Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR4420

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
310534 - KG ZA 11-679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Superior Court in de VS heeft met beroep op het Bewijsverdag verzocht om een getuige te horen en stukken op te vragen bij een in NL gevestigde vennootschap. Deze vennootschap weigert de stukken in te brengen. De eisende partij (popzangeres Cher) vordert dat de voorzieningenrechter UIM bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om deze stukken te overleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 310534 / KG ZA 11-679

Vonnis in kort geding van 2 augustus 2011

in de zaak van

1. CHER (CHERILYN SARKISIAN),

wonende te [woonplaats], Californië, Verenigde Staten van Amerika,

2. de vennootschap naar buitenlands recht CHER ENTERPRISES INC.,

gevestigd te Palm Springs, Californië, Verenigde Staten van Amerika,

3. de vennootschap naar buitenlands recht GARETT MUSIC ENTERPRISES INC.,

gevestigd te Sonoita, Arizona, Verenigde Staten van Amerika,

4. SNUFF GARRETT (THOMAS LESSLIE GARRETT),

wonende te [woonplaats], Arizona, Verenigde Staten van Amerika,

eisers,

advocaten mrs. A.S. Frommelt en M.C. van Leyenhorst te Blaricum,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UNIVERSAL INTERNATIONAL MUSIC B.V.,

gevestigd te Baarn,

gedaagde,

advocaten mrs. T.A.B.Y. Conijn en R. Schellaars te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Cher (in enkelvoud) en UIM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 t/m 10

- productie 1 van UIM

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota en handgeschreven pleitnotities van Cher

- de pleitnota van UIM.

Ter zitting heeft UIM twee ordners met bescheiden die op de zaak betrekking hebben aan de voorzieningenrechter en aan de advocaten van Cher overhandigd ten behoeve van het getuigenverhoor op donderdag 4 augustus 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. De beslissing luidt zoals hieronder is bepaald. De voorzieningenrechter hanteert daarbij de omschrijving van de verschillende vennootschappen en bescheiden zoals vermeld in Schedule A bij het rechtshulpverzoek sub 1 tot en met 10. In het dictum is per onderdeel met een cijfer tussen haakjes aangegeven op welk onderdeel van Schedule A de veroordeling betrekking heeft.

Aan partijen is meegedeeld dat de nadere schriftelijke uitwerking van dit vonnis zo spoedig mogelijk zal volgen.

2. De feiten

2.1. UIM is onderdeel van het in de Verenigde Staten van Amerika (verder: de VS) gevestigde Universal Music Group (verder UMG). UMG is de grootste groep van platenlabels ter wereld met een marktaandeel van ruim 25%. UMG is onderdeel van het Franse mediaconglomeraat Vivendi S.A.

2.2. UIM is een zustervennootschap van Universal Records Incorporated (verder Incorporated), die in California gevestigd is. Incorporated is onder meer verantwoordelijk voor Geffen Records en handelt ook onder die naam. Onder het Geffen-label zijn verschillende nummers van popartieste Cher uitgebracht. Cher heeft in de jaren 70 en 80 verschillende platencontracten gesloten met (rechtsvoorgangers van) Incorporated. Op grond van deze platencontracten heeft Incorporated de rechten verworven op bepaalde geluidsopnamen van Cher en exploiteert zij deze, onder meer door de verkoop van CD’s. In ruil daarvoor ontvangt Cher vergoedingen (verder aan te duiden als royalties), welke worden berekend aan de hand van een percentage van de verkoopprijs van de verkochte CD’s.

2.3. Incorporated heeft de exploitatie van CD’s voor zover die plaatsvindt buiten de VS, uitbesteed aan lokale distributeurs. Een groot deel daarvan verloopt via UIM. UIM sluit contracten af met lokale distributeurs en speelt een belangrijke rol bij de administratie van de royalties die op grond van de lokale CD-verkoop verschuldigd zijn.

2.4. Cher heeft een deel van haar nummers uitgebracht bij een andere platenmaatschappij, te weten Warner Music Group. Om verzamel-CD’s te kunnen uitbrengen met de hits die zowel onder UMG als onder Warner Music Group zijn uitgebracht, zijn joint ventures gesloten tussen verschillende ondernemingen uit UMG en Warner Music Group. In een joint venture tussen Incorporated en Warner Music Group zijn onder meer de CD’s ‘Cher The Greatest Hits’ en ‘The Very Best of Cher’ uitgebracht.

