Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5115

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
16.600415-11, 05.513167-09 (tul) en 05.700512-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging diefstal. Veroordeling diefstal, herkenning betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600415-11, 05.513167-09 (tul) en 05.700512-10 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1961] te [geboorteplaats]

thans verblijvende te PI Nieuwegein

raadsman mr. P.E. van Zon, advocaat te ‘s-Hertogenbosch

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummers.

De zaak is tegelijk maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer 16.600414-11.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 april 2011 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een ander:

feit 1: een bankpas en een balpen heeft gestolen van [benadeelde 1]

feit 2: heeft geprobeerd geld en/of goederen te stelen van [benadeelde 2].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften van [benadeelde 1] en [benadeelde 2], op de verklaring van getuige [getuige] en de processen-verbaal van bevindingen. De opgegeven signalementen komen overeen. De officier van justitie acht de door verdachten afgelegde verklaringen niet aannemelijk.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte voor beide feiten vrij te spreken. De verdediging voert daartoe het volgende aan.

Ten aanzien van feit 1. Niet kan worden bewezen dat verdachte één van de mannen is geweest die door aangeefster is beschreven. Het onderzoek is eenzijdig en er is geen Foslo-confrontatie gedaan met aangeefster. Indien de rechtbank van mening is dat verdachte één van de door aangeefster beschreven mannen was, dan nog blijkt nergens uit dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Ten aanzien van feit 2. Niet kan worden bewezen dat verdachte één van de door aangeefster beschreven mannen was. Het signalement dat getuige [getuige] heeft gegeven komt niet overeen met het signalement dat door anderen is gegeven en komt bovendien niet overeen met dat van verdachte. [getuige] heeft verdachte voorts niet herkend bij de Foslo-confrontatie. Daarbij komt dat [getuige] heeft gezien dat één van de mannen wegreed in een zwarte Seat Leon, terwijl verdachte niet met een dergelijke auto was. Tot slot heeft verdachte bij de politie verklaard dat er meerdere personen in de straat waren.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster [benadeelde 2] heeft verklaard dat op 21 april 2011 een man bij haar huis aan de [adres] te [woonplaats] aanbelde. Hij zei dat er teveel druk op de waterleiding stond en vroeg haar om de kraan open te draaien. Aangeefster liep daarop naar de keuken en draaide de kraan open. Zij zag vervolgens dat de man, die geen bedrijfskleding aan had, achter haar aan de keuken in was gekomen. Vervolgens draaide de man zich om en verliet de woning. Een medewerkster van de thuiszorg die op dat moment bij aangeefster aan het werk was, zag vanuit een raam van de eerste verdieping van de woning buiten een tweede op verdachte gelijkende man.

De rechtbank overweegt dat deze gedragingen zonder meer vragen oproepen over wat verdachte en de medeverdachte van plan zijn geweest. Echter het een en ander levert geen begin van uitvoering van diefstal in vereniging op. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal (in vereniging) en zal verdachte vrijspreken van feit 2.

Vaststelling van de feiten

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangeefster [benadeelde 1], geboren op [1927], heeft verklaard dat zij op 21 april 2011 omstreeks 10.15 uur in haar woning aan de [adres] te [woonplaats] was toen er iemand voor haar woning stond. Het betrof een blanke Nederlandse man tussen de 40 en 50 jaar oud, van ongeveer 170 à 180 cm lang, met normaal postuur en kort lichtkleurig haar. Hij droeg een witte blouse, een donkere broek en een bril. Aangeefster hoorde dat de man zich voorstelde als zijnde een medewerker van de gemeente Amersfoort. Zij hoorde dat de man zei dat er verderop in de straat een gasexplosie was geweest en dat alle woningen in de omgeving gecontroleerd moesten worden op een gaslek. Vervolgens liepen aangeefster en de man naar de eerste verdieping van haar woning. Op dat moment zag aangeefster dat een tweede blanke Nederlandse man haar woning inliep. Deze man was ook tussen de 40 en 50 jaar oud en ongeveer 170 à 180 cm lang met een normaal postuur. Hij had kort bruin haar en een donker windjack aan. Nadat de eerste man op de bovenetage had gekeken gingen aangeefster en de eerste man naar beneden, waar de tweede man stond. De twee mannen hebben de woning vervolgens verlaten. Aangeefster liep vervolgens de woonkamer in en zag dat haar ING bankpas en haar rood met goudkleurige balpen waren weggenomen.

