Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR4308

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-08-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
SBR 09-2261
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

persoonsverwisseling; onrechtmatig besluit I; formele rechtskracht besluit II; geschiktheid; EMA; alcohol; redelijke termijn; schade; schadebeperkingsplicht.

Wetsartikelen: 7:2 van de Awb, artikel 131 WVW 1994, artikel 6 EVRM

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is en verweerder heeft erkend dat het primaire besluit van 30 mei 2006 onrechtmatig is. Verweerder is tot het besluit gekomen dat betwijfeld kan worden of de op 8 mei 2006 aangehouden persoon ook daadwerkelijk eiser is geweest, wat voor verweerder reden is geweest om het bezwaar van eiser gegrond te verklaren en het primaire besluit van 30 mei 2006 te herroepen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting erkend dat verweerder op 26 juli 2006 beide processen-verbaal inzake de aanhoudingen van 6 mei 2006 en 8 mei 2006 heeft ontvangen, dus voordat deze stukken in augustus 2006 ter beschikking van eiser zijn gesteld, en dat verweerder gelet op de inhoud van die processen-verbaal reeds op 26 juli 2006 in de gelegenheid was om een besluit met eenzelfde inhoud als de beslissing op bezwaar van 17 november 2008 te nemen. Nu verweerder reeds op 26 juli 2006 over voormelde processen-verbaal beschikte bracht de zorgvuldigheid welke verweerder jegens eiser betaamt mee dat hij ter voorkoming of beperking van diens schade zo spoedig als mogelijk een besluit met dezelfde inhoud als het besluit van 17 november 2008 had genomen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan kan hij zich tegenover eiser niet erop beroepen dat hij de geleden schade had kunnen voorkomen of beperken door een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen.

Niet in geschil is dat eiser geen rechtsmiddelen tegen het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 heeft ingesteld. Van een erkenning van de onrechtmatigheid van het besluit door verweerder is in deze zaak geen sprake. Evenmin is gebleken dat door toedoen van verweerder aan eiser niet kan worden toegerekend dat hij geen rechtsmiddelen heeft ingesteld. Gelet op het voorgaande dient van de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 te worden uitgegaan, hetgeen betekent dat verweerder niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 09/2261

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. M.M. Dezfouli, advocaat te Utrecht,

en

de stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR), verweerder,

gemachtigde: drs. M.M. van Dongen.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 26 maart 2009 heeft verweerder het verzoek van eiser tot schadevergoeding van 18 december 2008 afgewezen. Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 juli 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser, met uitzondering van het bezwaar ter zake de onjuiste weergave van enkele jaartallen in de chronologie, ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 25 februari 2011, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigde hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Het bestreden besluit gaat over de afwijzing van eisers verzoek om schadevergoeding.

Procedure I

2.2 Op 8 mei 2006 is een persoon aangehouden op verdenking van het rijden onder invloed van alcohol. Op 10 mei 2006 heeft de korpschef aan verweerder een mededeling als bedoeld in artikel 131 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) gedaan, inhoudende dat het vermoeden bestaat dat een persoon, genaamd [eiser], niet beschikt over de geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van categorie B, omdat deze persoon binnen een periode van vijf jaren meermalen is aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede of derde lid, van de WVW, waarbij bij één van de aanhoudingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8 ‰.

Bij besluit van 30 mei 2006 is aan eiser de verplichting opgelegd om mee te werken aan een onderzoek naar zijn geschiktheid om een motorvoertuig te besturen.

Daartegen heeft eiser op 3 juli 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 juni 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Bij besluit van 14 augustus 2007 heeft verweerder voormeld besluit van 18 juni 2007 ingetrokken en bij besluit van 26 november 2007 heeft verweerder eisers bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2008 (07/1842) heeft deze rechtbank eisers beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een besluit op eisers bezwaar te nemen, omdat twijfel bestaat of de op 8 mei 2006 aangehouden persoon eiser of zijn broer is geweest.

Bij besluit van 17 november 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en het besluit van 30 mei 2006 herroepen.