2.5. Tussen Cher en Incorporated is een procedure aanhangig bij de Superior Court of State of California, County of Los Angelos, West District te Santa Monica in de VS (verder: Superior Court) ten aanzien van het niet afdragen van royalties aan Cher met betrekking tot de cd’s ‘Cher The Greatest Hits’ en ‘The Very Best of Cher’. De Superior Court heeft met een beroep op het Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken d.d. 18 maart 1970 (verder: het Bewijsverdrag) aan de rechtbank Den Haag, zijnde de Centrale Autoriteit in de zin van het Bewijsverdrag, verzocht om bepaalde handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten. Deze handelingen bestaan uit het opvragen van stukken bij UIM en het aan de hand van die stukken horen van de heer [getuige], een medewerker van UIM, als getuige.

2.6. De op te vragen stukken zijn vastgesteld in een bijlage bij het rechtshulpverzoek die wordt aangeduid als ‘Schedule A’. Deze luiden als volgt:

1. de Cher The Greatest Hits License Agreement, inclusief alle concept- en gewijzigde versies;

2. de Cher The Greatest Hits Joint Venture Overeenkomst, inclusief alle concept- en gewijzigde versies;

3. alle overeenkomsten en wijzigingen daarvan tussen UIM of enige andere UMG Entiteit aan de ene kant, en enige andere Warner Music Group Entiteit aan de andere kant, met betrekking tot Cher The Greatest Hits, aangegaan tussen 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten;

4. alle joint venture- of winstverklaringen met betrekking tot de Cher The Greatest Hits die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit;

5. alle afrekeningen of accountings met betrekking tot de Cher The Greatest Hits die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit;

6. alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit de betalingen of crediteringen blijken die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden gedaan in verband met Cher The Greatest Hits;

7. alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit blijkt welke eventuele kosten of uitgaven in mindering werden gebracht op de betalingen of crediteringen die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden gedaan in verband met Cher The Greatest Hits;

8. alle royaltyverklaringen die gedurende de periode vanaf 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden afgegeven met betrekking tot Cher The Greatest Hits;

9. alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit de door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit in verband met Cher The Greatest Hits gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten betaalde of gecrediteerde royalty’s blijken;

10. The Very Best of Cher Joint Venture Overeenkomst, inclusief alle concept- en gewijzigde versies;

11. alle overeenkomsten, en wijzigingen daarvan, tussen UIM of enige andere UMG Entiteit aan de ene kant en enige Warner Music Group Entiteit aan de andere kant, met betrekking tot The Very Best of Cher, aangegaan tussen 24 november 2003 en de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten;

12. alle joint venture- of winstverklaringen die in de periode van 24 november 2003 tot en met de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit werden afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit met betrekking tot The Very Best of Cher;

13. alle afrekeningen of accountings met betrekking tot The Very Best of Cher die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit;

14. alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit de betalingen of crediteringen blijken die gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden gedaan in verband met The Very Best of Cher;

15. alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit blijkt welke eventuele kosten of uitgaven in mindering werden gebracht op de betalingen of crediteringen die gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden gedaan in verband met The Very Best of Cher;

16. alle royaltyverklaringen die gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door Warner UK of enige andere Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden afgegeven met betrekking tot The Very Best of Cher;

17. alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit de door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit in verband met The Very Best of Cher gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten betaalde of gecrediteerde royalty’s blijken;

18. de Label Copy van The Very Best of Cher zoals uitgebracht in Nederland;

19. de Label Copy van The Very Best of Cher zoals uitgebracht in het Verenigd Koninkrijk;

20. de Label Copy van The Very Best of Cher zoals uitgebracht in Frankrijk;

21. de Label Copy van The Very Best of Cher zoals uitgebracht in de rest van de wereld, buiten Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.

2.7. De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 1 juli 2011 vastgesteld dat het verzoek van het Superior Court voldoet aan de bepalingen van het Bewijsverdrag en heeft het verzoek ingewilligd. De verdere uitvoering van het verzoek is opgedragen aan de rechtbank Utrecht.

