Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5796

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
16.600195-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot straatroof, voorwaardelijk opzet bewezen gelet op de aard van de handelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600195-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. P.R. de Korte, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder (bedreiging met) geweld te beroven of af te persen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met een ander [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft geprobeerd af te persen door middel van geweld en bedreiging met geweld en baseert zich daarbij op de aangifte, waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] om geld werd gevraagd, werd bedreigd met een mes en werd vastgepakt, voorts op de camerabeelden waaruit blijkt dat verdachte en zijn mededader dichtbij aangever stonden en hem vastpakten en op de deels bekennende verklaring van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte]. De officier van justitie vraagt vrijspraak van de ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de opzet van verdachte op beroving of afpersing. Verdachte heeft vanaf het begin verklaard dat hij en medeverdachte [medeverdachte] in een baldadige bui waren en een grap wilden uithalen met aangever, waarbij zijn rol in het geheel slechts beperkt was. Verdachte heeft bovendien ontkend dat hij een opmerking heeft gemaakt over een mes. De raadsman voert tenslotte aan dat uit het dossier volgt dat [slachtoffer 2] niet is gehoord en dat ten aanzien van hem geen bewezenverklaring kan volgen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vaststelling van de feiten

Op 26 februari 2011 doet [slachtoffer 1] aangifte bij de politie, omdat hij eerder die dag is lastig gevallen door twee jongens. Hij verklaart dat hij op die dag zijn vriend [slachtoffer 2] rond 00.00 uur naar het station Soest-Zuid in Soest bracht en dat er op het perron twee jongens achter hen aanliepen. De kleinste van die twee jongens trok aan de rugzak van [slachtoffer 2] en zei daarbij: “Geef geld!” Toen [slachtoffer 1] tegen die jongen zei dat hij van [slachtoffer 2] af moest blijven, ging deze heel dicht voor [slachtoffer 1] staan en zei tegen hem: “Wat afblijven?” [slachtoffer 2] was ondertussen in de trein gestapt en de deuren waren gesloten. De langste van de twee jongens stak een arm tussen de dichtgaande treindeuren waardoor deze weer opengingen. Vervolgens begonnen de jongens een gesprek met [slachtoffer 1], waarbij de langste jongen onder meer aan hem vroeg of hij geen tientje voor hem had, of hij geld voor hem had of anders een OV-kaart of pinpas voor hem had. Ook de kleinste jongen vroeg hem meermalen om geld en om zijn portemonnee. Aangever bleef zeggen dat hij zijn portemonnee niet bij zich had en ook niet naar huis wilde om die te gaan halen om voor hen te pinnen. Vervolgens pakte de langste jongen hem bij zijn rechterarm, trok daaraan en zei: “Kom eens mee”, waarna de kleinste jongen aan aangever vroeg: “Waarom ga jij niet mee?” toen hij zich losrukte. De kleinste jongen zei vervolgens tegen de langere jongen: “Volgens mij moeten we een knifi trekken”, waarbij hij zijn rechterhand in zijn rechterzak van zijn vest stak en een vuist maakte met zijn hand. Aangever verklaart dat hij het woord knifi kent als straattaal voor een mes. De langste jongen reageerde vervolgens bevestigend en keek [slachtoffer 1] dreigend aan, terwijl beide jongens op een meter afstand van aangever stonden. Vervolgens zei de kleinste jongen: “Dan gaan we nu naar een pinautomaat geld trekken”, terwijl de langste jongen hem bij zijn rechterbovenarm greep en met kracht verder het perron probeerde op te trekken. Ondertussen bewoog de kleinste jongen zijn rechterarm in zijn rechtervestzak naar voren alsof hij zich klaar maakte om een mes te trekken. [slachtoffer 1] verklaart dat hij toen heel bang werd, dat hij tegen de jongens gezegd heeft dat hij de snackbar in zou gaan en daar vervolgens is heengelopen en de politie heeft gebeld.

Kort daarna worden medeverdachte [medeverdachte] en verdachte door de politie in de nabije omgeving van het station aangehouden. Zij verklaren beiden dat zij degenen zijn geweest die met [slachtoffer 1] hebben gepraat op het perron. Camerabeelden bevestigen dat binnen het tijdsbestek dat [slachtoffer 1] noemde op het perron drie personen stonden, waarbij een van de drie een ander bij de hand probeerde te pakken, maar dat niet lukte. Medeverdachte [medeverdachte] bevestigt dat hij de jongen om geld heeft gevraagd en dat hij gedaan heeft alsof hij een mes zou trekken. Ook verdachte bekent dat hij en medeverdachte [slachtoffer 1] bang hebben gemaakt door wat ze tegen hem zeiden en dat hij ook gemerkt heeft dat [slachtoffer 1] echt bang was.

Aanvullende overwegingen

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte] heeft geprobeerd [slachtoffer 1] af te persen. Verdachte verklaart dat het een lolletje was en dat hij niet echt van plan was om [slachtoffer 1] geld afhandig te maken. Uit de aard van de handelingen die verdachte en [medeverdachte] samen uitvoerden (vermeld in de aangifte): het steeds dichtbij [slachtoffer 1] gaan staan, het herhaalde vragen om geld terwijl [slachtoffer 1] al gezegd had dat hij zijn portemonnee niet bij zich had en het opvoeren van de druk op aangever door hem fysiek beet te pakken, aan hem te trekken en vervolgens te doen alsof ze een mes bij zich hadden en aangever zouden steken als hij niet deed wat zij wilden, spreekt echter een andere taal. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte en [medeverdachte] wel degelijk het oogmerk hadden om aangever met geweld en bedreiging met geweld te dwingen om zijn geld of goederen af te geven. Verdachte heeft tijdens de verhoren doen voorkomen alsof hij een kleinere, dan wel sussende rol heeft gespeeld in het incident, maar uit het voorgaande blijkt daar niets van. Integendeel, naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat verdachte en [medeverdachte] een aanzienlijk aandeel hebben gehad in de poging tot afpersing van [slachtoffer 1].

Uit de uitvoeringshandelingen blijkt dat geprobeerd is om [slachtoffer 1] ertoe te brengen dat hij zijn geld en/of goederen afgaf en niet dat geprobeerd is om zijn geld en/of goederen van hem af te pakken. Om die reden moet verdachte van het eerste deel van de tenlastelegging onder 1. (tot de woorden en/of die tussen twee witregels staan) worden vrijgesproken.

De rechtbank acht ook niet bewezen dat verdachte en [medeverdachte] hebben geprobeerd [slachtoffer 2] af te persen. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte en [medeverdachte] het voornemen hadden om [slachtoffer 2] af te persen en of dit voornemen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, als zij naar de uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf. De rechtbank acht de ten aanzien van [slachtoffer 2] verrichte uitvoeringshandelingen onvoldoende om te kunnen spreken van dwang om zijn geld of goederen af te geven. Hiervan wordt verdachte eveneens vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 26 februari 2011 te Soest ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld die [slachtoffer 1] te

dwingen tot de afgifte van geld en goederen, toebehorende aan die [slachtoffer 1] tezamen en in vereniging met een ander als volgt heeft gehandeld: zijnde en/of hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

rond middernacht op het treinstation van Soest-Zuid

- vlak voor die [slachtoffer 1] gaan staan en daarbij gezegd: "Wat afblijven?" en

vervolgens

- (meermalen) aan die [slachtoffer 1] gevraagd: "Heb je geen geld" en "Heb je anders geen ov-kaart of pinpas" en

- aan de arm van die [slachtoffer 1] getrokken en hem vastgepakt en vastgehouden en vlak voor die [slachtoffer 1] gaan staan en daarbij gezegd: "Kom eens mee" en "Waarom ga je niet mee"

en

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] gezegd: "Volgens mij moeten we een 'knifie' (= straattaal voor mes) trekken" en "Dan gaan we nu naar een pinautomaat geld trekken" en

- vervolgens met kracht aan de arm van die [slachtoffer 1] getrokken en deze vastgepakt en

- dreigend zijn arm in zijn vestzak gedaan en bewogen alsof hij daar een mes in vasthad en bewoog,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod voor de verdachte en deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet eerder voor een dergelijk strafbaar feit is veroordeeld. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met het feit dat verdachte een voltijdbaan heeft bij een koeriersbedrijf en zich bezig houdt met de zorg voor zijn ouders. De raadsman heeft opgemerkt dat de reclassering het recidiverisico op laag-gemiddeld heeft ingeschat en heeft verzocht de proeftijd te beperken tot een jaar.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing van [slachtoffer 1]. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] blijkt dat hij zich erg bedreigd heeft gevoeld en dat hij er op een bepaald moment zelfs van overtuigd was dat hij steekwonden zou oplopen wanneer hij niet aan de eisen van verdachte en zijn mededader zou voldoen.

Dit maakt dat sprake is van een ernstig strafbaar feit. Daar komt nog bij dat dergelijke incidenten een negatieve uitwerking hebben op het gevoel van veiligheid in de samenleving, omdat mensen die horen van dergelijke incidenten via hun contacten met aangever of via de media zich onveiliger gaan voelen. De rechtbank houdt verdachte hier verantwoordelijk voor.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden noodzakelijk is. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van verdachte van 28 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor gewelds- of vermogensdelicten.

De rechtbank overweegt dat het opleggen van een voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door de Reclassering en het opleggen van andere, in de reclasseringsrapportage d.d. 14 april 2011 geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk maakt. Deze bijzondere voorwaarden betreffen een meldingsgebod en deelname aan een Cognitieve vaardigheidstraining. Bovendien wordt met het opleggen van deze voorwaardelijke straf beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Wat betreft de termijn van de proeftijd acht de rechtbank de duur van twee jaar passend.

De rechtbank oordeelt voorts dat, gelet op de ernst van het feit, aan verdachte een werkstraf voor de duur van 120 uren zal worden opgelegd. Indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, dient vervangende hechtenis te worden toegepast van 60 dagen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van de tenlastegelegde poging tot diefstal, in vereniging gepleegd;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering en zich daartoe moet melden binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis voor 17.00 uur bij Reclassering Nederland op Vivaldiplantsoen 200, 3533 JE Utrecht. Hierna dient verdachte zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden te blijven melden zo frequent als Reclassering Nederland gedurende deze perioden nodig acht;

* dat verdachte deelneemt aan de gedragsinterventie Cognitieve vaardigheidstraining;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Voorlopige hechtenis

- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 augustus 2011.