoor, op 13 januari en 4 februari 2011 ook al gedetailleerde CIE-informatie bij de politie was binnengekomen over het voorhanden hebben en verkopen door verdachte en zijn medeverdachte van hasj en wiet en over het feit dat zij bij een feest in België duizenden euro’s hadden uitgegeven en voor iedereen alles betaald hadden.

Naar het oordeel van de rechtbank vormde deze CIE-informatie in combinatie met de reeds wel vanuit andere bronnen rechtmatig omtrent verdachte (en zijn medeverdachte) verkregen informatie op zichzelf reeds ruim voldoende aanleiding om verdachte als verdachte aan te merken en deswege ook zijn woning te doorzoeken. Derhalve kan ook niet worden gezegd dat deze doorzoeking geheel of overwegend het gevolg was van de van de belastingdienst verkregen informatie. Reeds hierom ziet de rechtbank geen reden om het bij die doorzoeking verkregen bewijs van het bewijs in de strafzaak tegen verdachte uit te sluiten.

In het kader van de onder 359a Sv door de rechtbank te nemen beslissingen omtrent het aan het geconstateerde vormverzuim te verbinden gevolgen heeft de rechtbank groot gewicht toegekend aan laatstgenoemde constatering dat verdachte geen materieel nadeel heeft ondervonden van de gememoreerde onrechtmatige informatiebevraging door de politie bij de belastingdienst. Voorts heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen het belang dat het geschonden voorschrift dient en de ernst van het verzuim. Bij dit laatste heeft de rechtbank betrokken dat aannemelijk is geworden dat de politie in de veronderstelling verkeerde dat een vordering ex 126nd Sv niet meer nodig was, nu het Convenant voorlag. Het leidt echter naar het oordeel van de rechtbank weinig twijfel dat als een dergelijke vordering door de politie aan de Officier zou zijn voorgesteld en de Officier deze zou hebben ingediend, de belastingdienst de gevraagde gegevens vervolgens ook zou hebben verstrekt. De ernst van het verzuim is derhalve meer van formele dan van materiële aard.

Om bovengenoemde redenen ziet de rechtbank ten aanzien van het geconstateerde vormverzuim geen reden om daaraan andere consequenties te verbinden dan de enkele constatering van dit verzuim.

De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De inhoudelijke beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij ten aanzien van feit 1 op de doorzoeking in de woning van verdachte, waarbij de partij hasjiesj is aangetroffen, en op de bekennende verklaring van verdachte. Ten aanzien van feit 2 baseert de officier van justitie zich op het feit dat blijkens de inhoud van het dossier de herkomst van de goederen waarover de verdachte heeft kunnen beschikken niet anders te verklaren valt dan van de opbrengst uit criminele activiteiten nu verdachte nauwelijks een bron van inkomsten heeft en verdachte geen aannemelijke verklaring geeft voor het op andere wijze verkrijgen van die goederen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 tenlastegelegde en wijst daarbij op de tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte aangetroffen hasjiesj en de bekennende verklaring van verdachte.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 2 tenlastegelegde. De verdediging heeft daarbij aangevoerd dat uit de inhoud van het dossier niet volgt dat het door verdachte uitgegeven geld afkomstig zou zijn uit enig misdrijf en dat verdachte aannemelijk heeft gemaakt dat het door hem bestede geld uit een legale bron komt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe als volgt.

Ten aanzien van feit 1:

Na de aanhouding van verdachte heeft op 18 april 2011 een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking werden achter een schot in een slaapkamer meerdere dozen met daarin apart verpakte plakken en blokken verdovende middelen, vermoedelijk hasjies, aangetroffen.

Op 18 april 2011 werd onderzoek verricht naar de aangetroffen verdovende middelen. De plakken bruine samengeperste substantie werden door verbalisant herkend als hasjiesj, een vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep. Uit diverse plakken werd door de verbalisant een representatief monster genomen dat werd getest door middel van de indicatieve Cannabis test van het merk M.M.C. International BV. De monsters gaven alle een positieve reactie indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet. Het totale gewicht van alle plakken betrof 137,08 kilogram.

Verdachte bekende ter terechtzitting dat de in zijn woning aangetroffen verdovende middelen hasjiesj waren en dat hij de hasjiesj op de plek waar het is aangetroffen bewaarde.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 18 april 2011 opzettelijk 137,08 kilogram hasjiesj aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft ter terechtzitting niet betwist dat hij de in de tenlastelegging opgenomen uitgaven heeft gedaan, met uitzondering van de contante betaling van ongeveer 137 kilogram hasjiesj ten bedrage van € 109.600,00. Ook de hoogte van de opgenomen bedragen per post is door verdachte niet betwist.