Omstreeks 10.55 uur komen verbalisanten, naar aanleiding van een melding van een ander voorval, ter plaatse op de [adres] te [woonplaats]. Omstreeks 11.10 uur zien zij een man vanaf een oprit van een woning het trottoir oplopen. Het was een blanke man met een spijkerbroek en een zwarte jas. De verbalisant ziet dat de man in zijn jaszak een pen met goudkleurige uiteinden, clip en bordeauxrode schacht heeft zitten. De man wordt aangehouden. Deze man blijkt medeverdachte [medeverdachte] te zijn. Op dit moment komt een tweede blanke man aanlopen. Hij had blond haar en een bril. De man gaat gekleed in een donkere nette broek en een wit overhemd. De man blijkt verdachte te zijn.

Aangeefster heeft verklaard dat zij de pen die bij [medeverdachte] is aangetroffen heeft herkend als haar pen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 2 augustus 2011 verklaard dat hij die dag samen met [medeverdachte] naar [woonplaats] is gereden.

De rechtbank overweegt dat de personen waarover aangeefster [benadeelde 1] heeft verklaard, gezien het tijdstip en de plaats van het feit en de aanhouding en de overeenkomende signalementen, verdachte en [medeverdachte] zijn.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn samen naar [woonplaats] gereden en zijn beiden bij aangeefster binnen geweest met het oogmerk om haar pen en bankpas mee te nemen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 2 augustus 2011 ontkend dat hij bij [benadeelde 1] aan de deur heeft gestaan dan wel binnen is geweest.

De rechtbank acht deze verklaring met het oog op de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen niet aannemelijk.

De verdediging heeft aangevoerd dat het dossier geen blijk geeft van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte].

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Verdachte en [medeverdachte] zijn op de bewuste dag samen naar [woonplaats] gereden en vervolgens zijn zij samen in de woning van aangeefster geweest. Dat zij samen het plan hadden om de pen en de bankpas van aangeefster te stelen blijkt voorts uit de werkwijze zoals door aangeefster is beschreven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 21 april 2011 te [woonplaats], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ING bankpas en een pen, toebehorende aan [benadeelde 1] (geboren [1927]).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard, bij de strafoplegging rekening te houden met het ten aanzien van verdachte opgestelde reclasseringsrapport.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij een bejaarde vrouw aangebeld en heeft zich in strijd met de waarheid voorgedaan als iemand van de gemeente [woonplaats] die de woning van de vrouw kwam controleren op een gaslek. Hij heeft de vrouw voorgehouden dat er verderop in de straat een gasexplosie zou zijn geweest en dat haar huis moest worden gecontroleerd op een eventueel gaslek. Hierdoor kregen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de toegang tot de woning, waarna zij van de vrouw een pen en haar bankpas hebben meegenomen. De rechtbank acht dit feit zeer ernstig. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben het bejaarde slachtoffer met hun verhaal over de gasexplosie niet alleen bang gemaakt, maar hebben ook haar vertrouwen beschaamd en hebben bovendien ook nog persoonlijke eigendommen van het slachtoffer meegenomen. Verdachten hebben op laffe wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor diefstal en oplichting;

- een hem betreffend reclasseringsrapport d.d. 22 juli 2011 opgesteld door H. Luites (reclasseringswerker), inhoudende dat verdachte bewust kiest voor zijn levensstijl en de daarbij behorende beslissingen. Een cognitieve vaardigheidstraining is geïndiceerd, maar de meerwaarde hiervan wordt betwijfeld gezien de houding van verdachte.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 6 maanden geëist. De rechtbank is -mede nu zij slechts bewezen acht het onder 1 ten laste gelegde feit - in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd, van oordeel dat de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank ziet eveneens geen reden om - een gedeelte van - de straf voorwaardelijk op te leggen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 22 november 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 18 mei 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging dienen te worden afgewezen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijden schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee telkens de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zullen de vorderingen tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

ten aanzien van feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf, die bij vonnis d.d. 22 november 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 05.513167-09, ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 2 maanden;

- gelast dat de voorwaardelijke straf, die bij vonnis d.d. 18 mei 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 05.700512-10, ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf van 1 week.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. J.M. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 augustus 2011.

Mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.