Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5437

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-07-2011
Datum publicatie
19-08-2011
Zaaknummer
16-600292-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden ter zake twee feiten, te weten; medeplegen van het opzettelijk gebruiken van een valse waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, met het oogmerk zichzelf of anderen te bevoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600292-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats] (Bulgarije),

zonder vast woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de P.I. Utrecht – Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsman mr. M.L. van Gaalen, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

zich in de periode van 14 maart 2011 tot en met 23 maart 2011 te Utrecht en Amsterdam samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het pinnen van geld met vervalste betaalpassen;

Feit 2:

zich op 23 maart 2011 te Utrecht schuldig heeft gemaakt aan witwassen door het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten en/of gebruik maken van een, uit misdrijf afkomstig, scheerapparaat en een neustrimmer en een navigatiesysteem;

Feit 3:

zich in de periode van 14 maart 2011 tot en met 23 maart 2011 te Utrecht samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan heling van € 18.340,00.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, conform de overgelegde pleitnota, het verweer gevoerd dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken, omdat hiervoor geen wettig bewijs is. Hiertoe is aangevoerd, kort gezegd, dat de aanhouding en de daaropvolgende fouillering van de verdachte onrechtmatig waren, zodat al hetgeen daaruit voortvloeit van het bewijs dient te worden uitgesloten.

Ten aanzien van de aanhouding voert de raadsman aan dat er ten tijde van de aanhouding geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.

Ten aanzien van de fouillering stelt de raadsman dat er sprake is van inconsistentie tussen de verklaringen van de verbalisanten die verdachte hebben aangehouden. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] blijkt volgens de raadsman dat eerst fouillering heeft plaatsgevonden en vervolgens de aanhouding is geschied. Uit het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] blijkt echter dat verdachte eerst is aangehouden alvorens de agenten overgingen tot de fouillering. De raadsman stelt dat er geen reden is om aan het proces-verbaal van [verbalisant 2] meer waarde toe te kennen dan aan het proces-verbaal van [verbalisant 1]. De raadsman gaat er vanuit dat de fouillering onrechtmatig heeft plaatsgevonden en dat de gevonden goederen daarom van het bewijs uitgesloten dienen te worden. De raadsman geeft aan dat indien de rechtbank voor het bewijs gebruik zal maken van het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2], hij een voorwaardelijk verzoek indient tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Het enige overgebleven bewijs is volgens de raadsman onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Ten aanzien van de afzonderlijke feiten bepleit de raadsman als volgt.

Feit 1:

De verdediging is van mening dat de rechtbank verdachte dient vrij te spreken voor de onder 1 tenlastegelegde. De raadsman voert daartoe aan dat er -kort gezegd- niet voldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. Dit geldt volgens de raadsman voor al hetgeen verdachte meer ten laste is gelegd dan wat hij heeft bekend.

Feit 2:

Ten aanzien van feit 2 verzoekt de raadsman verdachte tevens vrij te spreken. De raadsman voert daartoe aan dat verdachte de goederen, die in de tenlastelegging vermeld staan, niet heeft aangeschaft of voor handen heeft gehad. De raadsman brengt naar voren dat verdachte het feit ontkent, dat niet is vast komen te staan dat de goederen betaald zijn met geld dat uit misdrijf afkomstig was en dat ook van (voorwaardelijk) opzet geen sprake is geweest.

Feit 3:

Ten aanzien van feit 3 stelt de raadsman dat verdachte vrijgesproken moet worden. De raadsman betoogt daartoe dat niet vast is komen te staan dat het aangetroffen geld afkomstig was uit enig misdrijf en dat er geen sprake was bij verdachte van het verhullen dan wel verbergen van de herkomst. De raadsman stelt dat enkel het voorhanden hebben van het geld kan worden vastgesteld. Bovendien geldt volgens de raadsman dat verdachte vrijgesproken dient te worden voor het geld dat niet bij hem is aangetroffen, nu niet is gebleken dat hij van de aanwezigheid hiervan bewust was of enige beschikkingsmacht hierover heeft gehad.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de namens verdachte gevoerde bewijsverweren niet allen aanleiding geven tot een afzonderlijke bespreking. Zij vinden hun weerlegging in de na te noemen bewijsmiddelen.