De verdediging heeft wel betwist dat verdachte de uitgaven heeft gedaan met geld dat van misdrijf afkomstig was. Voor een aantal uitgaven heeft verdachte een verklaring gegeven, waaruit zou blijken dat het geld afkomstig zou zijn geweest van een legale bron.

Ten aanzien van het onder het vijfde gedachtestreepje vermelde bedrag van € 21.000,00 voor de aankoop van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] verklaarde verdachte dat hij deze auto grotendeels had gekocht met geld dat door de verzekering naar aanleiding van een inbraak aan de vader van verdachte was uitgekeerd. Verdachte had dit geld van zijn vader gekregen om er een auto van te kopen.

De rechtbank overweegt dat uit de inhoud van het dossier volgt dat de verzekering reeds in februari 2009 een bedrag van in totaal € 20.640,00 aan de vader van verdachte heeft uitbetaald. Tot eind maart 2009 is van die rekening € 14.500,00 contant geld opgenomen. Verdachte heeft de Volkswagen Golf echter pas in maart 2010 aangeschaft. De verklaring van verdachte dat hij de Volkswagen Golf grotendeels met het verzekeringsgeld van zijn vader heeft gekocht acht de rechtbank gelet op het tijdsverloop tussen de storting van het verzekeringsgeld, de geldopnames en vervolgens de aankoop van de auto dan ook niet aannemelijk. De rechtbank zal dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen verklaren.

Ten aanzien van het onder het zesde gedachtestreepje ten laste gelegde bedrag van

€ 109.600,00 voor de contante betaling van ongeveer 137 kilogram hasjiesj verklaarde verdachte dat hij de partij hasjiesj niet zelf had gekocht, maar dat hij deze voor iemand bewaarde. De rechtbank stelt vast dat verdachte deze verklaring op geen enkele wijze heeft onderbouwd en deze ook niet controleerbaar is.

Uit het dossier blijkt bovendien dat verdachte op 31 maart 2011 aan zijn medeverdachte [medeverdachte] een sms stuurde met de inhoud: “Maak alvast 5 zwaard klaar. Voor straks om 7 uur” Op één van de dozen met hasjiesj die bij verdachte thuis zijn aangetroffen was op een daarop bevestigd stuk tape geschreven “zwaard”. Voorts is op één van de pakketjes hasj, behorende tot de grote partij die bij verdachtes medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen, ook een vingerafdruk van verdachte gevonden.

Desgevraagd heeft verdachte voor deze bevindingen geen verklaring willen geven. De rechtbank meent dat het voorgaande niet anders te begrijpen is, dan dat verdachte en zijn medeverdachte tezamen ook kennelijk zelfstandig besluiten namen over levering van (een deel van) de hoeveelheid hasj die zij samen in huis hadden. Dit past niet bij verdachtes verklaring dat hij de bij hem thuis aangetroffen hasjiesj alleen voor iemand anders bewaarde.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de hasjiesj voor ander bewaarde dan voor zichzelf (en zijn mededader) dan ook ongeloofwaardig.

Uit het dossier komen voorts enige aanwijzingen naar voren dat verdachte de partij hasjiesj mogelijk, al dan niet met een mededader, van iemand zou hebben “geript”. Op vragen ter terechtzitting werd dit echter door verdachte nadrukkelijk ontkend. Derhalve kan niet worden aangenomen, dat verdachte langs deze weg, en dus zonder betaling, in het bezit is gekomen van voormelde hoeveelheid hasjiesj.

Verdachte heeft de beschikking gehad over ruim 137 kilogram hasjiesj. Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen, zeker in hoeveelheden als de onderhavige, niet kosteloos worden verstrekt en dat daar altijd voor betaald moet worden. Mede gezien ook het hiervoor overwogene met betrekking tot de wijze van verkrijging door verdachte van de aangetroffen verdovende middelen is de rechtbank van oordeel dat daaruit voortvloeit dat het alleszins aannemelijk is dat verdachte voor de verkrijging van de partij hasjiesj heeft betaald.

Bij gebrek aan een verklaring van verdachte is bij de berekening van het bedrag van

€ 109.600,00 door de politie uitgegaan van de laagst mogelijke inkoopprijs voor verdovende middelen van € 800,00 per kilogram hasjiesj. De rechtbank zal gelet hierop de in het voordeel van verdachte gemaakte berekening op dit punt overnemen. De rechtbank zal dat onderdeel van de tenlastelegging dan ook op die manier bewezen verklaren.