2.8. Bij brief van 6 juli 2011 heeft de rechtbank Utrecht, in het kader van de rogatoire commissie, aan UIM verzocht om de in Schedule A genoemde stukken aan de rechtbank toe te sturen. Bij brief van 8 juli 2011 heeft de rechtbank de heer [getuige] opgeroepen om als getuige te verschijnen op de zitting van 29 juli 2011. De zittingsdatum is vervolgens verplaatst naar donderdag 4 augustus 2011.

2.9. Bij brief van 17 juli 2011 heeft UIM de rechtbank een overzicht gestuurd van de stukken die zij bereid is toe te zenden. Dit betreft een deel van de door de rechtbank verzochte stukken. UIM maakt in deze brief bezwaar tegen toezending van alle in Schedule A omschreven stukken.

2.10. Partijen zijn voorafgaand aan de zitting overeengekomen dat de door de Superior Court uitgevaardigde ‘protective order’ tevens van toepassing is op de in het kader van deze procedure in te brengen documenten.

3. Het geschil

3.1. Cher vordert dat de voorzieningenrechter UIM bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen om:

a. de door de rechtbank Utrecht in haar brief aan UIM d.d. 6 juli (c.q. in de bij die brief behorende bijlage ‘Schedule A’) genoemde bescheiden uiterlijk maandag 1 augustus 2011 om 15.00 uur bij de rechtbank Utrecht te hebben ingediend;

b. een exacte kopie van de onder sub a bedoelde bescheiden uiterlijk maandag 1 augustus 2011 om 15.00 uur schriftelijk en digitaal aan A.S. Frommelt te verstrekken;

c. een exacte kopie van de onder sub a bedoelde bescheiden uiterlijk 1 augustus 2011 om 15.00 uur (Nederlandse tijd) aan mr. Mark D. Passin van het Amerikaanse advocatenkantoor Robins, Kaplan, Miller & Ciresi LLP te verstrekken;

d. al het bovenstaande op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- ineens, te vermeerderen met een dwangsom van € 100.000,- voor ieder uur of deel daarvan na maandag 1 augustus 2011 om 15.00 uur dat niet, niet geheel of niet correct aan de sub a, b en c genoemde verplichtingen is voldaan;

e. met veroordeling van UIM in de proceskosten.

3.2. Cher baseert de vordering primair op het Bewijsverdrag. Het rechtshulpverzoek van de Superior Court houdt in dat de Nederlandse gerechtelijke autoriteiten bewerkstelligen dat UIM de gevraagde bescheiden ter beschikking stelt. Nu de in artikel 5 en 12 van het Bewijsverdrag genoemde limitatieve weigeringsgronden niet van toepassing zijn, hebben de Centrale Autoriteit en de uitvoerende autoriteit geen beslissingsruimte. Artikel 10 van het Bewijsverdrag geeft de uitvoerende autoriteit de mogelijkheid en de opdracht om zo nodig dwangmiddelen toe te passen. Het betreft hier geen discretionaire bevoegdheid maar een verplichting. In dit geval is oplegging van een dwangsom de meest voor de hand liggende dwangmaatregel.

Voor zover de primaire grondslag niet door de voorzieningenrechter wordt overgenomen doet Cher een zelfstandig beroep op artikel 843a Rv.

3.3. UIM voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In artikel 1 van het Bewijsverdrag wordt bepaald dat een rechterlijke autoriteit van een Verdragssluitende staat in burgerlijke zaken of in handelszaken bij wege van rogatoire commissie aan de bevoegde autoriteit van een andere Verdragssluitende staat kan verzoeken om een handeling tot het verkrijgen van bewijs of andere gerechtelijke handelingen te verrichten. De Superior Court heeft een dergelijk verzoek gedaan aan de door Nederland aangewezen Centrale Autoriteit, namelijk de rechtbank Den Haag. De rechtbank Den Haag heeft de rechtbank Utrecht verzocht om bij wege van rogatoire commissie uitvoering te geven aan het verzoek. De rechtbank Utrecht dient dit verzoek uit te voeren met inachtneming van artikel 9 van het Bewijsverdrag, inhoudende dat zij bij de uitvoering van de rogatoire commissie haar eigen landswet dient toe te passen. De stelling van Cher, dat de rechtbank Utrecht gehouden zou zijn om het rechtshulpverzoek zonder nadere toets in te willigen, kan dan ook geen stand houden. In het Nederlandse procesrecht is het opleggen van de verplichting om stukken ter beschikking te stellen aan de andere partij vastgelegd in artikel 843a Rv. De vraag die dan ook moet worden beantwoord is of het verzoek om de in Schedule A genoemde stukken ter beschikking te stellen voldoet aan het bepaalde van artikel 843a Rv.

