Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR4934

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-08-2011
Datum publicatie
12-08-2011
Zaaknummer
16/600410-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Utrecht heeft vrijdag een 42-jarige man uit Delft een werkstraf van 120 uur opgelegd. De man bedreigde namelijk de burgemeester van [gemeente] in verband met een naar zijn mening onveilige verkeerssituatie voor zijn woning. Ook krijgt hij een contactverbod met de burgemeester en zijn gezin opgelegd. Als de man zich daar niet aan houdt, moet hij één maand de gevangenis in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600410-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1969] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op verschillende tijdstippen in de periode van 16 tot en met 24 april 2011 in [plaatsnaam] gemeente [gemeente], de burgemeester van [gemeente] en diens echtgenote heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De verdediging heeft aangevoerd dat de dagvaarding niet voldoet aan het bepaalde in artikel 261 Wetboek van Strafvordering, nu de tenlastelegging niet vermeldt welke gevolgen de bedreigingen voor de slachtoffers hebben gehad. Nu daardoor een onbegrijpelijk feit wordt ten laste gelegd, dient naar de mening van de verdediging de dagvaarding nietig te worden verklaard.

De rechtbank verwerpt dit verweer nu het geen wettelijk vereiste is dat de gevolgen voor slachtoffers van bedreiging in de tenlastelegging worden opgenomen. Voorts is deze ook voldoende duidelijk en bepaald en ook voor het overige voldoet de tenlastelegging aan alle criteria die de wet daaraan stelt. De rechtbank acht de dagvaarding dan ook geldig.

De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat de rechtbank bevoegd is en er geen redenen zijn om de zaak te verwijzen naar de politierechter, zoals door de verdediging is verzocht. Ingevolge artikel 368 Wetboek van Strafvordering is bij de bepaling of een zaak door de politierechter dan wel de meervoudige kamer wordt behandeld niet alleen de te requireren strafsanctie van belang, maar ook de aard van de zaak en in het bijzonder de vraag of deze van juridische eenvoudige aard is. In casu is het voorstelbaar dat er vragen worden opgeworpen omtrent het bewijs, de kwalificatie van de aan verdachte verweten handelingen en de straftoemeting. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid kon oordelen dat de zaak niet van juridisch eenvoudige aard is, zodat de officier van justitie de zaak naar het oordeel van de rechtbank terecht bij de meervoudige kamer heeft aangebracht. Ook voor het overige ziet ook de rechtbank geen gronden de zaak naar de politierechter te verwijzen. Het daartoe strekkende verzoek van de raadsman wordt dan ook afgewezen.

Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen reden is tot schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte van [B], de processen-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], het proces-verbaal van bevindingen inhoudende de verklaring van [A] en de verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat verdachte de tenlastegelegde bewoordingen ten stelligste ontkent en dat hetgeen de verbalisant [verbalisant 1] respectievelijk verbalisant [verbalisant 2] heeft gehoord inhoudelijk substantieel van elkaar verschilt, terwijl zij beiden gelijktijdig de bewoordingen van verdachte hebben gehoord. De verdediging is van mening dat de bevindingen van deze verbalisanten daarom als niet bruikbaar dan wel als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt, zodat het wettig bewijs, in elk geval het overtuigend bewijs, ontbreekt. Verdachte dient naar de mening van de verdediging dan ook van het hem tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [A] heeft bedreigd. Uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verdachte het (kale) opzet had dat de door hem geuite bewoordingen ook [A] zouden bereiken. Voorts blijkt uit het dossier evenmin dat er sprake is van een bewuste aanvaarding door verdachte van de aanmerkelijke kans dat de door hem geuite woorden [A] ook daadwerkelijk zouden bereiken. Er is dan ook geen sprake van opzet op het bedreigen van [A], ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte zal dan ook van dat deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken

Bewijsmiddelen

Op 16 april 2011 gaat verbalisant [verbalisant 1] met een collega naar de [adres] te [plaatsnaam] in de gemeente [gemeente] in verband met een melding van een verkeersincident, waarbij het zoontje van verdachte bijna zou zijn aangereden door een automobiliste.

Tijdens het gesprek met verdachte hoorde [verbalisant 1] verdachte meerdere malen op verwijtende toon spreken over de burgemeester van [gemeente], waaronder [plaatsnaam] valt.

[verbalisant 1] hoorde verdachte zeggen dat als er iets met zijn kind zou gebeuren, de burgemeester dan bij thuiskomst wel eens vergeefs naar zijn vrouw kon zoeken, omdat ze er dan niet meer zou zijn.

Op genoemde datum was verbalisant [verbalisant 2] samen met zijn collega [verbalisant 1] in de woning van verdachte aan de [adres] te [plaatsnaam] naar aanleiding van een door verdachte gemeld verkeersincident dat kort daarvoor had plaatsgevonden.

