Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5784

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-06-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
16-600202-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar ter zake 6 feiten, waarvan driemaal diefstal met braak, een diefstal met geweld en tweemaal poging diefstal met braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600202-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedetineerd in de P.I. Utrecht – HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein,

raadsman mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Primair:

- zich in de periode van 18 december 2009 tot en met 19 december 2009 te Nijkerk schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal van goederen en/of geld toebehorende aan [aangever 1], in vereniging door middel van braak;

Subsidiair:

- zich in de periode van 18 december 2009 tot en met 19 december 2009 te Nijkerk in vereniging schuldig heeft gemaakt aan vernieling van een bovenlicht toebehorende aan [aangever 1];

Feit 2:

- zich in de periode van 19 juli 2010 tot en met 20 juli 2010 te Amersfoort schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een laptop toebehorende aan [bedrijf 1], in vereniging door middel van braak en inklimming;

Feit 3:

- zich op 7 januari 2011 te Amersfoort schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld van goederen en/of geld toebehorende aan [aangever 2], door middel van braak en inklimming;

Feit 4:

- zich op 25 juli 2010 te Drachten schuldig heeft gemaakt aan diefstal van twee fotocamera’s en een videocamera en een externe harddisk en één of meer lenzen en drie desktops toebehorende aan [benadeelde], in vereniging door middel van braak en inklimming;

Feit 5:

- zich op 27 oktober 2010 te Amersfoort schuldig heeft gemaakt aan diefstal van 435 euro, toebehorende aan [bedrijf 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [getuige];

Feit 6:

- zich op 6 januari 2011 te Amersfoort schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een computer en een Wacom tablet toebehorende aan [bedrijf 3], in vereniging en door middel van braak en inklimming.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Ten aanzien van feit 1 stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten omdat hiervoor onvoldoende bewijs aanwezig is. Voorts stelt de raadsman dat wegens gebrek aan bewijs tevens niet tot de bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit kan worden gekomen. De raadsman verzoekt verdachte daarom vrij te spreken van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot de overige ten laste gelegde feiten wijst de raadsman op de bekennende verklaringen van verdachte ter terechtzitting. Verdachte bekent echter niet het geweld dat hem onder 3 en 5 ten laste wordt gelegd. De raadsman stelt dat vrijspraak dient te volgen voor de onderdelen in de tenlastelegging die betrekking hebben op het geweld. De raadsman voert daartoe aan dat de verklaringen van de aangevers mogelijk onjuist zijn. De raadsman stelt dat verdachte geen reden heeft om hierover valselijk te verklaren.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de namens verdachte aangevoerde bewijsverweren geen aanleiding geven tot afzonderlijke bespreking. Zij vinden hun weerlegging in de na te noemen bewijsmiddelen. De rechtbank merkt daarbij op dat zij, met name wat betreft de feiten 3 en 5, geen reden heeft om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de aangiftes in het dossier te twijfelen.

Feit 1:

De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De bewijsmiddelen die de rechtbank hierbij van belang acht zijn de aangifte van [aangever 1] en het bloedspoor van verdachte op de schep die in de tuin van [aangever 1] werd aangetroffen.

In de nacht van vrijdag 18 december 2009 op zaterdag 19 december 2009 is een bovenlicht van het rechterbovenraam dat op de woonkamer van de woning aan de [adres] te Nijkerk uitkomt, geforceerd, waarbij er vervormingen in het kozijn zijn ontstaan. [aangever 1] zag in zijn tuin zijn schep staan en zag dat deze verplaatst was. Verder zag hij dat er bloed op deze schep zat. Uit onderzoek is gebleken dat het dna van dit bloedspoor overeenkomt met het dna van verdachte. De kans dat dit dna spoor niet van verdachte afkomstig is, is kleiner dan één op één miljard.