4.2. UIM heeft in dit verband primair aangevoerd dat Incorporated door het Superior Court niet in de gelegenheid is gesteld om verweer te voeren tegen het rechtshulpverzoek terwijl zij door de rechtbank Utrecht in het kader van de uitvoering van de rogatoire commissie evenmin in de gelegenheid is gesteld om bezwaar te maken. Volgens UIM is hiermee in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor gehandeld. De voorzieningenrechter passeert dit verweer. Of Incorporated tijdens de procedure in de Verenigde Staten in de gelegenheid is geweest om inhoudelijke bezwaren tegen het rechtshulpverzoek aan te voeren, kan door de voorzieningenrechter niet worden vastgesteld nu de standpunten van partijen daarover uiteenlopen en geen stukken zijn overgelegd waaruit dit blijkt. Wat daarvan echter ook zij, vaststaat dat UIM in elk geval in het kader van dit kort geding in de gelegenheid is geweest om inhoudelijke bezwaren aan te voeren en van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt heeft. De voorzieningenrechter is op grond daarvan van oordeel dat met betrekking tot het overleggen van stukken het beginsel van hoor en wederhoor voldoende gerespecteerd is.

4.3. Artikel 843a Rv voorziet erin dat degene die daarbij een rechtmatig belang heeft inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is kan vorderen, hetgeen ook wel wordt aangeduid als de exhibitieplicht. Deze exhibitieplicht is niet onbeperkt. Uit het eerste lid van artikel 843a Rv volgt dat degene die exhibitie verlangt daarbij een ‘rechtmatig belang’ moet hebben en dat het moet gaan om ‘bepaalde bescheiden’. Deze laatste beperking is opgenomen om zg. fishing expeditions te voorkomen. Voorts is de partij die de gegevens ter beschikking heeft ingevolge lid 4 van genoemd artikel niet tot exhibitie verplicht ‘indien daarvoor gewichtige redenen zijn’ of ‘indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd’.

4.4. Achtereenvolgens zal worden beoordeeld of aan deze criteria wordt voldaan. In de eerste plaats moet sprake zijn van een rechtmatig belang. Het belang van Cher om inzage te verkrijgen in de in Schedule A genoemde bescheiden is gelegen in de mogelijkheid om haar stelling dat zij jegens Incorporated nog aanspraak kan maken op royalties kan staven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu de distributie van de betreffende CD’s door tussenkomst van UIM heeft plaatsgevonden en UIM - naar aangenomen moet worden - beschikt over de daarbij behorende administratie, voldoende aannemelijk is dat Cher een rechtmatig belang heeft bij inzage daarin. Dat UIM reeds een deel van de gevraagde bescheiden in de procedure bij het Superior Court heeft ingebracht, doet daaraan onvoldoende af, nu Cher gemotiveerd heeft aangegeven dat een substantieel deel van de benodigde informatie ontbreekt. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat ook in de brief van 22 juli 2011 van de in de VS gevestigde advocaat van UMG niet wordt vermeld dat daarmee alle aanwezige documenten zijn overgelegd. Dat, zoals UIM stelt, Cher er tot op heden niet in is geslaagd om een begin van bewijs te leveren maakt het voorgaande evenmin anders. In de eerste plaats kan de juistheid van deze stelling in het kader van dit kort geding niet worden getoetst en in de tweede plaats is artikel 843a Rv. nu juist in het leven geroepen voor de situatie waarin iemand niet is staat is om bewijs bij te brengen.