4.3.1. Redengevende feiten en omstandigheden op grond van de bewijsmiddelen

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten is op grond van na te noemen bewijsmiddelen het volgende komen vast te staan:

Op 23 maart 2011 kwam bij de politie een melding binnen van getuige [getuige], dat een aantal mannen zich verdacht ophield bij een ING pinautomaat aan de [adres] te Utrecht. Uit deze getuigenverklaring bleek dat bij de pinautomaat een man aan het pinnen was, die opviel omdat hij gekleed was in een lange jas en daarbij een pilotenmuts en een zonnebril op had. Onderaan het trapje bij de pinautomaat stonden twee mannen, die beiden een zonnebril droegen. Deze mannen hadden contact met de pinnende man. Getuige [getuige] fietste ongeveer 15 minuten later weer langs de pinautomaat en zag dat dezelfde man, met de pilotenmuts op, nog steeds bij de pinautomaat stond. Onderaan het trapje stond op dat moment nog één man, die duidelijk op de uitkijk stond. Naar aanleiding van deze verdachte situatie heeft getuige [getuige] de politie gebeld. Ter plaatse zag de verbalisant twee mannen op de [adres] lopen die volledig voldeden aan het signalement. Deze twee mannen liepen vanaf de pinautomaat in de richting van de Amsterdamsestraatweg. De mannen werden door de politie aangehouden. Uit het tonen van de identiteitsbewijzen van de twee verdachten bleken het twee Bulgaarse mannen te zijn, te weten [verdachte] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] maakte een zenuwachtige indruk op de agenten. Het is deze verbalisanten ambtshalve bekend dat als personen geld opnemen met bankpassen die middels een strafbaar feit verkregen zijn, zij hun gezicht bedekken. Dit bedekken gebeurt vaak met een zonnebril of een hoofddeksel. Op grond van voornoemde omstandigheden hielden de verbalisanten deze twee verdachten aan. Bij de controle van verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] bleek dat zij een grote som geld bij zich hadden en een twintigtal bankpasjes. Bij beiden werden blanco bankpassen met een magneetstrip aangetroffen. Voorts bleek dat [verdachte] en [medeverdachte 1] naar Utrecht waren gekomen in een BMW met een Belgisch kenteken. Deze BMW werd elders in de wijk aangetroffen, met daarin twee personen. Deze twee mannen bleken [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te zijn. Op de vraag van verbalisanten naar de identiteitsbewijzen van de inzittenden, opende [medeverdachte 3] het dashboardkastje, waarin een groot geldbedrag lag. De verbalisant zag meerdere briefjes van 50 en 100 euro in het dashboardkastje. Hierop hield hij verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan. In het totaal is er onder de vier verdachten tezamen een bedrag van € 30.936,20 inbeslaggenomen.

[medeverdachte 2] heeft tegenover de politie verklaard dat [medeverdachte 3] contact heeft opgenomen met hem en hem heeft gevraagd voor hem te gaan werken. [medeverdachte 2], die een auto moest regelen, heeft vervolgens [verdachte] benaderd. In België hebben [medeverdachte 2], [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] (hierna samen: verdachten) een auto gekocht en deze voor 15 dagen verzekerd. Verdachten zijn vervolgens naar Amsterdam gereden. Onderweg van Gent naar Amsterdam kreeg [medeverdachte 2] te horen wat hij moest doen. [medeverdachte 2] zou 10% krijgen van het gepinde geld en [verdachte] ook. [medeverdachte 2] bekent voorts dat hij in Utrecht heeft gepind. Hij verklaarde dat hij 5 pasjes had ontvangen waarmee, met dezelfde pincode, kon worden gepind. Volgens [medeverdachte 2] hebben daarnaast ook [verdachte], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] gepind met de inbeslaggenomen passen.

Ter terechtzitting verklaarde verdachte dat hij met [medeverdachte 1] bij het pinautomaat stond en dat hij 6 pasjes had ontvangen van [medeverdachte 1]. Verdachte verklaarde dat hij begreep dat er geld gepind moest worden en dat hij dacht dat het gaat sneller zou gaan als meerdere mensen zouden pinnen. Verdachte verklaarde dat het zijn taak was om de auto te besturen, omdat hij de enige was met een rijbewijs. Verdachte had afgesproken dat het gepinde geld aan [medeverdachte 1] zou worden overhandigd. Verdachte verklaart dat hij en [medeverdachte 1] beiden hadden gepind en dat hij, toen [medeverdachte 1] stond te pinnen, een sigaret stond te roken.

Verdachten hebben vanaf 20 maart 2011 tot 23 maart 2011 in Amsterdam in hetzelfde hotel verbleven.

Uit het overzicht van de frauduleuze geldopnames, dat als bijlage bij de vordering van de benadeelde partij is gevoegd, is gebleken dat er voor een bedrag van € 18.340,00 is gepind bij banken in de periode 14 maart 2011 tot en met 23 maart 2011, waaronder op 23 maart bij de ING automaat aan de [adres] te Utrecht. Deze pintransacties zijn met meerdere van de onder verdachten aangetroffen kaartnummers verricht. De inbeslaggenomen passen betroffen alle hetzij zogenoemde white plastics (witte passen met een magneetstrip zonder verdere opdruk), hetzij zogenoemde giftcards of cardkeys. In de magneetstrip werden echter VISA Card kaartnummers aangetroffen, uitgegeven door de GE Money Bank uit de Verenigde Staten

Ten aanzien van feit 2:

Toen de verdachten in Utrecht kwamen zijn zij naar de Mediamarkt gegaan en hebben daar een tondeuse, een neustrimmer en een TomTom gekocht. Uit de verklaring van [verdachte] bij de politie en uit de bevindingen naar aanleiding van de camerabeelden van de Mediamarkt is gebleken dat [medeverdachte 3] heeft afgerekend voor alle goederen in de Mediamarkt en dat de TomTom bedoeld was als vervanging voor het oude navigatiesysteem in de BMW, omdat deze niet meer up to date was. Op de camerabeelden van de Mediamarkt is te zien dat [medeverdachte 3] de goederen deels betaalde met geld dat onderdeel uitmaakte van een stapel bankbiljetten.

4.3.2. Nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot het tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde - met uitzondering van enkele hierna te noemen onderdelen - wettig en overtuigend bewezen.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, was de aanhouding van verdachte rechtmatig. In de hiervoor geschetste omstandigheden was er sprake van een redelijk vermoeden van schuld. Bewijsuitsluiting is op dat punt dan ook niet aan de orde.

De raadsman constateert terecht dat er ten aanzien van het moment van fouilleren een verschil bestaat tussen de processen-verbaal die de betrokken verbalisanten daarover hebben opgemaakt. Ook indien de rechtbank er veronderstellenderwijs vanuit gaat dat verdachte eerst is gefouilleerd en pas daarna aangehouden, is er echter geen reden voor bewijsuitsluiting. In dat geval zou er weliswaar sprake zijn van een vormverzuim, maar verdachte is daardoor op geen enkele wijze in zijn verdediging geschaad. Verbalisanten waren in de gegeven omstandigheden immers ook al voor het moment van fouilleren gerechtigd om verdachte aan te houden, nu er op dat moment al sprake was van een redelijk vermoeden van schuld.

De rechtbank overweegt dat, anders dan door de raadsman is aangevoerd, aannemelijk is geworden dat verdachte samen met anderen heeft gehandeld en dat er daarom sprake is van medeplegen. Tevens oordeelt de rechtbank dat verdachte schuldig is ter zake de pintransacties die op 22 maart 2011 in Amsterdam zijn verricht. Op grond van het feit dat de vier verdachten enkele dagen eerder gezamenlijk vanuit Belgié naar Amsterdam zijn vertrokken, die dag gezamenlijk in hetzelfde hotel in Amsterdam verbleven en het feit dat zij de volgende dag gezamenlijk naar Utrecht zijn gereden alwaar zij alle vier hebben gepind, is wettig en overtuigend vast komen te staan dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit in Utrecht en Amsterdam.

De rechtbank overweegt op grond van het bovenstaande dat verdachte zich op 22 en 23 maart 2011 in Utrecht en Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde.

Voorzover verdachte heeft gesteld dat hij niet wist dat het om vervalste passen ging, en er dus geen sprake was van opzet, overweegt de rechtbank dat de passen naar hun uiterlijke verschijningsvorm op geen enkele wijze leken op reguliere bankpassen. Het kan dan ook niet anders dan dat verdachte heeft geweten dat de passen waren vervalst.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe dat de vier verdachten gezamenlijk in de Mediamarkt te Utrecht waren op 23 maart 2011. Verdachte verklaarde dat ze gezamenlijk naar de Mediamarkt zijn gegaan, waar hij een navigatiesysteem cadeau heeft gekregen van de andere jongens. Omdat de verdachten de TomTom hebben gekocht ter vervanging voor het oude navigatiesysteem van de auto die zij gezamenlijk hebben aangeschaft, acht de rechtbank bewezen verklaard dat alle vier de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan witwassen. Dat de goederen worden afgerekend door medeverdachte [medeverdachte 3] van een stapel briefgeld, in combinatie met de hiervoor omschreven redengevende feiten en omstandigheden, maakt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachten zich allen schuldig hebben gemaakt aan witwassen, daar verdachten wisten dat het geld waarmee (deels) betaald werd uit misdrijf afkomstig was. Ter zake van verdachte richt zich het witwassen op het gebruik maken van de TomTom. Omdat niet bewezen is dat verdachte gebruikt heeft gemaakt van de neustrimmer en het scheerapparaat zal de rechtbank verdachte partieel vrijspreken van het witwassen onder feit 2 ten aanzien van een scheerapparaat en een neustrimmer.

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank oordeelt dat het onder 3 tanlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het gepinde geld door misdrijf is verkregen. De rechtbank oordeelt dat daarom dat niet tevens bewezen kan worden verklaard dat verdachte ten aanzien van de €18.340,00 als heler kan worden aangemerkt. Verdachte zal daarom van het onder 3 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Hij op meerdere tijdstippen op 22 en 23 maart 2011 te Utrecht en Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meer valse of vervalste betaalpassen/waardekaarten bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, als ware deze pas echt en onvervalst, bestaande het gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, en zijn mededaders met een of meer valse of vervalste betaalpassen geld hebben opgenomen bij een of meerdere pinautomaten te Utrecht en Amsterdam en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat de gegevens van een magneetstrip van een betaalpas is gekopieerd en vastgelegd op een andere pas, waarmee verdachte en zijn mededaders hebben gepind;

2.

hij op 23 maart 2011 te Utrecht van een voorwerp, te weten een navigatiesysteem TomTom, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

- Feit 1: Medeplegen van het opzettelijk een valse waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg gebruiken, met het oogmerk zichzelf of anderen te bevoordelen.

- Feit 2: Witwassen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat de eis van de officier van justitie te hoog is. Gelet op het gevoerde bewijsverweer verzoekt de raadsman de straf aan verdachte aanzienlijk te beperken. De raadsman verzoekt de rechtbank rekening te houden met het feit dat verdachte een ‘first offender’ is en dat slechts tot een bewezenverklaring kan worden gekomen van de betrokkenheid van verdachte bij het pinnen in Utrecht. Tevens meent de raadsman dat verdachte een onderschikte rol in het geheel heeft gehad.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het pinnen met valse betaalkaarten. De verdachte heeft samen met anderen meerdere malen grote bedragen gepind met valse betaalpassen. Onderling was de afspraak gemaakt dat verdachte 10% van het gepinde geld zou krijgen. Verdachte heeft daarmee blijk gegeven van onvoldoende respect voor het belang van het vertrouwen in het betalingsverkeer en voor het recht op het ongestoord genot van eigendommen. Verdachte heeft door de door hem gepleegde pintransacties mede schuld aan het veroorzaken van de ontstane schade.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geld dat afkomstig is uit misdrijf. Met het geld dat verdachten door middel van het gebruik van de valse betaalpassen hebben gepind, is onder andere een TomTom gekocht bij de Mediamarkt. Verdachte heeft in de auto gereden waarvoor deze TomTom bestemd was.