De rechtbank acht hierbij de verklaring van verdachte bij de politie van belang, waarin hij zegt dat hij de poging tot inbraak in Nijkerk kan hebben gepleegd. Hij ging ten tijde van het tenlastegelegde veel om met iemand die veel in Nijkerk kwam. Daarbij verklaart verdachte dat, indien zijn bloed is gevonden op een schep, dat dan wel zo zal wezen. De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande dat verdachte kennelijk het doel had om in te breken in de woning van [aangever 1] aan de [adres] te Nijkerk om daar goederen of geld weg te nemen. Hij heeft geprobeerd om met de schep een bovenlicht van het raam te forceren om zich op die wijze toegang te verschaffen tot de woning. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat verdachte het primair tenlastegelegde in vereniging heeft gepleegd, zodat zij ervan uitgaat dat verdachte het tenlastegelegde alleen heeft gepleegd.

Feit 2:

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de aangifte van [bedrijf 1]. Omdat verdachte niet heeft verklaard dat hij dit feit in vereniging heeft gepleegd en dit tevens niet uit het dossier blijkt, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit alleen heeft gepleegd.

Feit 3:

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de aangifte van [aangever 2]. Ten aanzien van het gebruikte geweld baseert de rechtbank zich op de aangifte van [aangever 2], waaruit blijkt dat de man die zich op 7 januari 2011 in de woning van [aangever 2] te Amersfoort bevond op [aangever 2] af kwam lopen waarna er een worsteling is ontstaan waarbij de man [aangever 2] heeft vastgepakt. Nu uit de aangifte van [aangever 2] niet blijkt dat op dat moment nog een andere man in de woning aanwezig was, terwijl verdachte heeft bekend dat hij in de woning was, is de rechtbank van oordeel dat het verdachte moet zijn geweest die geweld tegenover aangever heeft gebruikt. De aangifte van [aangever 2] komt tot in detail overeen met die van verdachte. Bijvoorbeeld waar het gaat om het opentrekken van een slaapkamerdeur door verdachte die [aangever 2] probeerde dicht te houden. Mede gelet hierop is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte, ondanks zijn ontkenning, met [aangever 2] heeft geworsteld.

Feit 4:

De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De bewijsmiddelen die de rechtbank hierbij van belang acht zijn de aangifte van [benadeelde] , het proces-verbaal van sporenonderzoek en het proces-verbaal van identificatie van het dactyloscopisch spoor met de bijbehorende bijlagen , alsmede het proces-verbaal van bevindingen van hoofdagent [verbalisant 1].

Op 25 juli 2010 werd er ingebroken in een bedrijfspand aan de [adres] te Drachten. [benadeelde] huurt in dit bedrijfspand twee kantoorruimtes. Op 25 juli 2010 kwam [benadeelde] bij zijn kantoor en zag dat de ruit van zijn kantoor was ingeslagen. De deur die toegang verschaft naar het eerste kantoor was ter hoogte van de slotplaat opengebroken en slotplaat lag op de grond. De bovenste helft van de deur die naar de naastgelegen kantoorruimte leidt hing alleen nog in de scharnieren. Op deze deur is een bruikbaar dactyloscopisch spoor van een afdruk van een handpalm aangetroffen. Uit onderzoek is vast komen te staan dat deze afdruk identiek is aan de afdruk van de handpalm van verdachte,wat tot de conclusie leidt dat alleen verdachte de donor van het spoor kan zijn. Uit de kantoorruimtes zijn twee camera’s van het merk Canon, een integrale SD-card, een beeldscherm van het merk Apple, drie desktops van het merk Apple, een externe harddisk, een videocamera van Medion en twee camera lenzen weggenomen. Tevens lag er een externe harde schijf van het merk Freecom op de grond welke niet meer werkt op de PC van [benadeelde]. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde in vereniging heeft gepleegd, zodat zij ervan uitgaat dat verdachte het tenlastegelegde alleen heeft gepleegd.