De verbalisanten bevonden zich afwisselend in en voor de woning van verdachte. [verbalisant 2] zag dat verdachte zich zichtbaar opwond bij de gedachte wat er had kunnen gebeuren indien zijn kinderen onder de personenauto waren gekomen. Tevens wond hij zich ernstig op over het feit dat de gemeente aan wie hij eerder een verzoek deed verkeersbelemmerende maatregelen te treffen, te weinig actie ondernam. Verdachte gaf aan genoemd verzoek eerder rechtstreeks aan de burgemeester te hebben gericht.

[verbalisant 2] hoorde verdachte het volgende zeggen: “Als er een kind van mij wordt doodgereden, dan sta ik niet voor mijzelf in. Ik heb de burgemeester al laten weten dat als dat gebeurt hij op een dag thuis komt en zijn vrouw mist. Hij hoeft dan niet te zoeken, want ze ligt dan in mijn kofferbak. Hij gaat haar dan nooit meer terug vinden.”

Op 19 april 2011 heeft [B], burgemeester van [gemeente], aangifte gedaan van bedreiging, gericht tegen hem en zijn echtgenote. Aangever [B] heeft op 16 april 2011 telefonisch van de verbalisant [verbalisant 1] vernomen dat verdachte tegen hem had gezegd dat als zijn kind binnenkort aangereden zou worden hij de burgemeester wel wist te vinden en als die later ‘s avonds thuis zou komen hij wel eens tevergeefs naar zijn vrouw kon zoeken omdat zij er dan niet meer zou zijn.

[B] heeft verklaard dat hij in zijn functie als burgemeester wel eens vaker bedreigd is, maar dat hij zich daar nooit zo druk om maakte. Hetgeen verdachte over zijn vrouw heeft verteld, heeft [B] als zeer bedreigend ervaren, juist omdat het zijn vrouw betreft.

Op 18 april 2011 werd [B] gebeld door verdachte zelf, die met luide stem sprak en kwaad was. Verdachte zei toen tegen [B] dat wanneer er daar ter plaatse een ongeluk zou zijn waarbij zijn (rechtbank: verdachtes) kinderen betrokken zijn, hij (rechtbank: verdachte) op het gemeentehuis verhaal zou komen halen.

Bewijsoverweging

Op grond van de voornoemde bewijsmiddelen overweegt de rechtbank dat de bewoordingen die de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 16 april 2011 hebben gehoord en die verdachte heeft geuit, weliswaar niet geheel gelijkluidend zijn, maar in hoofdlijnen van gelijke aard zijn en ook dezelfde strekking hebben.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de door hem gebruikte bewoordingen de persoon tegen wie zij waren gericht, in casu de heer [B], burgemeester van [gemeente], ook daadwerkelijk zouden bereiken, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet op het bedreigen van deze persoon.

De vraag of de door verdachte gebezigde bewoordingen als bedreigend kunnen worden opgevat, beantwoordt de rechtbank bevestigend. De zinsnedes “zij er niet meer is” en “hij zal haar dan nooit meer vinden” zijn naar objectieve maatstaven als een bedreiging met de dood te beschouwen en hebben -hoewel juridisch niet relevant- bij de bedreigde, in casu aangever, ook daadwerkelijk de vrees opgeroepen dat hij zijn echtgenote door toedoen van verdachte zou verliezen. De rechtbank heeft daarbij tevens meegewogen de omstandigheid dat verdachte een zware stem heeft, dat hij fors van postuur is, dat hij de burgemeester persoonlijk kent en dat de burgemeester heeft aangegeven te weten dat verdachte geweld niet schuwt. Voorts heeft de rechtbank gelet op de omstandigheden waaronder de bewoordingen door verdachte werden geuit. Verdachte heeft de woorden uitgesproken in de context van een al langer lopend conflict met de burgemeester en was op dat moment volgens de verbalisanten boos, geëmotioneerd en opgewonden. Daarnaast acht de rechtbank bij de beoordeling relevant dat verdachte twee dagen nadat hij de bewuste uitlatingen heeft gedaan zelf contact heeft gezocht met de burgemeester en zich toen opnieuw dreigend in diens richting heeft uitgelaten.

De zinsnede “Als mijn kind wordt aangereden, dan weet ik je te vinden” is op zich niet direct als bedreigend te kwalificeren, maar gelet op de context waarin deze woorden zijn gebruikt en in onderlinge samenhang bezien met de overige door verdachte geuite woorden, kan ook deze zinsnede als een bedreiging tegen het leven gericht worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat deze bewoordingen niet anders kunnen worden begrepen dan dat verdachte daarmee heeft bedoeld dat hij de persoon tegen wie de woorden waren gericht van het leven wilde beroven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Op 16 april 2011 te [plaatsnaam] gemeente [gemeente], [B], burgemeester van [gemeente], heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [B] (via opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]), dreigend de woorden toegevoegd: “Als mijn kind binnenkort wordt aangereden, weet ik jou wel te vinden” en “als je ’s avonds thuiskomt kan je wel eens tevergeefs naar je vrouw zoeken, omdat zij er dan niet meer is” en “als er een kind van mij wordt doodgereden dan sta ik niet voor mezelf in. Ik heb de burgemeester al laten weten dat als dat gebeurt, hij op een dag thuis komt en zijn vrouw mist. Hij hoeft dan niet te zoeken, want ze ligt dan in mijn kofferbak. Hij gaat haar dan nooit meer vinden.” althans woorden van gelijke bedreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met ene proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden van een contactverbod met de burgemeester [B], zijn echtgenote [A] en met de overige leden van het gezin van [B]. Voorts heeft de officier van justitie een werkstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis met aftrek van het voorarrest gevorderd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van een eventueel op te leggen straf heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft tegenover twee verbalisanten bedreigingen geuit aan het adres van de burgemeester van [gemeente], de heer [B].