Procedure II

2.3 Nadat eiser op 15 augustus 2006 aan een onderzoek naar zijn geschiktheid om een motorvoertuig te besturen heeft meegewerkt als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de WVW, heeft verweerder bij besluit van 11 september 2006 aan eiser de verplichting opgelegd om mee te werken aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (EMA) ter bevordering van de rijgeschiktheid.

Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 9 januari 2007 (06/4282) eisers verzoek afgewezen.

Op 8 maart 2007 heeft eiser de gronden van bezwaar tijdens een hoorzitting toegelicht.

Bij besluit van 5 juli 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

In augustus 2007 heeft eiser de door hem gevolgde EMA-cursus afgerond.

2.4 Eiser heeft aangevoerd dat hij schade heeft geleden als gevolg van het primaire besluit van 30 mei 2006 (procedure I) en het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 (procedure II), die naar de mening van eiser onrechtmatig zijn. Deze schade wenst eiser vergoed te zien. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen grond bestaat voor schadevergoeding.

2.5 Gezien de standpunten van partijen beoordeelt de rechtbank hieronder eerst of op verweerder een vergoedingsverplichting rust voor schade als gevolg van het primaire besluit van 30 mei 2006 (procedure I), vervolgens of op verweerder een vergoedingsverplichting rust voor schade als gevolg van het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 (procedure II) en tot slot welke schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen.

Procedure I

2.6 De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is en verweerder heeft erkend dat het primaire besluit van 30 mei 2006 onrechtmatig is. Evenmin is in geschil dat geleden schade die het directe gevolg van deze onrechtmatigheid is voor vergoeding in aanmerking komt.

2.7 Gelet op de inhoud van het bestreden besluit van 24 juli 2009 stelt verweerder zich op het standpunt dat de op hem rustende schadevergoedingsverplichting verminderd dient te worden. In het bestreden besluit heeft verweerder niet aangegeven tot welk percentage deze verplichting verminderd zou moeten worden. Gelet op het verhandelde ter zitting dient volgens verweerder de schadevergoedingsverplichting te worden verminderd tot 30%, omdat eiser zijn schade had kunnen beperken door in een vroeg stadium van procedure I een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen. Immers, het op 15 juli 2006 opgemaakt proces-verbaal van een op 8 mei 2006 verrichte aanhouding, op grond waarvan de rechtbank bij uitspraak van 28 mei 2008 het bezwaar gegrond heeft verklaard, was reeds in augustus 2006 voor eiser beschikbaar. De voorzieningenrechter had dan tot dezelfde overwegingen kunnen komen als de rechtsoverwegingen onder nummer 2.11 tot en met 2.13 in de uitspraak van 28 mei 2008. Nu eiser geen verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft ingediend, komt 70% van de gestelde schade voor zijn rekening, aldus verweerder.

2.8 Eiser heeft aangevoerd dat onder de schadebeperkingsplicht niet het voeren van procedures tegen de overheid valt. Verweerder had direct een juiste beslissing moeten nemen. Nu verweerder dat niet heeft gedaan komt 100% van de geleden schade voor rekening en risico van verweerder, aldus eiser.

2.9 De rechtbank is van oordeel dat, hoewel onder omstandigheden van een betrokkene mag worden verwacht dat hij zijn schade tracht te beperken door een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 juni 1998, LJN: ZF3388, en 23 januari 2002, LJN: AD9040), een bestuursorgaan zich tegen over een burger niet erop kan beroepen dat deze de geleden schade had kunnen voorkomen of beperken door een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen, indien het bestuursorgaan op grond van de hem bekende feiten en/of omstandigheden zelf in een vroeg stadium van de procedure de geleden schade had kunnen voorkomen waartoe hij gelet op de hem rustende zorgvuldigheidsplicht ook gehouden was.

2.10 De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 mei 2008 (07/1842), onder nummer 2.11 tot en met 2.13, het volgende overwogen:

“[…] 2.11 De rechtbank constateert dat zich onder de gedingstukken tevens een proces-verbaal bevindt van 6 mei 2006, houdende een op die datum verrichte aanhouding op verdenking van het besturen van een voertuig na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat sprake is van overtreding van in artikel 8, tweede lid, van de WVW94, van een persoon zich noemende [eiser], woonachtig [adres]. Nu dit het adres is waar eiser sinds 29 september 2005 woont, staat genoegzaam - en door eiser ook niet betwist - vast dat de aanhouding op 6 mei 2006 zag op eiser. Overigens rept dit proces-verbaal niet van een tatoeage in de nek.