4.5. Vervolgens zal de vraag worden beantwoord of de bescheiden die worden verzocht kunnen worden aangeduid als ‘aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn’. UIM heeft in dit verband aangevoerd dat Cher geen partij is in de rechtsbetrekking waarop de informatie ziet. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. Aangenomen moet worden dat het begrip ‘rechtsbetrekking’ sinds de wijziging van artikel 843a Rv. per 1 januari 2002, waarbij een modernisering van dit artikel is beoogd, ruim moet worden uitgelegd en niet slechts betrekking heeft op directe rechtsbetrekkingen tussen partijen zelf. In het onderhavige geval beroept Cher zich op een overeenkomst met Incorporated. Incorporated heeft ervoor gekozen om de uitvoering hiervan door een andere, zich binnen haar concern bevindende vennootschap, te weten UIM, te laten plaatsvinden. Cher heeft hierop geen invloed kunnen uitoefenen. Onder die omstandigheden kan UIM zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat Cher geen partij is bij de rechtsbetrekking en moet het begrip rechtsbetrekking ruim worden uitgelegd in die zin dat ook andere rechtsbetrekkingen met betrekking tot de exploitatie van de muziek van Cher daaronder moeten worden begrepen.

4.6. Voorts moet worden beoordeeld of voldaan is aan de eis van ‘bepaalde bescheiden’. UIM heeft gemotiveerd betwist dat daarvan sprake is. Volgens UIM is onvoldoende duidelijk op welke documenten wordt gedoeld en zij illustreert dit aan de hand van in de Schedule A onder 7 geformuleerde verzoek. De voorzieningenrechter overweegt dat, hoewel fishing expeditions voorkomen moet worden, de eis van bepaalbaarheid ook niet te strikt moet worden uitgelegd. Degene die een beroep doet op artikel 843a Rv zal immers in veel gevallen niet exact kunnen aangeven welke documenten hij nodig heeft om zijn vordering te onderbouwen. De bescheiden moeten echter wel zodanig worden omschreven dat duidelijk is waarop wordt gedoeld en dat getoetst kan worden of de verzoeker daarbij een rechtmatig belang heeft. Dat betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter, dat Cher in haar verzoek specifieke documenten moet benoemen en aanwijzen. De voorzieningenrechter zal in rechtsoverweging 4.8 aan de hand van de diverse onderdelen van Schedule A beoordelen of voldaan is aan de eis van bepaalbaarheid.

4.7. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of er gewichtige redenen zijn die aan de exhibitieplicht in de weg staan en of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. UIM heeft in dit verband aangevoerd dat zij al veel informatie heeft ingebracht hetgeen met veel zoekwerk gepaard is gegaan en dat van haar –temeer nu zij buiten het geschil staat- niet verwacht kan worden dat zij hierin nog meer tijd en energie steekt. Ook heeft zij aangevoerd dat een deel van de gevraagde informatie zich niet bij UIM maar bij Warner UK bevindt. Ten aanzien van dit laatste overweegt de voorzieningenrechter dat UIM slechts kan worden gehouden aan de verplichting om informatie aan te leveren waarover zij beschikt, zoals in het dictum tot uiting zal worden gebracht. De voorzieningenrechter oordeelt voorts dat voldoende aannemelijk is dat Cher een groot belang heeft bij de inzage in de door UIM gevoerde administratie om te kunnen vaststellen of, en zo ja, in welke mate zij nog aanspraak kan maken op royalties. Dat UIM deze informatie kennelijk niet eenvoudig voor handen heeft, dient voor risico van UIM te komen, nu UIM immers uitvoering geeft aan de door Cher met Incorporated gesloten overeenkomst. Voorts is gesteld noch gebleken dat Cher op andere, voor UIM minder belastende, wijze over de benodigde informatie kan beschikken. Van gewichtige redenen die aan oplegging van de exhibitieplicht zijn algemeenheid in de weg staat, is dan ook geen sprake terwijl evenmin aannemelijk is dat een behoorlijke rechtspleging zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Wel moet worden beoordeeld of de in Schedule A gevraagde gegevens afzonderlijk tot het oordeel leiden dat gewichtige redenen aan de exhibitieplicht in de weg staan en of redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. De voorzieningenrechter zal dit de beoordeling onder 4.8 betrekken.