Feit 5:

De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal van aangifte door [bedrijf 2]. Ten aanzien van het geweld dat verdachte daarbij heeft gebruikt baseert de rechtbank zich op het proces-verbaal van getuige [getuige]. Verdachte bevond zich op 27 oktober 2010 in de [bedrijf 2] aan de Leusderweg te Amersfoort. Gelet op de verklaring van de caissière, [getuige], gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte [getuige] met kracht bij de keel heeft gegrepen en haar linker hand heeft beet gepakt. Verdachte heeft het hoofd van [getuige] met kracht naar de balie en richting de grond geduwd, waarbij hij riep “Overval, overval, overval”. Verdachte duwde [getuige] steeds verder naar de grond en legde een hand op de mond van [getuige]. Omdat de verklaringen van verdachte en aangeefster overeenkomen, met uitzondering van de verklaring omtrent het geweld, heeft de rechtbank geen reden om op dit punt aan de verklaring van aangeefster te twijfelen. Na het opmaken van de kassa is gebleken dat verdachte daaruit 435 euro heeft weggenomen.

Feit 6:

De rechtbank acht het onder 6 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en de aangifte van B.P.L.M. Jansen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting niet dat verdachte het onder 6 tenlastegelegde in vereniging heeft gepleegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verdachte het tenlastegelegde alleen heeft gepleegd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 18 december 2009 tot en met 19 december 2009 te Nijkerk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen goederen of geld, geheel toebehorende aan [aangever 1], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en die weg te nemen goederen of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, met een schep, een bovenlicht van een raam van die woning geforceerd, zijnde de uitoefening van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

in de periode van 19 juli 2010 tot en met 20 juli 2010 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand heeft weggenomen een laptop (merk HP), geheel toebehorende aan [bedrijf 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een ruit van voornoemd pand en door middel van inklimming;

3.

op 7 januari 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen goederen of geld, geheel toebehorende aan [aangever 2], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak, immers heeft verdachte een ruit vernield en vervolgens via die ruit die woning betreden en daarbij die voorgenomen diefstal te doen vergezellen van geweld tegen die [aangever 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, immers heeft hij, verdachte, met kracht een deur opengetrokken en met die [aangever 2] geworsteld en die [aangever 2] vastgepakt, zijnde de uitoefening van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

op 25 juli 2010 te Drachten, gemeente Smallingerland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen twee fotocamera’s (merk Canon) en een videocamera (merk Medion) en een externe harddisk en een of meer lenzen en drie desktops (Merk Apple), geheel toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een ruit van voormeld pand en een slotplaat van een deur en door middel van inklimming;

5.

op 27 oktober 2010 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëgening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, te weten 435 euro, geheel toebehorende aan [bedrijf 2] gevestigd aan de Leusderweg, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen [getuige] werkzaam als caissière bij [bedrijf 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemde [getuige] met kracht bij haar keel heeft gegrepen en vervolgens met kracht voornoemde [getuige] naar de grond heeft geduwd en een hand op de mond van voornoemde [getuige] heeft geplaatst en geroepen “Overval, overval, overval”;

6.

op 6 februari 2011 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een computer (merk Apple) en een Wacom tablet, geheel toebehorende aan [bedrijf 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een ruit van voornoemd pand en door middel van inklimming.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 2: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Feit 3: Poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Feit 4: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Feit 5: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, het bezit van het gestolene te verzekeren.

