Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR4269

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-07-2011
Datum publicatie
05-08-2011
Zaaknummer
723973 UC EXPL 10-19520 YJ4089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg CAO; handhaving recht op seniorenverlof bij overgang van onderneming; Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid

Wetsverwijzingen
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 3
Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/73
JAR 2011/272
AR-Updates.nl 2011-0638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 723973 UC EXPL 10-19520 YJ4089

vonnis d.d. 27 juli 2011

inz[eiser]eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. K.F.J. Machielsen,

tegen:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging met volledige rechtsbevoegdheid FNV Bondgenoten,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen FNV Bondgenoten,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W.M. Engelsman.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 2 februari 2011.

De comparitie is gehouden op 1 maart 2011. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

[eiser] heeft voor repliek en FNV Bondgenoten heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1

[eiser] is per 1 juni 1992 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van FNV Bondgenoten, Rechtskundige Dienst FNV, daarna bij rechtsvoorganger FNV Ledenservice. Vervolgens is zij op grond van overgang van onderneming ex art. 7:662 BW per 1 juli 2004 in dienst gekomen bij FNV Bondgenoten. [eiser] is werkzaam in de functie van secretaresse. [eiser] had laatstelijk een arbeidsovereenkomst voor 30 uur per week en werkte 4 dagen van 7,5 uur per dag.

2.2

[eiser] is lid van FNV Bondgenoten.

2.3

[eiser] is geboren op 11 juni 1947. Zij werd op 11 juni 2004 57 jaar en op 11 juni 2007 60 jaar.

Bij FNV Ledenservice had [eiser] op grond van art. 62 CAO recht op seniorenverlof.

Art 62 CAO bepaalt onder meer het volgende:

“(…)

1. Werknemers met een volledig dienstverband, die de leeftijd van 57 jaar hebben bereikt, hebben - indien zij dat wensen - recht op een arbeidstijdverkorting van 2,5 uur per werkweek voor 57-jarigen, 5 uur per werkweek voor 58-jarigen en 10 uur per werkweek voor degene, die 59 jaar of ouder zijn. (…)

2. De arbeidstijdverkorting bedoeld in lid 1 dient per week plaats te vinden, kan niet worden opgespaard en niet-opgenomen uren komen te vervallen.

(…)”

2.4

Vanaf 57-jarige leeftijd (11 juni 2004) heeft [eiser], met inachtneming van art. 62 CAO voornoemd, iedere dinsdag (ongeveer) 2 uur seniorenverlof opgenomen, vanaf 58 jaar (ongeveer) 4 uur en vanaf 59 jaar (ongeveer) 8 uur. Dit heeft aldus ook plaatsgevonden nadat [eiser] per 1 juli 2004 in dienst kwam bij FNV Bondgenoten en totdat zij op 11 juni 2007 60 jaar werd.

2.5

In de CAO “strekkende tot harmonisatie van arbeidsvoorwaarden en regelingen bij FNV Bondgenoten in verband met de overkomst van medewerkers van FNV Ledenservice naar FNV Bondgenoten per 1 juni 2004” (hierna: Harmonisatie CAO), welke op 1 januari 2005 in werking is getreden, staat onder meer het volgende vermeld:

“ (…)

art. 2 Strekking van deze overeenkomst

Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze overeenkomst vervallen de afspraken en regelingen zoals die bij FNV Ledenservice geldend waren en kunnen daaraan geen aanspraken meer worden ontleend.

Art. 3 Werkingssfeer

Deze overeenkomst is van toepassing op de arbeidsovereenkomst welke per 1 juni 2004 is aangegaan tussen de werkgever en een tot en met 31 mei 2004 in dienst van FNV Ledenservice geweest zijnde werknemer.

(…)

art. 5 Hardheidsclausule

Indien en voor zover tengevolge van door partijen niet voorziene omstandigheden, verband houdend met de individuele situatie van een betrokken medewerker, de onderhavige afspraken tot een kennelijk onbillijke uitkomst leiden, zal de werkgever, na overleg met de werknemer, een passende oplossing treffen waarbij de werkgever bevoegd is om ten gunste van de werknemer van deze afspraken af te wijken.

Indien en voorzover er sprake is van een kennelijk onbillijke uitkomst voor groepen van medewerkers zullen partijen zich met elkaar verstaan over een passende oplossing.

(…)

art. 12 Seniorenverlof

Van toepassing is de bij Bondgenoten geldende regeling inzake leeftijdsverlof (zie Intranet) uitgezonderd de daarin opgenomen overgangsregelingen.

Overgangsafspraken:

(…)

- de medewerker, die op 1 januari 2005, 57, 58 of 59 jaar oud is en die bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd besluit het pensioen of de combinatie van pensioen/vut uit te stellen, ontvangt bij het bereiken van de 60-jarige, 61-jarige, 63-jarige resp. 64-jarige leeftijd een verlofsaldo van:

59 jaar op 1 januari 2005: 208 uur per jaar pensioenuitstel

58 jaar op 1 januari 2005: 104 uur per jaar pensioenuitstel

57 jaar op 1 januari 2005: 52 uur per jaar pensioenuitstel.

