Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR5114

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-08-2011
Datum publicatie
16-08-2011
Zaaknummer
16.600414-11 en 16.600162-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging diefstal. Veroordeling diefstal, herkenning betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600414-11 en 16.600162-10 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1967] te [geboorteplaats]

thans verblijvende te PI Nieuwegein

raadsvrouw mr. M.K.J. Dikkerboom, advocaat te Amersfoort

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

De zaak is tegelijk maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer 16.600415-11.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 21 april 2011 te Amersfoort tezamen en in vereniging met een ander:

feit 1: een bankpas en een balpen heeft gestolen van [slachtoffer 2]

feit 2: heeft geprobeerd geld en/of goederen te stelen van [slachtoffer 1].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], op de verklaring van getuige [getuige] en de processen-verbaal van bevindingen. De opgegeven signalementen komen overeen. De officier van justitie acht de door verdachten afgelegde verklaringen niet aannemelijk.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte voor beide feiten vrij te spreken. De verdediging voert daartoe het volgende aan.

Ten aanzien van feit 1. De pen is bij verdachte aangetroffen. Verdachte heeft echter verklaard dat hij de pen van aangeefster per ongeluk heeft meegenomen, nadat hij deze had gebruikt om gegevens te noteren. Er was dan ook geen sprake van het oogmerk om zich de pen wederrechtelijk toe te eigenen.

De bankpas is niet aangetroffen bij verdachte. Voorts zijn de verklaringen van aangeefster ten aanzien van de plek waar de bankpas zou hebben gelegen niet eenduidig.

Ten aanzien van feit 2. Er is, gezien de aangifte en de verklaring van verdachte, geen sprake van een begin van uitvoering.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat op 21 april 2011 een man bij haar huis aan de [adres] te Amersfoort aanbelde. Hij zei dat er te veel druk op de waterleiding stond en vroeg haar om de kraan open te draaien. Aangeefster liep daarop naar de keuken en draaide de kraan open. Zij zag vervolgens dat de man, die geen bedrijfskleding aan had, achter haar aan de keuken in was gekomen. Vervolgens draaide de man zich om en verliet de woning. Een medewerkster van de thuiszorg die op dat moment bij aangeefster aan het werk was, zag vanuit een raam van de eerste verdieping van de woning buiten een tweede, op medeverdachte [medeverdachte] gelijkende man.

De rechtbank overweegt dat deze gedragingen zonder meer vragen oproepen over wat verdachte en de medeverdachte van plan zijn geweest. Echter het een en ander levert geen begin van uitvoering van diefstal in vereniging op. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal (in vereniging) en zal verdachte vrijspreken van feit 2.

Vaststelling van de feiten

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangeefster [slachtoffer 2], geboren op [1927], heeft verklaard dat zij op 21 april 2011 omstreeks 10.15 uur in haar woning aan de [adres] te Amersfoort was toen er iemand voor haar woning stond. Het betrof een blanke Nederlandse man tussen de 40 en 50 jaar oud, van ongeveer 170 à 180 cm lang, met normaal postuur en kort lichtkleurig haar. Hij droeg een witte blouse, een donkere broek en een bril. Aangeefster hoorde dat de man zich voorstelde als zijnde een medewerker van de gemeente Amersfoort. Zij hoorde dat de man zei dat er verderop in de straat een gasexplosie was geweest en dat alle woningen in de omgeving gecontroleerd moesten worden op een gaslek. Vervolgens liepen aangeefster en de man naar de eerste verdieping van haar woning. Op dat moment zag aangeefster dat een tweede blanke Nederlandse man haar woning inliep. Deze man was ook tussen de 40 en 50 jaar oud en ongeveer 170 à 180 cm lang met een normaal postuur. Hij had kort bruin haar en een donker windjack aan. Nadat de eerste man op de bovenetage had gekeken gingen aangeefster en de eerste man naar beneden, waar de tweede man stond. De twee mannen hebben de woning vervolgens verlaten. Aangeefster liep vervolgens de woonkamer in en zag dat haar ING bankpas en haar rood met goudkleurige balpen waren weggenomen.

Omstreeks 10.55 uur komen verbalisanten, naar aanleiding van een melding van een ander voorval, ter plaatse op de [adres] te Amersfoort. Omstreeks 11.10 uur zien zij een man vanaf een oprit van een woning het trottoir oplopen. Het was een blanke man met een spijkerbroek en een zwarte jas. De verbalisant ziet dat de man in zijn jaszak een pen met goudkleurige uiteinden, clip en bordeauxrode schacht heeft zitten. De man wordt aangehouden. Deze man blijkt verdachte te zijn. Op dit moment komt een tweede blanke man aanlopen. Hij heeft blond haar en een bril. De man gaat gekleed in een donkere nette broek en een wit overhemd. De man blijkt te zijn medeverdachte [medeverdachte].