2.12 In het dossier bevindt zich voorts een (op 15 juli 2006 opgemaakt en getekend) proces-verbaal betreffende een op 8 mei 2006 verrichte aanhouding op verdenking van het besturen van een voertuig na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat sprake is van overtreding van in artikel 8, tweede lid, van de WVW94. In dit proces-verbaal is onder meer vermeld dat de aangehouden persoon, die zich op geen enkele wijze kon identificeren, een tatoeage in de vorm van drie zessen in de nek heeft en dat deze persoon heeft opgegeven te zijn [eiser], wonende aan de [adres].

2.13 Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden betwijfeld of de op 8 mei 2006 aangehouden persoon daadwerkelijk eiser is geweest en is eisers veronderstelling dat de op 8 mei 2006 aangehouden persoon zijn broer is niet onaannemelijk. […]”

Uit het voormelde blijkt dat de rechtbank op basis van de processen-verbaal inzake de aanhoudingen van 6 mei 2006 en 8 mei 2006 tot het oordeel is gekomen dat betwijfeld kan worden of de op 8 mei 2006 aangehouden persoon ook daadwerkelijk eiser is geweest.

2.11 Verweerder heeft bij besluit van 17 november 2008 zich op het volgende standpunt gesteld:

“[…] De rechtbank Utrecht heeft in haar uitspraak van 28 mei 2008 overwogen dat kan worden betwijfeld of de op 8 mei 2006 aangehouden persoon daadwerkelijk betrokkene is geweest en dat diens veronderstelling dat de aangehouden persoon zijn broer is niet onaannemelijk is. Het CBR volgt deze overweging. […]”

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat hoewel in het bestreden besluit de woorden ‘deze overweging’ staat vermeld, bedoeld is te verwijzen naar de overwegingen onder nummer 2.11 tot en met 2.13 van de uitspraak van 28 mei 2008.

2.12 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat ook verweerder op grond van vorenbedoelde processen-verbaal tot het besluit is gekomen dat betwijfeld kan worden of de op 8 mei 2006 aangehouden persoon ook daadwerkelijk eiser is geweest, wat voor verweerder reden is geweest om het bezwaar van eiser gegrond te verklaren en het primaire besluit van 30 mei 2006 te herroepen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting erkend dat verweerder op 26 juli 2006 beide processen-verbaal inzake de aanhoudingen van 6 mei 2006 en 8 mei 2006 heeft ontvangen, dus voordat deze stukken in augustus 2006 ter beschikking van eiser zijn gesteld, en dat verweerder gelet op de inhoud van die processen-verbaal reeds op 26 juli 2006 in de gelegenheid was om een besluit met eenzelfde inhoud als de beslissing op bezwaar van 17 november 2008 te nemen. Nu verweerder reeds op 26 juli 2006 over voormelde processen-verbaal beschikte bracht de zorgvuldigheid welke verweerder jegens eiser betaamt mee dat hij ter voorkoming of beperking van diens schade zo spoedig als mogelijk een besluit met dezelfde inhoud als het besluit van 17 november 2008 had genomen. Nu verweerder dit niet heeft gedaan kan hij zich tegenover eiser niet erop beroepen dat hij de geleden schade had kunnen voorkomen of beperken door

een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat voor vermindering van verweerders schadevergoedingsverplichting jegens eiser zoals verweerder heeft betoogd. Gelet op het voorgaand komt het bestreden besluit van 24 juli 2009 voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat er grond bestaat voor vermindering van voormelde verplichting, voor vernietiging in aanmerking. Het beroep is in zoverre gegrond.

2.13 Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat om toepassing te geven aan een van de bepalingen van 8:72 van de Awb. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.

Procedure II

2.14 Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat nu het besluit van 5 juli 2007 formele rechtskracht heeft verkregen van de rechtmatigheid van dat besluit dient te worden uitgegaan. Gelet hierop alsmede de omstandigheid dat verweerder het besluit van 5 juli 2007 niet heeft herroepen of ingetrokken en evenmin heeft erkend dat het besluit van 5 juli 2007 onrechtmatig is, bestaat geen schadevergoedingsplicht voor verweerder, aldus verweerder.