4.8. Schedule A bevat de volgende, cursief weergegeven, onderdelen:

4.8.1. De Cher The Greatest Hits License Agreement, inclusie alle concept- en gewijzigde versies en de Cher The Greatest Hits Joint Venture Overeenkomst, inclusief alle concept- en gewijzigde versies (genoemd onder 1 en 2). Ter zitting is komen vast te staan dat Cher reeds over de overeenkomsten beschikt. Zij stelt dat zij tevens dient te beschikken over alle conceptversies. Onbekend is echter of, en zo ja, hoeveel conceptversies er bestaan terwijl evenmin duidelijk is waarom deze voor de vraag of Cher aanspraak kan maken op royalties van belang zijn. Voor zover er wijzigingen op de overeenkomsten hebben plaatsgevonden dienen deze wel ter beschikking te worden gesteld. Met betrekking tot de concepten zal de vordering dus worden afgewezen.

4.8.2. Alle overeenkomsten en wijzigingen daarvan tussen UIM of enige andere UMG Entiteit aan de ene kant, en enige andere Warner Music Group Entiteit aan de andere kant, met betrekking tot Cher The Greatest Hits, aangegaan tussen 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten; alle joint venture- of winstverklaringen met betrekking tot de Cher The Greatest Hits die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit; alle afrekeningen of accountings met betrekking tot de Cher The Greatest Hits die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit (genoemd onder 3, 4 en 5).

De voorzieningenrechter is van oordeel dat bovengenoemde bescheiden voldoende bepaalbaar zijn en er geen specifieke omstandigheden zijn die aan het vertrekken daarvan in de weg staan. Bovengenoemde bescheiden dienen dan ook ter beschikking te worden gesteld.

4.8.3. Alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit de betalingen of crediteringen blijken die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden gedaan in verband met Cher The Greatest Hits;

alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit blijkt welke eventuele kosten of uitgaven in mindering werden gebracht op de betalingen of crediteringen die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden gedaan in verband met Cher The Greatest Hits;

alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit de door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit in verband met Cher The Greatest Hits gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten betaalde of gecrediteerde royalty’s blijken (genoemd onder 6, 7 en 9).

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de omschrijving ‘alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets’ te vaag en te veel omvattend is om aan de eis van bepaalbaarheid te kunnen voldoen. Toewijzing ervan zou tot onduidelijkheden en daarmee gepaard gaande executiegeschillen leiden, zoals door UIM ook is betoogd. De exhibitieplicht moet dan ook worden beperkt tot de bescheiden die bepaalbaar zijn, te weten de goedgekeurde jaarrekeningen over de periode vanaf 1 november 1999 tot en met 6 juli 2011. De voorzieningenrechter kan niet beoordelen of de specifiek gevraagde gegevens (ten aanzien van betalingen en/of crediteringen) uit deze jaarrekeningen blijken. Daarom zal aan UIM de verplichting worden opgelegd om de jaarrekeningen in zijn geheel ter beschikking te stellen zonder dat daaraan de specifieke voorwaarde, dat deze de eerdergenoemde gegevens bevatten, wordt gekoppeld.

4.8.4. Alle royaltyverklaringen die gedurende de periode vanaf 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden afgegeven met betrekking tot Cher The Greatest Hits (genoemd onder 8)

Deze bescheiden zijn voldoende bepaalbaar en dienen ter beschikking te worden gesteld.

4.8.5. The Very Best of Cher Joint Venture Overeenkomst, inclusief alle concept- en gewijzigde versies en alle overeenkomsten, en wijzigingen daarvan, tussen UIM of enige andere UMG Entiteit aan de ene kant en enige Warner Music Group Entiteit aan de andere kant, met betrekking tot The Very Best of Cher, aangegaan tussen 24 november 2003 en de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten (genoemd onder 10 en 11)

Ook hiervoor geldt dat het belang bij conceptversies onvoldoende onderbouwd is. Voor het overige zullen deze documenten ter beschikking gesteld moeten worden.

4.8.6. Alle joint venture- of winstverklaringen die in de periode van 24 november 2003 tot en met de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit werden afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit met betrekking tot The Very Best of Cher; alle afrekeningen of accountings met betrekking tot The Very Best of Cher die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit (genoemd onder 12 en 13)

Ook hiervoor geldt dat deze voldoende bepaalbaar zijn en ter beschikking gesteld moeten worden.