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 21 april 2011 met [medeverdachte] was meegereden naar Amersfoort. Ter terechtzitting van 2 augustus 2011 heeft verdachte verklaard dat hij bij aangeefster [slachtoffer 2] binnen is geweest en dat hij haar pen heeft meegenomen.

De rechtbank overweegt dat de personen waarover aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard, gezien het tijdstip en de plaats van het feit en de aanhouding, de overeenkomende signalementen en de verklaring van verdachte ter terechtzitting, verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn samen naar Amersfoort gereden en zijn beiden bij aangeefster binnen geweest met het oogmerk om haar pen en bankpas mee te nemen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 2 augustus 2011 verklaard dat hij de bankpas van aangeefster niet heeft gestolen en dat hij de pen onbewust heeft meegenomen, nadat hij met die pen gegevens had genoteerd. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte, gezien de door aangeefster beschreven werkwijze, niet aannemelijk. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] de pen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben meegenomen.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de bankpas van aangeefster is meegenomen en voert daartoe aan dat de bankpas niet is aangetroffen bij verdachte of medeverdachte [medeverdachte]. Tevens is de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] ten aanzien van de vermeende ligplaats van de bankpas naar de mening van de verdediging niet eenduidig.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat aangeefster [slachtoffer 2] telkens duidelijk heeft verklaard dat zowel de pen als de bankpas op tafel lagen en dat beide voorwerpen weg waren toen de mannen het huis hadden verlaten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 21 april 2011 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een ING bankpas en een pen, toebehorende aan [slachtoffer 2] (geboren [1927]).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om, indien de ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard, bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft de rechtbank voorts verzocht om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk is aan de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis. Verdachte wordt reeds in het kader van een bijzondere voorwaarde begeleid door Iriszorg. Deze begeleiding ligt tijdens detentie stil en het is voor verdachte van groot belang dat dit zo spoedig mogelijk wordt hervat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft bij een bejaarde vrouw aangebeld en heeft zich in strijd met de waarheid voorgedaan als iemand van de gemeente Amersfoort die de woning van de vrouw kwam controleren op een gaslek. Hij heeft de vrouw voorgehouden dat er verderop in de straat een gasexplosie zou zijn geweest en dat haar huis moest worden gecontroleerd op een eventueel gaslek. Hierdoor kregen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de toegang tot de woning, waarna zij van de vrouw een pen en haar bankpas hebben meegenomen. De rechtbank acht dit feit zeer ernstig. Verdachte heeft het bejaarde slachtoffer met zijn verhaal over de gasexplosie niet alleen bang gemaakt, maar heeft ook haar vertrouwen beschaamd en heeft bovendien ook nog persoonlijke eigendommen van het slachtoffer meegenomen. Verdachten hebben op laffe wijze misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van het slachtoffer.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor diefstal en oplichting;

- een hem betreffend reclasseringsrapport, d.d. 29 juli 2011 opgesteld door B.H.V. Dölle (reclasseringswerker), inhoudende dat er bij verdachte sprake is van een in remissie zijnde afhankelijkheid van alcohol en drugs en dat verdachte daarvoor in behandeling is bij Iriszorg. De reclasseringswerker adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde Reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt een behandeling bij Iriszorg.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 6 maanden geëist. De rechtbank is -mede nu zij slechts bewezen acht het onder 1 ten laste gelegde feit - in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd, van oordeel dat de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf lager dient te zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Gelet op het feit dat verdachte reeds in het kader van een bijzondere voorwaarde in behandeling is bij Iriszorg, ziet de rechtbank geen reden om een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 165 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 4 mei 2010 gedeeltelijk ten uitvoer zal worden gelegd, te weten voor 60 dagen. De officier van justitie heeft gevorderd dat voor de overige 105 dagen de proeftijd met een jaar wordt verlengd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om de tenuitvoerlegging te gelasten van 60 dagen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf en dit om te zetten in een werkstraf van 30 uur. De verdediging heeft de rechtbank verder verzocht voor het overige deel van de voorwaardelijk opgelegde straf de proeftijd te verlengen met 1 jaar.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Verdachte wordt in het kader van de aan hem opgelegde bijzondere voorwaarde begeleid door Iriszorg. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging gedeeltelijk, te weten voor 60 dagen, worden toegewezen en zal voor het overige deel van de straf de proeftijd met 1 jaar worden verlengd. De rechtbank ziet geen reden om de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

ten aanzien van feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat van de voorwaardelijke straf, die bij vonnis d.d. 4 mei 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16.600162-10, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 60 dagen gevangenisstraf;

- verlengt voor het overige deel van de voorwaardelijke straf de proeftijd met 1 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. J.M. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 augustus 2011.

Mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.