2.15 Eiser heeft aangevoerd – zo begrijpt de rechtbank – dat (het primaire besluit van 11 september 2006 en in het verlengde daarvan) het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 het gevolg zijn van het onrechtmatige primaire besluit van 30 mei 2006 (procedure I). De omstandigheid dat het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 (procedure II) formele rechtskracht heeft verkregen staat de onrechtmatig van dit besluit niet in de weg. Om die reden bestaat wel een vergoedingsverplichting voor verweerder, aldus eiser.

2.16 De rechtbank overweegt dat uitgangspunt bij een verzoek om schadevergoeding als het onderhavige is dat, als de betrokkene geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de besluiten ten gevolge waarvan hij stelt schade te hebben geleden, van de rechtmatigheid van die besluiten dient te worden uitgegaan. (Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 18 mei 2011, LJN: BQ4895.) Niet in geschil is dat eiser geen rechtsmiddelen tegen het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 heeft ingesteld. Voorts overweegt de rechtbank dat slechts in uitzonderlijke gevallen reden kan bestaan om van voormeld uitgangspunt af te wijken, namelijk indien door toedoen van het bestuursorgaan niet aan betrokkene kan worden toegerekend dat hij de procedure bij de bestuursrechter ongebruikt heeft gelaten of niet heeft voltooid of indien het bestuursorgaan de onrechtmatigheid van het besluit uitdrukkelijk en tijdig heeft erkend. (Vergelijk bijvoorbeeld een uitspraak van de ABRvS van 26 november 2008, LJN: BG5315.) Van een dergelijke erkenning door verweerder is in deze zaak geen sprake. Evenmin is gebleken dat door toedoen van verweerder aan eiser niet kan worden toegerekend dat hij geen rechtsmiddelen heeft ingesteld. Gelet op het voorgaande dient derhalve van de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 te worden uitgegaan, hetgeen betekent dat verweerder niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gestelde schade. Reeds om die reden komt het verzoek om schadevergoeding voor zover dat betrekking heeft op schade die volgens eiser het gevolg is van het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 (procedure II) niet voor inwilliging in aanmerking.

Schade

2.17 Eiser heeft bij brief van 18 december 2008 verweerder verzocht zijn schade te vergoeden. Daarin heeft eiser onder verwijzing naar de bij deze brief gevoegde producties, waaronder een kostenoverzicht, gesteld dat hij de volgende schade – zakelijk weergegeven – heeft geleden:

A. € 25,-- per dag voor de periode dat eiser niet heeft kunnen beschikken over zijn rijbewijs;

B. een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer voor 8 kilometers in verband met ‘bloedafname’;

C. een kilometervergoeding van € 0,19 voor 5,6 kilometers in verband met ‘afhalen medicijn paspoort’;

D. een kilometervergoeding van € 0,19 voor 8 kilometers in verband met ‘een psychiater en lichamelijk onderzoek’;

E. een kilometervergoeding van € 0,19 voor 10,2 kilometers in verband met ‘woensdag 2 april rechtbank Utrecht’;

F. eigen bijdragen (ad € 92,--, € 94,--, € 45,--, € 45,-- € 46,--, € 94,-- € 90) en griffierecht (ad € 143,-- en € 145,--);

G. een kilometervergoeding van € 0,19 voor 114,8 kilometers voor een ‘hoorzitting CBR 8 maart 2007 te Rijswijk’;

H. € 653,82 aan cursuskosten inzake de EMA;

I. een kilometervergoeding van € 0,19 voor 63 kilometers voor het volgen van ‘CBR cursus’;

J. een kilometervergoeding van € 0,19 voor 10,2 kilometers in verband met ‘15 november rechtbank Utrecht’;

K. een kilometervergoeding van € 0,19 voor 246,4 kilometers voor ‘7 keer naar de advocaat om verscheidene zaken te overleggen’;

L. € 1.500,-- aan immateriële schade, omdat van eisers trots en eigenwaarde is aangetast vanwege de lange duur van deze zaak.