4.8.7. Alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit de betalingen of crediteringen blijken die gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden gedaan in verband met The Very Best of Cher; alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit blijkt welke eventuele kosten of uitgaven in mindering werden gebracht op de betalingen of crediteringen die gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden gedaan in verband met The Very Best of Cher; alle elektronische en geschreven documenten, waaronder jaarrekeningen, schema’s en spreadsheets, waaruit de door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit in verband met The Very Best of Cher gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten betaalde of gecrediteerde royalty’s blijken (genoemd onder 14, 15 en 17).

Hiervoor geldt zoals reeds ten aanzien het onder 6, 7 en 9 geformuleerde is overwogen dat niet is voldaan aan de eis van bepaalbaarheid en dat UIM kan volstaan met het ter beschikking stellen van de jaarrekeningen.

4.8.8. Alle royaltyverklaringen die gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met de datum van de hierbij verzochte afgifte van documenten door Warner UK of enige andere Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden afgegeven met betrekking tot The Very Best of Cher (genoemd onder 16).

Ook hiervoor geldt dat deze voldoende bepaalbaar zijn en ter beschikking gesteld moeten worden.

4.8.9. De Label Copy van The Very Best of Cher zoals uitgebracht in Nederland; de Label Copy van The Very Best of Cher zoals uitgebracht in het Verenigd Koninkrijk; de Label Copy van The Very Best of Cher zoals uitgebracht in Frankrijk; de Label Copy van The Very Best of Cher zoals uitgebracht in de rest van de wereld, buiten Nederland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk.

De voorzieningenrechter stelt vast dat een deel hiervan reeds ter beschikking is gesteld. Nu op geen enkele wijze is onderbouwd welk belang Cher hierbij heeft zal dit onderdeel niet worden toegewezen.

4.9. Cher heeft ter zitting erkend dat een deel van de gevraagde bescheiden reeds aan haar ter beschikking is gesteld in het kader van de in de VS aanhangige procedure. Nu ook Cher zich op het standpunt heeft gesteld dat deze documenten niet nogmaals overgelegd hoeven te worden, zal op dit punt een beperking in het dictum worden opgenomen. Datzelfde geldt voor de documenten die UIM ter zitting aan Cher en aan de voorzieningenrechter heeft overhandigd en waarvan niet vaststaat of deze documenten met de in de VS ter beschikking gestelde documenten overeenkomen. Voorts dient ervoor te worden gewaakt dat UIM kan niet worden veroordeeld tot een prestatie die zij niet kan nakomen. Er zal dan ook een voorbehoud worden gemaakt voor documenten die niet in het bezit van UIM zijn.

4.10. Cher heeft ter zitting aangevoerd dat UIM tevens de digitale versie van de documenten ter beschikking dient te stellen zodat haar advocaat in de VS hierover ook tijdig kan beschikken. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat - mede gelet op het korte tijdsbestek - van UIM niet kan worden verwacht dat zij tevens alle digitale exemplaren ter beschikking stelt. Aannemelijk is dat, zoals UIM ook stelt, het achterhalen van de digitale bestanden, een aanzienlijke hoeveelheid extra werk met zich brengt waarbij tevens het risico bestaat dat digitale versies worden verstrekt die afwijken van de schriftelijke versies hetgeen tot executieproblemen zou kunnen leiden. Dat de in de VS verblijvende advocaat van Cher wellicht niet tijdig over de documenten kan beschikken is een omstandigheden die gezien het voorgaande voor risico van Cher moet komen.

4.11. Evenmin zal de vordering worden toegewezen ten aanzien van het schriftelijk ter beschikking stellen van de documenten aan de in de VS verblijvende advocaat van Cher, nu dit redelijkerwijs praktisch niet haalbaar is.

4.12. Cher vordert voorts een dwangsom van € 1.000.000,- ineens, te vermeerderen met € 100.000,- voor ieder uur dat te laat wordt nagekomen. De gevorderde dwangsom komt de voorzieningenrechter bovenmatig voor. Toegewezen wordt een dwangsom van € 100.000,- voor het geval UIM de documenten niet op woensdag 3 augustus 2011 uiterlijk 11.00 uur aan de rechtbank en aan mr. Frommert ter beschikking heeft gesteld. Vervolgens zal een dwangsom worden opgelegd voor ieder uur dat UIM te laat presteert. Deze dwangsom zal worden bepaald op € 10.000,- per uur waarbij het tijdstip daarvoor zal ingaan om 15.00 uur. Voorts zal aan de in totaal te verbeuren dwangsom een maximum worden verbonden van € 500.000,-.