Verdachte heeft een al jaren lopend verschil van inzicht met de burgemeester omtrent de verkeersveiligheid aan de [adres] in [plaatsnaam]. Dit heeft geresulteerd in door de gemeente getroffen verkeersbelemmerende maatregelen, bestaande uit het plaatsen van een tweetal bloembakken op de [adres]. Deze maatregelen zijn naar de mening van verdachte echter onvoldoende geweest.

Nadat zich naar de mening van verdachte wederom een verkeersincident had voorgedaan voor de woning van verdachte aan de [adres], heeft verdachte in een emotionele toestand de in de bewezenverklaringen vermelde bewoordingen geuit. De rechtbank is van oordeel dat deze woorden bijzonder ingrijpend en niet te rechtvaardigen zijn.

Dat de bedreigingen zijn geuit tegen de burgemeester acht de rechtbank strafverzwarend. De rechtbank is van oordeel dat een burgemeester zijn openbare ambt in alle vrijheid moet kunnen uitoefenen. Burgers die het niet eens zijn met beslissingen en/of beleid van de gemeente en/of de burgemeester, kunnen daartegen via de daarvoor geldende procedures bezwaar maken. Het gaat dan niet aan een burgemeester als openbaar gezagsdrager daar persoonlijk op aan te spreken en diens persoonlijke vrijheid daarbij in het geding te brengen.

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij sinds 1989 meerdere malen is veroordeeld ter zake van agressiedelicten als bedreiging en mishandeling, voor het laatst door het Gerechtshof te Arnhem op 22 april 2011 tot een werkstraf voor de duur van 30 uur subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis in verband met bedreiging.

De rechtbank heeft voorts gelet op een omtrent verdachte opgemaakt reclasseringrapport van Reclassering Nederland d.d. 28 juni 2011. Hierin komt naar voren dat verdachte

van mening is dat het gebruik van geweld soms geoorloofd is om zaken voor elkaar te krijgen. Hij leeft zijn leven zoals hij dat wil en staat bemoeienis of hulp van buitenaf niet toe.

De reclassering vindt het zorgelijk dat het denkpatroon en gedrag van verdachte verstoord zijn; hij denkt en handelt niet naar de volgens de sociaal maatschappelijke geaccepteerde opvattingen c.q. normen en kan daardoor slachtoffers maken.

Een gedragsveranderende interventie is naar de mening van de reclassering evenwel niet haalbaar door de houding van verdachte.

Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat, maar nu gebleken is dat de verkeersituatie op korte termijn zal worden aangepast zal dit de recidivekans ten aanzien van de burgemeester verkleinen dan wel wegnemen. Dit geldt eveneens voor de kans op letselschade ten aanzien van de burgemeester.

De reclassering acht toezicht op bijzondere voorwaarden en interventies/behandeling niet geïndiceerd vanwege het totale gebrek aan motivatie en vanwege de houding van verdachte.

Geadviseerd wordt om aan verdachte een geheel onvoorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de context waarin de bedreigingen zijn geuit, een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is. Daarnaast acht de rechtbank, gezien het strafblad van verdachte en zijn attitude ten opzichte van dit soort delicten, een voorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats teneinde verdachte er van te weerhouden zich in de toekomst wederom aan strafbare feiten schuldig te maken.

Gelet op de impact van de bedreigingen op het gezin van aangever, acht de rechtbank een contactverbod geboden, waarbij het verdachte verboden zal worden gedurende een bepaalde tijd, anders dan op uitnodiging, fysiek, telefonisch dan wel schriftelijk contact op te nemen met de aangever, diens echtgenote en andere leden van het gezin van aangever. Voor zover verdachte meent gedurende de proeftijd zakelijke en/of bestuurlijke kwesties met de burgemeester te moeten bespreken, dan is de aangewezen weg dat hij contact opneemt met een ambtenaar op het gemeentehuis en niet rechtstreeks met de burgemeester.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b,14c, 14d, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte partieel vrij van de bedreiging van [A];

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ÉÉN (1) MAAND voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tot 16 april 2012 zal onthouden van enig contact, zowel mondeling, schriftelijk als in persoon, met [B], diens echtgenote [A] en overige leden van hun gezin, anders dan op uitnodiging van [B];

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van HONDERDTWINTIG (120) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van ZESTIG (60) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

- heft op reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 augustus 2011.

Mr. P.L.C.M. Ficq is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen