Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR4704

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
16/600409-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

beslissing op de vordering tenuitvoerlegging ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbsank wijst de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Parketnummer: 16/600409-10

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht

In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen

[veroordeelde],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

heeft de officier van justitie op 14 april 2011 de tenuitvoerlegging gevorderd van het aan veroordeelde opgelegde voorwaardelijke strafdeel. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie op 22 juni 2011 zijn vordering bijgesteld op de wijze zoals hierna wordt toegelicht. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken van het dossier:

- het vonnis van deze rechtbank d.d. 28 juli 2010;

- de vordering van de officier van justitie d.d. 14 april 2011;

- een rapport (Advies tenuitvoerlegging) van Reclassering Nederland d.d. 14 april 2011;

- een rapport (Voortgangsverslag) van Reclassering Nederland d.d. 16 juni 2011.

Het onderzoek heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 22 juni 2011, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, de veroordeelde en zijn raadsman, mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.

2 De beoordeling

Aan veroordeelde is bij voormeld vonnis een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van negen maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Reclassering Nederland zolang die instelling dat nodig acht, en dat verdachte zal deelnemen aan een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (Cova).

Voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 12 augustus 2010.

De rechtbank overweegt dat de reclassering in haar Advies tenuitvoerlegging van 14 april 2011 heeft geconstateerd dat veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de Cognitieve vaardigheidstraining (Cova-training) en dat de indruk bestaat dat veroordeelde weinig tot niets heeft opgepikt van deze training. Voor zover de reclassering heeft kunnen nagaan zijn de leefomstandigheden en denkwijze van veroordeelde onveranderd, waardoor ook het risico op recidive onveranderd blijft. Ten aanzien van het reclasseringstoezicht merkt de reclassering in haar advies op dat veroordeelde geen toestemming geeft om contact met de sociale dienst op te nemen en dat de indruk bestaat dat hij onvoldoende zijn best heeft gedaan om zijn ouders ertoe te bewegen toe te stemmen in huisbezoeken. De reclassering ziet daardoor geen aanknopingspunten om op een verantwoorde wijze invulling te geven aan het reclasseringstoezicht.

Indien word besloten het reclasseringstoezicht te laten voortbestaan, wordt door de reclassering geadviseerd de bijzondere voorwaarde van “het volgen van de Cova-training” te wijzigen in het volgen van een individuele ambulante behandeling bij een forensisch psychiatrische polikliniek, waar veroordeelde een behandeling kan volgen gericht op zijn delictgedrag.

Uit het rapport van de reclassering d.d. 16 juni 2011 blijkt dat veroordeelde geen heil ziet in het volgen van een behandeling. De reclassering blijft van mening dat veroordeelde onvoldoende heeft meegewerkt aan de beslissing van de rechtbank van 28 juli 2010. De voortzetting van het reclasseringstoezicht wordt niet zinvol geacht, omdat veroordeelde herhaaldelijk heeft aangeven niet mee te willen werken.

Indien de rechtbank besluit om de voorwaardelijke straf (deels) ten uitvoer te leggen, wordt geadviseerd om dat gedeelte om te zetten in een werkstraf, zodat veroordeelde in staat is om aan een opleiding te beginnen.

Uit een brief van ROC Midden Nederland blijkt dat veroordeelde zich heeft aangemeld voor de opleiding Bedrijfsmanagement Mobiliteitsbranche BBL niveau 4. Veroordeelde dient echter eerst een motivatiebrief te sturen, alvorens er een intakegesprek kan plaatsvinden. Het is daardoor niet zeker of en wanneer deze opleiding zal een aanvang zal nemen.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven dat de door de reclassering geadviseerde behandeling van ambulante behandeling bij forensisch psychiatrische polikliniek hem zinvol lijkt. Hij vordert daarom in plaats van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf een wijziging van de bijzondere voorwaarden, zoals voorgesteld in het rapport d.d. 14 april 2011. De proeftijd loopt tot 11 augustus 2012, zodat de gestelde doelen naar het oordeel van de officier van justitie vóór het einde van die proeftijd moeten zijn bereikt.

Ter terechtzitting heeft de raadsman primair verzocht de voorwaarden op te heffen. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de openstaande voorwaardelijke gevangenisstaf van vier maanden en de daaraan gekoppelde algemene voorwaarde voldoende is om zowel het belang van veroordeelde als dat van de samenleving te behartigen. De raadsman deelt mede dat veroordeelde binnenkort met een opleiding zal beginnen.

Indien de rechtbank niet besluit tot het opheffen van de bijzondere voorwaarden, verzoekt de raadsman subsidiair dat een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten één maand, wordt tenuitvoergelegd en dat dit gedeelte wordt omgezet in een werkstraf. Volgens de raadman zou daarmee voldoende worden gewaarborgd dat nieuwe problemen worden voorkomen. Veroordeelde heeft op vragen van de officier van justitie ter terechtzitting verklaard liever een ambulante behandeling bij een psychiatrische polikliniek te volgen dan vier maanden gevangenisstraf te moeten ondergaan.

De rechtbank acht – gelet op het vorenstaande in onderling verband en samenhang bezien – met de officier van justitie een behandeling van de problematiek van veroordeelde zinvol en geboden. De rechtbank ziet, anders dan de raadsman van veroordeelde, geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden op te heffen of een gedeeltelijke tenuitvoerlegging te gelasten van de eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Het is in het belang van veroordeelde en de samenleving dat veroordeelde een behandeling krijgt.

Op grond van de stukken van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, acht de rechtbank termen aanwezig de bijzondere voorwaarden te wijzigen, met dien verstande dat de bijzondere voorwaarden zoals gesteld in het vonnis van deze rechtbank d.d. 28 juli 2010, inhoudende dat:

‘verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschiften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering Nederland zolang de Reclassering dat nodig acht;

en dat verdachte zal deelnemen aan een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (COVA)’,

worden aangevuld met het ondergaan van een ambulante behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling.

een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14f, 14h, 14i en 14j van het Wetboek van Strafrecht.

3 De beslissing

De rechtbank:

Wijzigt de bijzondere voorwaarden, gesteld in voornoemd vonnis d.d. 28 juli 2010 als volgt:

dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschiften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering Nederland zolang de Reclassering dat nodig acht,ook als die aanwijzingen inhouden dat veroordeelde:

- een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling ondergaat;

en/of aan een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (Cova) deelneemt,

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Ebbens, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en

mr. R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. E. van den Brink en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 juli 2011.

Mr. J. Ebbens is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.