4.13. UIM dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1. veroordeelt UIM om uiterlijk woensdag 3 augustus 2011 om 11.00 uur de na te noemen bescheiden bij de rechtbank Utrecht te hebben ingediend,

a. voor zover deze nog niet in een eerder stadium in de procedure voor de Superior Court in de Verenigde Staten van Amerika zijn ingebracht;

b. voor zover deze geen deel uitmaken van de ter zitting van 1 augustus 2011 aan de voorzieningenrechter ter beschikking gestelde ordners;

c. en voor zover deze in het bezit van UIM zijn:

1. (1) alle aanpassingen op en gewijzigde versies van de Cher The Greatest Hits License Agreement;

2. (2) de Cher The Greatest Hits Joint Venture Overeenkomst, inclusief alle gewijzigde versies;

3. (3) alle overeenkomsten en wijzigingen daarvan tussen UIM of enige andere UMG Entiteit aan de ene kant en enige andere Warner Music Group Entiteit aan de andere kant, met betrekking tot Cher The Greatest Hits, aangegaan tussen 1 november 1999 tot en met de datum waarop de rechtbank om afgifte heeft verzocht, zijnde 6 juli 2011;

4. (4) alle joint venture- of winstverklaringen met betrekking tot de Cher The Greatest Hits die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met 6 juli 2011 door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit;

5. (5) alle afrekeningen of accountings met betrekking tot de Cher The Greatest Hits die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met 6 juli 2011 door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit;

6. (6, 7, 9, 14, 15, en 17) alle goedgekeurde jaarrekeningen (“financial statements”) van UIM vanaf 1 november 1999 tot en met 6 juli 2011;

7. (8) alle royaltyverklaringen die gedurende de periode vanaf 1 november 1999 tot en met 6 juli 2011 door enige Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden afgegeven met betrekking tot Cher The Greatest Hits;

8. (10) alle aanpassingen op en gewijzigde versies van The Very Best of Cher Joint Venture Overeenkomst;

9. (11) alle overeenkomsten en wijzigingen daarvan, tussen UIM of enige andere UMG Entiteit aan de ene kant en enige Warner Music Group Entiteit aan de andere kant, met betrekking tot The Very Best of Cher, aangegaan tussen 24 november 2003 en 6 juli 2011;

10. (12) alle joint venture of winstverklaringen die in de periode van 24 november 2003 tot en met 6 juli 2011 door enige Warner Music Group Entiteit werden afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit met betrekking tot The Very Best of Cher;

11. (13) alle afrekeningen of accountings met betrekking tot The Very Best of Cher die gedurende de periode van 1 november 1999 tot en met 6 juli 2011 door enige Warner Music Group Entiteit zijn afgegeven aan UIM of enige andere UMG Entiteit;

12. (16) alle royaltyverklaringen die gedurende de periode van 24 november 2003 tot en met 6 juli 2011 door Warner UK of enige andere Warner Music Group Entiteit aan UIM of enige andere UMG Entiteit werden afgegeven met betrekking tot The Very Best of Cher;

5.2. veroordeelt UIM om uiterlijk woensdag 3 augustus 2011 om 11.00 uur een exacte kopie van de onder 5.1. genoemde bescheiden aan mr. A.S. Frommert te verstrekken;

5.3. bepaalt dat UIM bij overtreding van het onder 5.1. en 5.2. bepaalde een dwangsom zal verbeuren van € 100.000,- ineens, te vermeerderen met een dwangsom van € 10.000,- voor ieder uur of deel van een uur daarvan na woensdag 3 augustus 2011 om 15.00 uur zulks met een maximum van € 500.000,-;

5.4. veroordeelt UIM in de proceskosten, aan de zijde van Cher tot op heden begroot op € 1.466,81, bestaande uit € 90,81 aan exploitkosten, € 560,- aan vast recht en € 816,- aan salaris advocaat;

5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel en in het openbaar uitgesproken op

2 augustus 2011.?