Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5287

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-07-2011
Datum publicatie
17-08-2011
Zaaknummer
16-997013-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, in strijd met een voorschrift gesteld bij artikel 53 van de Flora- en faunawet, samen met anderen twee fazanten geschoten op een perceel grond dat kleiner is dan 40 hectare aaneengesloten jachtveld per jachthouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/997013-11 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 25 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], Verenigde Staten,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Raadsman mr. P.C.H. van Schooten, advocaat te Rolde.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen de wildstand heeft bevorderd door tarwe uit te strooien in het veld.

Feit 2: samen met anderen bij het uitoefenen van de jacht heeft gejaagd in een jachtveld dat kleiner was dan 40 hectare per jachthouder.

Feit 3: samen met anderen bij het bestrijden van schade heeft gejaagd in een jachtveld dat kleiner was dan 40 hectare per jachthouder.

Feit 4: samen met anderen rattengif voorhanden heeft gehad terwijl hij daarvoor een vakbekwaamheidscertificaat nodig had.

Feit 5: samen met anderen rattengif buiten in het veld heeft toegepast.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd:

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig om tot een veroordeling van het onder 1 ten laste gelegde feit te kunnen komen. Het bijvoeren had slechts tot doel de wildstand te handhaven, overeenkomstig artikel 37, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Voor het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, namelijk het medeplegen van het bevorderen van de wildstand door bij te voeren, is in het dossier geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Immers, niet blijkt uit het dossier dat de wildstand bestendig is toegenomen als gevolg van het bijvoeren.

Het tweede ten laste gelegde feit kan evenmin bewezen worden. Een jachtgedeelte ten oosten van [adres] is niet volledig in kaart gebracht, waardoor een aanzienlijk deel van de door verdachte gehuurde jachtgrond buiten de berekening van het Openbaar Ministerie is gebleven. Dit afzonderlijke veld zou 51 hectare omvatten, zodat wel aan de vereiste 40 hectare grond per jachthouder is voldaan.

Ook het derde feit kan niet wettig en overtuigend bewezen worden, daar verdachte in de ten laste gelegde periode niet in Nederland verbleef.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5 is van belang dat verdachte feitelijk geen rattengif heeft ontvangen, gebruikt dan wel voorhanden heeft gehad. Van geen van de deelnemingsvormen is sprake. Voorts kan verdachte niet gezien worden als functioneel dader. Verdachte kon niet beschikken over het rattengif en was feitelijk niet op de hoogte van de aankoop daarvan. Daarnaast heeft verdachte het gebruik van het rattengif niet aanvaard, daar hij geen wetenschap had van de aankoop en het gebruik daarvan. Overigens keurt verdachte een dergelijke handelswijze af, zodat ook op basis daarvan niet van ‘aanvaarding’ kan worden gesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De vrijspraak van de feiten 1, 3 tot en met 5

Ten aanzien van feit 1

Aan verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd het medeplegen van het bijvoeren om de wildstand te bevorderen, hetgeen overeenkomstig artikel 37, tweede lid, van de Flora- en faunawet is verboden. Op de jachthouder rust daarentegen, op grond van artikel 37, eerste lid, van de Flora- en faunawet, de plicht datgene te doen om een redelijke stand van het in zijn jachtveld aanwezige wild te handhaven. Bijvoeren kan derhalve wel toegestaan zijn, mits dit is gericht op het handhaven van de wildstand en te voorkomen dat de wildstand terugloopt.

De rechtbank stelt voorop dat voor het bewijs dat verdachte de wildstand heeft bevorderd niet kan worden volstaan met de vaststelling dat er is bijgevoerd met het oogmerk de wildstand te bevorderen. Overeenkomstig de delictsomschrijving van artikel 37, tweede lid, van de Flora- en faunawet is ten laste gelegd dat verdachte de wildstand heeft bevorderd. Voor het bewijs dat verdachte de wildstand heeft bevorderd, moet ten minste op grond van het voorhanden bewijs kunnen worden vastgesteld dat er een toename was van (een) wild(soort).