Ten aanzien van het onder het zevende gedachtestreepje ten laste gelegde bedrag van

€ 14.894,56 voor wat betreft volgens aangetroffen contantbonnen in de periode van de tenlastelegging gedane contante uitgaven aan onder meer kleding, schoenen en sokken, verklaarde verdachte dat een deel van de aangetroffen kleding niet van hem was. De rechtbank overweegt dat verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kleding door anderen dan verdachte zijn aangeschaft.

Verdachte heeft voorts ten aanzien van het bij hem aangetroffen Rolex-horloge ter waarde van € 7.970,00 verklaard dat dit horloge van zijn vader, genaamd [A], was en dat zijn vader dit naar aanleiding van zijn 35-jarig huwelijk had gekregen van het gezin. Het hele gezin had daarvoor gespaard, aldus verdachte.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat het garantiebewijs op naam van

[A] staat. Daarnaast ondersteunt de verklaring van de vader van verdachte bij de politie de verklaring van verdachte. De rechtbank acht de door verdachte gegeven verklaring ten aanzien van het Rolex-horloge voldoende onderbouwd en niet hoogst onwaarschijnlijk en zal verdachte daarom vrijspreken van dat gedeelte van de tenlastelegging. De rechtbank zal een bedrag van € 7.970,00 in mindering brengen op het onder dit gedachtestreepje opgenomen bedrag.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting voorts dat hij in 2007 een bedrag van € 60.000,00 van zijn grootvader had geleend en dat hij een groot deel van zijn uitgaven hiermee had bekostigd. Deze verklaring wordt door de vader van verdachte en door twee broers van verdachte in hun verhoor bij de politie ondersteund. In het dossier bevindt zich een kopie van de bij die verhoren getoonde kennisgeving houdende een verklaring van verdachtes grootvader, die blijkens de datering op 12 november 2007 op het Marokkaanse Consulaat zou zijn afgelegd, inhoudende dat hij aan verdachte dit bedrag heeft geleend. Door de raadsman is ter terechtzitting het mede van zegels en handtekeningen van de zijde van het Marokkaanse consulaat voorziene origineel van deze akte getoond.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het voorgaande verdachte zijn verklaring dat dat hij een bedrag van

€ 60.000,00 van zijn grootvader had gekregen in voldoende mate nader heeft onderbouwd, terwijl deze verklaring voorts niet hoogst onwaarschijnlijk kan worden geacht. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken. De rechtbank zal dit bedrag dan ook in mindering brengen op het totale bedrag aan witwassen, als zijnde legaal verklaarbare inkomsten.

Dat verdachte volgens zijn eigen verklaring daarnaast in de loop van de jaren ook een bedrag van ongeveer € 25.000,00 van zijn broers heeft gekregen acht de rechtbank echter onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank zal deze door de verdediging als legaal aangevoerde inkomsten dan ook niet in mindering brengen.

Ten aanzien van de posten heeft de rechtbank nog gelet op:

- eerste gedachtestreepje:

- het tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen geldbedrag van ongeveer € 11.500,00 .

- tweede gedachtestreepje:

o het proces-verbaal waaruit volgt dat op de rekening van verdachte met nummer 94.03.06.689 in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 mei 2011 in totaal een bedrag van € 28.870,00 was gestort en dat er in deze periode in totaal een bedrag van € 850,00 van deze rekening was opgenomen . Per saldo is in de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 mei 2011 een contante geldstroom geweest van € 28.020,00 .

- derde gedachtestreepje:

o een door verdachte uitgevoerde money transfer op 4 mei 2010, waarbij verdachte een bedrag van

€ 2.000,00 heeft overgemaakt naar Marokko .

- vierde en vijfde gedachtestreepje:

o het proces-verbaal, waaruit volgt dat de koper van de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] deze auto voor een bedrag van € 9.500,00 had gekocht en dat dit bedrag contant was betaald, en dat de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] deze auto had gekocht voor een bedrag van € 21.000,00, welke bedrag ook contant was betaald ;

o de verklaring van verdachte dat hij de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] en de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] had gekocht en dat hij daarvoor een bedrag van € 9.500,00 respectievelijk € 21.000,00 contant had betaald .