Schadepost A

2.18 De rechtbank stelt vast dat verweerder naar aanleiding van het verzoek tot schadevergoeding middels het primaire besluit van 26 maart 2009 zich op het standpunt heeft gesteld dat de schadepost die betrekking heeft op het niet in zijn bezit hebben van het rijbewijs niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat eiser deze post niet heeft onderbouwd of aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelt vast dat eiser noch in bezwaar noch in beroep gronden heeft aangevoerd tegen dit onderdeel van het primaire besluit dat deel uitmaakt van het bestreden besluit van 24 juli 2009. Evenmin heeft eiser stukken in het geding gebracht op grond waarvan wel aannemelijk wordt dat eiser deze schade daadwerkelijk heeft geleden. Gelet hierop komt schadepost A als onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd niet voor vergoeding in aanmerking.

Schadeposten B tot en met E

2.19 Met betrekking tot de schadeposten B tot en met E overweegt de rechtbank dat deze voor vergoeding in aanmerking komen, nu eiser heeft aangevoerd en verweerder niet heeft weersproken dat eiser deze kosten ad € 6,04 als gevolg van het primaire besluit van 30 mei 2006 (procedure I) heeft gemaakt.

Schadepost F

2.20 Gelet op de standpunten van partijen, het verhandelde ter zitting alsmede de bij de brief van 18 december 2008 gevoegde stukken stelt de rechtbank vast, dat tussen partijen niet in geschil is dat de eigenbijdragen ad € 45,--, € 46,-- alsmede € 90,-- en het griffierecht ad € 143, betrekking hebben op procedure I en dat de eigenbijdragen ad € 94,-- alsmede € 45,-- en het griffierecht ad € 145,-- betrekking hebben procedure II. Naar het oordeel van de rechtbank komen de eigen bijdragen en het griffierecht die betrekking hebben op procedure I

als direct gevolg van het primaire besluit van 30 mei 2006 voor vergoeding in aanmerking. Dat eigen bijdragen ingevolge de Wet op de rechtsbijstand niet onder kosten van professionele rechtsbijstand vallen zoals verweerder heeft aangevoerd, doet aan het voormelde niet af.

De eigen bijdragen en het griffierecht die betrekking hebben op procedure II komen vanwege hetgeen onder nummer 2.16 is overwogen niet voor vergoeding door verweerder in aanmerking.

De eigen bijdrage van € 94,-- komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze schade het gevolg is van het besluit van 30 mei 2006. Immers, in de brief met als opschrift “Civiele Toevoeging” van 25 september 2008 staat vermeld dat die toevoeging betrekking heeft op “Beroep fict. weigering beslissen” en de datum van de aanvraag 22 augustus 2008 is. Deze gegevens kan de rechtbank niet relateren aan procedure I.

Schadeposten G, H en I

2.21 Gezien de omschrijving van de schadeposten G, H en I hebben deze posten betrekking op de procedure die is geëindigd met het besluit op bezwaar van 5 juli 2007 (procedure II). Deze posten komen reeds vanwege hetgeen onder nummer 2.16 is overwogen niet voor vergoeding door verweerder in aanmerking.

Schadepost J

2.22 Schadepost J komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu eiser deze post onvoldoende heeft geconcretiseerd en niet heeft onderbouwd. Eiser heeft immers niet aangegeven op welke procedure en/of zitting deze post betrekking heeft. Bovendien blijkt uit de stukken dat de zitting in het kader van de beroepsprocedure met registratienummer 07/1842 inzake procedure I op 2 april 2008 heeft plaatsgevonden. De datum “15 november” kan de rechtbank niet relateren aan procedure I – en evenmin relateren aan procedure II –.

Schadepost K

2.23 De schadepost K komt evenmin voor vergoeding in aanmerking, nu eiser deze post niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd, in het bijzonder niet heeft verduidelijk op welke procedure de zeven ritten betrekking hebben.

Schadepost L

2.24 Eiser heeft bij schrijven van 18 december 2008 in reactie op het besluit van 17 november 2008 aangevoerd dat hij door de lange duur van de procedure immateriële schade heeft geleden, te weten dat bij hem sprake is van spanning en frustratie als gevolg van de procedure. Nu geen sprake is van een juridisch lastige zaak is de redelijke termijn overschreden, aldus eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat nu de periode vanaf het indienen van het bezwaar (3 juli 2006) tot en met het besluit van 17 november 2008 minder dan 3 jaar beslaat, niet kan worden gesproken van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dus geen grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade.