Uit de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten volgt dat er inderdaad op verschillende data in 2010 tarwe op en rond de velden behorende tot het jachtveld van verdachte is aangetroffen. Door verbalisanten werd hier de conclusie aan verbonden dat, gelet op de hoeveelheid aangetroffen tarwe, veelvuldig gevoerd zou worden om de wildstand te bevorderen. Echter, niet volgt uit het dossier dat door het voeren van tarwe de wildstand ook daadwerkelijk is bevorderd. De rechtbank heeft geen enkel aanknopingspunt, waaruit blijkt dat het wild op en de rond de velden toebehorende aan verdachte is toegenomen doordat er werd bijgevoerd. Het bewijs dat verdachte de wildstand heeft bevorderd, ontbreekt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Het onder feit 3 aan verdachte ten laste gelegde doden van een bok en/of een vos tijdens de jacht kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen worden, daar uit het dossier niet blijkt dat verdachte bij deze jacht aanwezig was. Nu het wettig bewijs ontbreekt, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5

Voor het aan verdachte ten laste gelegde voorhanden hebben van vergif zonder in het bezit te zijn van een vakbekwaamheidsbewijs, alsmede het gebruiken van dit vergif in het veld, bevat het dossier evenmin aanknopingspunten.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet op de hoogte is van het gebruiken van rattengif in en rond het veld. Ook is hij, naar eigen, zeggen niet op de hoogte van de aankoop van dergelijke bestrijdingsmiddelen door medeverdachte [medeverdachte 1]. Verdachte is woonachtig in de Verenigde Staten en heeft om die reden medeverdachte [medeverdachte 1] aangesteld als beheerder van zijn jachtpercelen. Medeverdachte [medeverdachte 1] coördineert de veldverzorging en verzorgt de betalingen die in het kader van de veldverzorging verricht worden. Tussen beiden werden nimmer concrete afspraken gemaakt, gelet op de jarenlange en zeer goede vertrouwensrelatie tussen de familie [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1]. Verdachte vertrouwde erop dat medeverdachte [medeverdachte 1] zijn werk secuur en nauwkeurig doet. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft, in dit verband, verklaard hij wel rattengif bestelde, maar dat verdachte eigenlijk niets wist van het rattengif.

Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet uit het dossier volgen dat verdachte wist dat er typen rattengif werden aangekocht en aangewend in het veld. Verdachte heeft het vergif ook niet feitelijk voorhanden gehad. Dat verdachte jachthouder is en medeverdachte [medeverdachte 1] de gronden beheert in opdracht van verdachte, betekent niet zonder meer dat hij als medepleger kan worden beschouwd van de hier ten laste gelegde gedraging. Nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

4.3.2. De bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het hem onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 5 december 2009 heeft gejaagd in het bijzijn van medeverdachte [medeverdachte 1] en één van de twee heren [medeverdachte 2]. Deze jacht vond plaats op een perceel aan de [adres] te Zeist. Er waren vier geweren aanwezig en er werden twee fazantenhanen geschoten, aldus medeverdachte [medeverdachte 2]. Tijdens deze jacht fungeerde medeverdachte [medeverdachte 1] als jagermeester. Het betreffende perceel aan de [adres] te Zeist, is kadastraal bekend als C 453 en 2,5 hectare groot. Het jachtrecht van dit perceel komt toe aan verdachte. Tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] bestaat geen jachthuurovereenkomst betreffende dit perceel. De rechtbank constateert op basis van een topografische kaart van het gebied in combinatie met een proces-verbaal van bevindingen dat het totale aaneengesloten oppervlakte jachtveld van verdachte in en rond dit perceel maximaal 10 hectare bedraagt en derhalve kleiner dan 40 hectare aaneengesloten jachtveld per jachthouder is. Uit de jachthuurovereenkomsten waarover in het proces-verbaal en op de kaart is gerelateerd blijkt immers dat het jachtveld van verdachte wordt doorsneden en begrensd door percelen waarvan het genot van de jacht is verhuurd aan andere jachthouders, dan wel percelen waarop geen jachtrecht rust.