Feit 6: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie is daarbij van mening dat bij de strafoplegging reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarde gesteld moet worden. Daarnaast merkt de officier van justitie op dat zij tevens rekening houdt met het ad informandum gevoegde feit.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de eis van de officier van justitie te hoog is. De raadsman voert daartoe aan dat hij twee ten laste gelegde feiten minder bewezen acht dan de officier van justitie. Daarbij voert hij tevens aan dat een lange detentie nadelig zal zijn voor verdachte, omdat hij op dit moment werk heeft waar hij nu mee verder kan. Het is volgens de raadsman onduidelijk of dit na het uitzitten van een lange detentie nog het geval is. De raadsman verzoekt de rechtbank een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis. Daarnaast stelt de raadsman dat een hoge voorwaardelijke straf passend is met daarbij gesteld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, zoals omschreven in het reclasseringsrapport d.d. 7 juni 2011. De raadsman heeft verder aangevoerd dat het op de dagvaarding vermelde ad informandum gevoegde feit kan worden meegenomen bij het bepalen van de strafmaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere inbraken. Het spreekt voor zich dat de door deze feiten ontstane materiële schade groot is geweest. Niet alleen werden uit de bedrijven en een woning goederen weggenomen, maar daarbij trad ook beschadiging op aan de panden. De slachtoffers hebben van deze inbraken ergernis en ongemak ondervonden. Tevens neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat hij inbreekt en probeert in te breken in woningen van personen waarbij geweld niet wordt geschuwd. Het woongenot wordt hierdoor voor de slachtoffers beperkt en zij worden in hun gevoel van veiligheid ernstig geschaad. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan diefstal met geweld in een supermarkt. De rechtbank neemt verdachte dit evenzeer kwalijk.

Wat betreft de persoon van de verdachte, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen:

- een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte reeds vele malen eerder veroordeeld is voor het plegen van vermogensdelicten.

- het Reclasseringsadvies van H. Ellen van 7 juni 2011, waarin wordt geadviseerd om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, deelname aan gedragsinterventie, te weten een Leefstijltraining, en een behandelverplichting. Met betrekking tot de behandelverplichting wordt geadviseerd verdachte, gezien de directe samenhang van de drugsverslaving en het alcoholmisbruik met het criminele gedrag van verdachte, indien de (forensische) verslavingszorg dit na(ast) de leefstijltraining nodig acht, zich voor zijn drugs- en alcoholproblematiek te laten behandelen in de (forensische) verslavingszorg. Uit het Reclasseringsadvies blijkt dat eerdere hulpverleningstrajecten niet het beoogde effect hebben gehad en dat verdachte vaker is teruggevallen in hetzelfde patroon.

- de proceshouding van verdachte waarin verdachte de ernst van zijn problemen lijkt in te zien.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelijk de vordering van de officier van justitie, een gevangenisstraf van 30 maanden de enige remedie is om, in ieder geval gedurende de periode dat verdachte gedetineerd is, de maatschappij te beschermen tegen de overlast en schade die door verdachte wordt veroorzaakt. De rechtbank beoogt daarmee tevens verdachte te doen inzien dat het nu tijd is zijn gedrag te veranderen en werk te maken van zijn resocialisatie.

De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 6 maanden, voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaar. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door Reclassering Nederland mogelijk en biedt verdachte een (extra) drijfveer om zich aan de voorwaarden van de Reclassering te houden. Aannemelijk is immers, dat verdachte zonder hulp niet goed in staat is zijn leven een andere wending te geven. De rechtbank zal derhalve de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen, inhoudende een meldingsgebod, deelname aan gedragsinterventie en behandelverplichting.

6.4. Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit:

- 600202-11: Diefstal met braak uit een auto in de periode van 14 augustus 2007 tot en met 15 augustus 2007 te Dronten, Gemeente Dronten.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde], namens [naam], vordert een schadevergoeding van € 10.215,00 voor feit 4.

De rechtbank acht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat de beoordeling van deze vordering, gelet op het grote aantal goederen en vragen hierover, een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45, 57, 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

Feit 3: Poging tot diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Feit 4: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

Feit 5: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, of om, het bezit van het gestolene te verzekeren;

Feit 6: Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland. Daartoe moet verdachte zich melden bij Reclassering Nederland locatie Utrecht en zich bepaalde perioden blijven melden zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

* dat verdachte deelneemt aan de gedragsinterventie Leefstijltraining;

* dat verdachte zich, gezien de directe samenhang van de drugsverslaving en het alcoholmisbruik met het criminele gedrag van verdachte, indien de (forensische) verslavingszorg dit na(ast) de leefstijltraining nodig acht, zich voor zijn drugs- en alcoholproblematiek laat behandelen in de (forensische) verslavingszorg.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde], namens [naam],

niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 juni 2011.