- zevende gedachtestreepje:

o het proces-verbaal van bevindingen, waaruit volgt dat in de in de woning van verdachte aangetroffen en in beslag genomen administratie aankoopbewijzen zaten van contante uitgaven voor de in het proces-verbaal genoemde goederen vanaf 2009 tot 18 april 2011 met een totaalbedrag van € 14.894,56 ;

o de verklaring van verdachte dat hij diverse in het proces-verbaal genoemde goederen had aangeschaft .

De rechtbank overweegt dat uit de inhoud van het dossier naar voren komt dat verdachte nauwelijks legale inkomsten had. Met uitzondering van een bedrag van

€ 7.970,00 voor het Rolex-horloge en het bedrag van € 60.000,00 heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de goederen waarover verdachte heeft kunnen beschikken, volledig van legale inkomsten zijn aangeschaft dan wel een volledig legale herkomst hebben. Nu verdachte voor het totaal van de uitgaven slechts ten dele de legale verkrijging van de daarvoor benodigde gelden heeft kunnen aantonen, staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat deze uitgaven voor een aanzienlijk deel geen legale herkomst hebben, zodat elk van de afzonderlijk ten laste gelegde posten alleen dan wel grotendeels uit de opbrengst van criminele activiteiten kan worden verklaard en derhalve afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bij de verkrijging van deze goederen gebruik heeft gemaakt van naar hij wist uit misdrijf verkregen gelden. Aldus heeft verdachte deze gelden ook witgewassen als strafbaar gesteld in artikel 420bis, lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht. De in de tenlastelegging opgesomde bedragen vormen in totaal een bedrag van

€ 196.623,18. Na aftrek van het bedrag van € 7.790,00 en het bedrag van € 60.000,00, welk bedrag verdachte aannemelijk aan legale inkomsten heeft gehad, resteert een bedrag van

€ 128.833,18. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich ten aanzien van dit bedrag heeft schuldig gemaakt aan witwassen.

Gelet op het feit dat verdachte meerdere transacties heeft verricht gedurende een periode van ruim twee jaar acht de rechtbank bewezen dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 18 april 2011 te Woerden opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid (als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet) hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), te weten 137,08 kilogram hasjiesj, zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 april 2011 in Nederland, telkens van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens onderstaande voorwerpen voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt, te weten:

- een geldbedrag van ongeveer 11.500,- euro (aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte);

- geldbedragen van (totaal) 28.020,- euro (contante stortingen op de bankrekening van verdachte);

- een geldbedrag van 2.000,- euro (verzonden moneytransfer);

- een geldbedrag van 9.500,- euro (contante betaling VW Golf [kenteken]);

- een geldbedrag van 21.000,- euro (contante betaling VW Golf [kenteken]);

- een geldbedrag van 109.600,- euro (contante betaling van ongeveer 137 kg hasjiesj);

- geldbedragen van ongeveer 7.104,56 euro (diverse contantbonnen),

terwijl verdachte wist, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van feit 2:

Een gewoonte maken van witwassen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts verzocht de op de beslaglijst onder 1 tot en met 9 genoemde voorwerpen te onttrekken aan het verkeer. De officier van justitie heeft verzocht over de overige in beslag genomen goederen geen beslissing te nemen nu op die goederen conservatoir beslag rust.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van Opiumwet-delicten en dat de inhoud van het reclasseringsrapport en de houding van verdachte ter terechtzitting in het voordeel van verdachte moeten worden meegewogen in de strafmaat. De eis van de officier van justitie moet dan ook gematigd worden.

De verdediging heeft verzocht de in beslag genomen goederen aan verdachte terug te geven.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een forse partij softdrugs aanwezig gehad. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Het gebruik van dergelijke middelen veroorzaakt, door vaak daarmee gepaard gaand crimineel gedrag, onrust en schade in de samenleving.

Ook heeft verdachte zich gedurende een periode van ruim twee jaar schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk bedrag. Daarmee heeft verdachte van het witwassen een gewoonte gemaakt. Door het witwassen werd de werkelijke aard en de herkomst van de gelden versluierd. Daar komt nog bij dat het witwassen van gelden een ontwrichtende werking heeft op het economisch verkeer. Verdachte heeft de integriteit van het financiële en economische verkeer in ernstige mate geschonden.

De rechtbank overweegt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 juni 2011 maakt de rechtbank op dat verdachte eerder meerdere keren is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, echter voor het laatst in 2008. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor overtredingen van de Opiumwet of voor witwassen, echter wel voor andersoortige vermogensdelicten.