De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige en overlastgevende feiten, die grote schade voor de getroffen banken teweeg hebben gebracht. Niet alleen veroorzaken dergelijke vermogensmisdrijven schade voor financiële instellingen, ook het vertrouwen van de gebruikers van het bancaire systeem wordt door dit type misdrijven ondermijnd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij kennelijk enkel uit winstbejag naar Nederland is gekomen om genoemde misdrijven te plegen.

De rechtbank heeft met betrekking tot de strafoplegging voorts rekening gehouden met het feit dat uit een afschrift uit het Justitieel Documentatieregister niet blijkt dat verdachte (in Nederland) eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In uitspraken die zijn gedaan in vergelijkbare zaken zijn -deels- onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat slechts het opleggen van een forse gevangenisstraf recht doet aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Naar het oordeel van de rechtbank dient ter zake de eis van de officier van justitie te worden opgemerkt dat de rechtbank een verschil in aandeel heeft geconstateerd ten aanzien van de vier verdachten. De pintrancsaties die voor 22 maart 2011 in Nederland zijn verricht met de betreffende betaalpassen kunnen niet aan verdachte worden toegerekend. Hierin wordt aanleiding gezien om verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen dan twee van zijn mededaders. Rekening houdend met alle voormelde omstandigheden acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde], vordert een schadevergoeding van € 18.340,00 voor de feiten 1 en 3.

7.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen en verzoekt voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De raadman voert daartoe aan dat de benadeelde partij geen schade heeft geleden, omdat het openbaar ministerie ingevolge art. 116 Wetboek van Strafvordering over dient te gaan tot teruggave van het geld, waarvan de benadeelde partij redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade gedeeltelijk, te weten voor een bedrag van

€ 12.880,00 een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor dat deel die schade. De vordering is ten aanzien van deze verdachte tot het bedrag van € 12.889,00 voldoende aannemelijk gemaakt, zodat de vordering voor dit deel zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij [benadeelde], zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Het geld dat onder de verdachte(n) in beslag is genomen zal – zoals hieronder omschreven - worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Voorzover het onder verdachte of zijn mededaders inbeslaggenomen geld aan [benadeelde] wordt geretourneerd ([benadeelde] is immers rechthebbende op een gedeelte groot € 18.340,00 van het totale bedrag van € 30.936,29 dat onder verdachte en zijn medeverdachten gezamenlijk in beslag is genomen), vervalt in daarmee in zoverre tevens de verplichting tot schadevergoeding.

8. Het beslag

Onder verdachte is een geldbedrag van € 6.485,20 in beslag is genomen.

De officier van justitie gevorderd dat het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag wordt verbeurd verklaard. Met betrekking tot de ING pas van verdachte, die op zijn naam staat, meent de officier van justitie dat deze kan worden teruggegeven aan verdachte.

De raadsman stelt dat de ING pas van verdachte teruggegeven dient te worden aan verdachte.

8.1. De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van het inbeslaggenomen geld. De rechtbank besluit daartoe, omdat niet vast is komen te staan wie rechthebbende is van dit bedrag. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat verdachte rechthebbende is op dit bedrag.

8.2. De verbeurdverklaring

De rechtbank verklaart verbeurd de inbeslaggenomen voorwerpen zoals op de – als bijlage aan dit vonnis – toegevoegde beslaglijst, met uitzondering van de ING pas die op naam van verdachte staat;

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 232, 416, 420bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- Feit 1: Medeplegen van het opzettelijk een valse waardekaart bedoeld voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg gebruiken, met het oogmerk zichzelf of anderen te bevoordelen.

- Feit 2: Witwassen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen geld, te weten € 2900,00;

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 1 en 5;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde], van € 12.880,00 ter zake van materiële schade, in die zin dat indien en voorzover de een aan de betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde [benadeelde], € 12.88,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 99 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in haar vordering;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. A. van Maanen en mr. I.P.H.M. Severeijns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 juni 2011.

Mrs. A. van Maanen en I.P.H.M. Severeijns zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.