2.25 Gelet op de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) moet de rechtbank deze grond interpreteren als een beroep op overschrijding de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRvS van 4 juni 2008 (LJN: BD3121), overwegingen 2.6 en 2.6.1.

2.26 De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.

2.27 Zoals de ABRvS heeft overwogen in de uitspraak van 24 december 2008, LJN: BG8294, is in zaken, die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren waarbij de in 2.26 vermelde criteria onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten. Zoals de ABRvS verder heeft overwogen in de uitspraak van 4 maart 2009 (LJN: BH4667), dient de rechtbank in gevallen waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is geschonden, daarover op basis van de hiervoor genoemde voor de behandeling van het bezwaar en het beroep gestelde termijnen haar oordeel te geven. Bij die beoordeling geldt dat de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaar mag duren en dat een vertraging bij één van beide behandelingen kan worden gecompenseerd door voortvarendheid bij de andere behandeling.

2.28 Eiser heeft op 3 juli 2006 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van 30 mei 2006. Bij besluit van 26 november 2007 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 28 mei 2008 eisers beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 26 november 2007 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar ten nemen, waarna verweerder bij besluit van 17 november 2008 eisers bezwaar gegrond heeft verklaard en het primaire besluit van 30 mei 2006 heeft herroepen. De rechtbank stelt vast dat de totale duur van de procedure in het totaal ruim twee jaren behelst. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is schending van de redelijke termijn, nu de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen niet meer dan drie jaren heeft geduurd. Eisers stelling dat in dit geval de behandeling van het bezwaar en de behandeling van het beroep tezamen minder dan drie jaren had mogen duren, omdat volgens eiser geen sprake is van een juridisch ingewikkelde zaak en om die reden wel sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, kan de rechtbank gelet op wat in nummer 2.26 en 2.27 is overwogen niet volgen. De ingewikkeldheid van de zaak is een criterium dat volgens vast jurisprudentie van de ABRvS onder omstandigheden aanleiding kan geven de termijn van drie jaren te overschrijden. De jurisprudentie geeft geen aanknopingspunten voor eisers stelling dat dat criterium onder omstandigheden aanleiding kan geven de termijn van drie jaren te verkorten. De beroepsgrond slaagt niet.

2.29 De slotsom luidt dat verweerder gehouden is om een som van (€ 6,04 + € 45,-- + € 46, + € 90,-- + € 143, =) € 330,04 aan eiser te vergoeden.

2.30 Eiser heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten hem te horen alvorens op het bezwaar te beslissen.

2.31 De rechtbank overweegt dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure vormt. Met toepassing van artikel 7:3 van de Awb kan van het horen dan ook slechts worden afgezien indien er, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op hetgeen onder nummer 2.12 is overwogen, niet tot de conclusie kan worden gekomen dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Het beroep is ook hierom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit tevens vernietigen wegens strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

2.32 Echter, gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder nummer 2.13 tot en met nummer 2.29 bestaat aanleiding om het primaire besluit van 26 maart 2009 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 24 juli 2009. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die indien zij waren voorgedragen tijdens een hoorzitting verweerder zouden hebben kunnen leiden tot een andere conclusie dan in genoemde overwegingen zijn verwoord. Dit volgt uit de door verweerder middels het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting ingenomen standpunten. Eiser heeft daarop voldoende kunnen reageren.

2.33 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op de voet van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser als gevolg van het bestreden besluit van 24 juli 2009 gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,--) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Aangezien ten behoeve van eiser een toevoe¬ging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 24 juli 2009;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- herroept het primaire besluit van 26 maart 2009;

- bepaalt dat verweerder de door eiser geleden schade van € 330,04 aan hem vergoedt.

- veroordeelt verweerder in de kosten van dit geding ten bedrage van € 874,--, te betalen aan de griffier van de rechtbank;

- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- aan hem vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Ramsaroep, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2011.

De griffier: De rechter:

mr. N. Groot mr. M. Ramsaroep