De reclassering geeft in het voorlichtingsrapport van 27 juni 2011, opgemaakt door

S. Dijkslag, reclasseringswerker, aan dat er geen sprake is van de aanwezigheid van criminogene factoren. Verdachte lijkt zijn leven goed op orde te hebben. Verdachte heeft aangegeven niet tevreden te zijn met zijn leven. Hij voelt zich al een paar jaar erg ongelukkig. Verdachte zou zich willen settelen en een huisje-boompje-beestje-leven willen leiden, maar hij weet niet hoe en waar hij moet beginnen en hij heeft het gevoel vast te lopen. De reclassering kan geen uitspraak doen over het recidivegevaar, omdat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept. De reclassering acht een toezicht niet geïndiceerd, omdat er geen probleemgebieden zijn geconstateerd. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal geen andere gevolgen hebben dan de gebruikelijke.

Na zich gedurende het gehele onderzoek door de politie op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, heeft verdachte ter terechtzitting bekend de hasjiesj aanwezig te hebben gehad. Verdachte verklaarde dat hij de hasjiesj voor iemand anders in bewaring had, maar wil geen namen noemen. Verdachte blijft het witwassen van gelden echter ontkennen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus niet volledig zijn verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij heeft gedaan.

Verdachte gaf ter terechtzitting aan dat hij zijn lesje wel geleerd had van deze zaak en dat hij graag een huis, werk en een gezin wilde hebben. Verdachte gaf aan dat hij bereid was om begeleiding van de reclassering te aanvaarden om hem daarmee op weg te helpen.

De zaak tegen verdachte werd ter terechtzitting gelijktijdig behandeld met de zaak tegen de medeverdachte. De medeverdachte werd eveneens verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs en het witwassen van gelden gedurende eenzelfde periode. De rechtbank heeft op grond van de inhoud van het dossier de indruk gekregen dat beide verdachten een zelfde, gelijkwaardige rol hebben gespeeld in de door elk van hen gepleegde strafbare feiten. Nu ook de aard en de ernst van de feiten overeenkomen zou in beginsel eenzelfde straf gerechtvaardigd zijn. In de zaak van de medeverdachte heeft de rechtbank, de richtlijnen in aanmerking genomen, een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden opgelegd. Gelet op het feit dat verdachte een kleiner bedrag aan gelden heeft witgewassen, het strafblad van verdachte significant minder is, het feit dat verdachte in tegenstelling tot de medeverdachte ter zitting deels zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en gelet op het feit dat verdachte in tegenstelling tot de medeverdachte ter zitting heeft aangegeven hulp te willen aanvaarden, komt de rechtbank in de zaak van verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaar en verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde. De rechtbank is van oordeel dat verdachte begeleiding vanuit de reclassering nodig heeft om zijn leven op de rit te krijgen en om herhaling van dit soort feiten in de toekomst te voorkomen. Om tot een vergelijkbare straf te komen waarin met een en ander rekening wordt gehouden heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de regeling van de vervroegde invrijheidstelling.

Gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, en mede gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is. De rechtbank acht in de zaak tegen verdachte een gevangenisstraf van zestien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaar en met verplicht reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde passend en geboden. De rechtbank zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.

7 Het beslag

7.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst onder 1, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen, te weten:

- breekijzer;

- bivakmuts, 365919;

- vacumeermachine;

- mes;

- bivakmuts, 364665;

- tas met inhoud alarminstallatie;

- verpakkingsmateriaal.

De rechtbank zal voorts de teruggave gelasten van de op de bij het vonnis gevoegde beslaglijst onder 11 tot en met 29 genoemde voorwerpen aan verdachte. Het strafvorderlijk beslag komt hiermee ten aanzien van deze voorwerpen te vervallen, echter het conservatoir beslag blijft gehandhaafd.

7.2 De teruggave aan de rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het onder 10 genoemde in beslag genomen horloge, merk Rolex, aan de rechthebbende. Het strafvorderlijk beslag komt hiermee ten aanzien van dit voorwerp te vervallen, echter het conservatoir beslag blijft gehandhaafd.

7.3 De onttrekking aan het verkeer

De op de beslaglijst onder 2 en 7 genoemde in beslag genomen boksbeugel en baken-machine zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: een gewoonte maken van witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zestien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de onder 1, 3, 4, 5, 6, 8 en 9 genoemde in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- breekijzer;

- bivakmuts, 365919;

- vacumeermachine;

- mes;

- bivakmuts, 364665;

- tas met inhoud alarminstallatie;

- verpakkingsmateriaal;

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 11 tot en met 29;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen:

- boksbeugel;

- baken-machine.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 augustus 2011.