4.3.3. Aanvullende bewijsoverwegingen

Door de raadsman is aangevoerd dat op de kaart van de omgeving die zich in het dossier bevindt een aantal percelen, waarvan verdachte het jachtrecht huurt, niet is meegerekend. Het betreft de jacht op gronden die tot het landgoed [adres] behoren en die gelegen zijn ten zuiden van de A28 en ten oosten van [adres]. Deze percelen zijn op de kaart in het dossier ten onrechte niet van de kleur donkergroen voorzien. Aan de pleitnota is als productie 2 een kaart gehecht waarop de betreffende percelen met groen zijn aangegeven. Dit afzonderlijke veld zou 51 hectare omvatten.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de percelen welke volgens de raadsman niet zijn meegerekend, geen aaneengesloten jachtveld vormen met het perceel C 453, waarop door verdachte is gejaagd. De rechtbank stelt vast dat op de kadastrale kaart is te zien dat de percelen die niet zouden zijn meegerekend van de bejaagbare percelen worden gescheiden door het percelen C 2182, C 2074, C 2078 en de percelen C 457 en C 456. De percelen C 2182, C 2074 en C 2078 zijn op de kaart van de kleur geel voorzien en zijn niet verhuurd voor het genot van de jacht. De percelen C 457 en C 456 zijn op de kaart van de kleur rood voorzien en het genot van de jacht van die percelen is verhuurd aan [medeverdachte 1], en niet aan verdachte. In dit verband merkt de rechtbank tevens op dat er geen jachthuurovereenkomst bestond tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1].

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank dan ook van oordeel dat bewezen is dat verdachte met een geweer heeft gejaagd op een perceel dat kleiner is dan 40 hectare grond per jachthouder.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 5 december 2009 te Zeist, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gejaagd met een geweer in een jachtveld dat niet voldeed aan de krachtens artikel 49 Flora- en faunawet gestelde regels, immers heeft hij gejaagd met een geweer in een jachtveld, de griend (perceel C453) aan de [adres], terwijl dit jachtveld geen aaneengesloten oppervlakte van ten minste 40 hectare per jachthouder, waarop deze als zodanig is bevoegd te jagen, bedroeg.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 53 van de Flora- en faunawet.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van het door haar bewezen geachte feit 5, welk feit als misdrijf is te kwalificeren, gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke geldboete van € 750,00, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.

Voorts heeft de officier van justitie, ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4, welke allen als overtredingen zijn te kwalificeren, gevorderd aan verdachte per feit telkens een geldboete van € 250,00, subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis op te leggen.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met anderen twee fazanten geschoten op een perceel grond dat niet voldeed aan de daaraan gestelde eisen. Een jachtveld dient ten minste 40 hectare aaneengesloten jachtveld per jachthouder te omvatten. Deze regel dient ter instandhouding en opbouw van een behoorlijk wildbestand en ter voorkoming van zogenaamde ‘kantjesjagerij’. Verdachte beoefent al sinds jaar en dag de jacht. Het is een traditie die van generatie op generatie over gaat. De rechtbank neemt het verdachte dan ook kwalijk dat hij zich niet heeft gehouden aan de regels die omtrent de jacht zijn opgesteld.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het feit dat verdachte beschikt over een blanco strafblad.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voor feit 2 voldoende recht doet aan de ernst van dit feit en de persoon van de verdachte, zodat de rechtbank zal volstaan met het opleggen van die straf.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, alsmede de artikel 49 van de Flora- en Faunawet en artikel 10 van het Jachtbesluit, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 2: medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 53 van de Flora- en faunawet

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 250,00;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 5 (vijf) dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter en mr. R.P. den Otter en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 juli 2011.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.