(…)”

2.6

In de Regeling seniorenverlof van FNV Bondgenoten (hierna: de Regeling seniorenverlof), waarnaar wordt verwezen in art. 12 van de Harmonisatie CAO staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 3. Opbouw leeftijdsverlof

van 45 t/m 49 jaar: 17,5 uur per jaar

van 50 t/m 54 jaar: 35 uur per jaar

van 55 t/m 56 jaar 105 uur per jaar

van 57 t/m 58 jaar 227,5 uur per jaar

van 59 tot 60 jaar 332,5 uur per jaar

totaal: 1260 uur

(…)

4.2 de toekenning eindigt bij het bereiken van de 60-jarige leeftijd.

(…)

Artikel 6 sparen en spreiden van het verlof

6.1 De werknemer kan de verlofuren, die hij opbouwt tot en met het 56e levensjaar opsparen. De gespaarde uren kunnen gebruikt worden voor latere opname of een aaneengesloten langere verlofperiode.

6.2 Op zijn 57e levensjaar kan de werknemer aangeven of hij/zij de opname van het tijdens dat jaar en volgende jaren op te bouwen verlof en van een eventueel opgespaard verlof vanwege mogelijk uitstel van de datum waarop betrokkene met pensioen zal gaan wenst te spreiden over meerdere jaren (maximaal tot het 65e levensjaar)

6.3 Indien betrokkene van deze spreidingsmogelijkheid gebruik wil maken, bepaalt hij in overleg met de leidinggevende hoe het verlof wordt opgenomen.

(…)

Artikel 8 Algemene Overgangsmaatregel

8.1 De werknemer, die op 1 juli 2004, op grond van de tot die datum voor hem geldende regeling over 2004 meer verlofuren heeft, dan het aantal verlofuren volgens deze regeling, blijft dat meerdere aantal behouden. (…).

(…)

Artikel 10 Bijzondere Overgangsmaatregel 57, 58 en 59-jarigen per 1 juli 2004

10.1 Voor deze groep werknemers geldt de volgende bijzondere overgangsregeling: Ingeval een werknemer die op 1 juli 59, resp. 58, resp. 57 jaar oud is, besluit het pensioen uit te stellen, dan krijgt deze werknemer bij het bereiken van de 60-, respectievelijk 61- 62-63 en 64-jarige leeftijd een extra verlofsaldo toegekend van:

bij 59 jaar op 1 juli 2004: 208 uur per jaar pensioenuitstel

bij 58 jaar op 1 juli 2004: 104 uur per jaar pensioenuitstel

bij 57 jaar op 1 juli 2004: 52 uur per jaar pensioenuitstel.

(…)”

2.7

In de mail van de Dienst P&O van FNV Bondgenoten aan [eiser] van 4 mei 2005 staat onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Beste [X],

Wat betreft je seniorenuren heb je gelijk.

Indien je besluit het pensioen uit te stellen vanaf je 60 ste, stopt daarmee ook de seniorenregeling want die geldt tot en met je 59ste.

Voor degenen die op 1/7/04 57 zijn, hebben recht op seniorenuren van 52 uur per jaar bij pensioenuitstel.

Pensioenuitstel wil zeggen dat je door blijft werken tot na je recht op pensioen (vanaf 60).

Wat betreft het financiële plaatje kun je je vraag neerleggen bij [A]. Deze mail stuur ik ook cc door.

(…)”

2.8

[eiser] heeft besloten om niet op 60-jarige leeftijd, maar later met pensioen te gaan.

Op het moment dat [eiser] de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt heeft FNV Bondgenoten het aantal seniorenuren verminderd van 445,7 uur per jaar naar 44,5 uur per jaar. [eiser] heeft hiertegen geprotesteerd, maar is vanaf 60-jarige leeftijd weer op dinsdagen gaan werken.

2.8

Per 1 oktober 2009, dus op 62-jarige leeftijd, is [eiser] met deeltijd-VUT gegaan. Per 1 juni 2010 is de VUT-regeling gestopt en per die datum is [eiser] met deeltijd-pensioen.

3. De vordering en het verweer

3.1

[eiser] vordert - na akte wijziging eis - dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. voor recht zal verklaren dat het FNV Bondgenoten niet was toegestaan om eenzijdig per 11 juni 2007, toen [eiser] 60 jaar werd, haar seniorenuren in te trekken, althans te verminderen, van 445,7 uur naar 44,5 uur per jaar;

II. voor recht zal verklaren dat [eiser] bij een arbeidsovereenkomst van 30 uur per week op en na 11 juni 2007 recht heeft op 445,7 seniorenuren per jaar, althans op door de kantonrechter te bepalen aantal seniorenuren, tot het moment dat [eiser] volledig met ouderdomspensioen gaat;

III. FNV Bondgenoten zal veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van het vonnis met terugwerkende kracht vanaf 11 juni 2007, althans met ingang van een door de kantonrechter te bepalen datum, althans met ingang van datum vonnis, minimaal 445,7 seniorenuren, althans een door de kantonrechter te bepalen aantal seniorenuren, op jaarbasis aan [eiser] toe te kennen, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat FNV Bondgenoten daarmee nadien in gebreke blijft;

IV. FNV Bondgenoten zal veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van het vonnis met terugwerkende kracht vanaf 11 juni 2007 het verlofsaldo van [eiser] te vermeerderen met 445,7 uur per jaar, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat FNV Bondgenoten daarmee nadien in gebreke blijft;

V. FNV Bondgenoten zal veroordelen om, indien en voor zover [eiser] per datum einde dienstverband niet-opgenomen verlofuren heeft, die verlofuren uit te betalen op kosten van FNV Bondgenoten en overigens op een door [eiser] aan te geven wijze, waaronder begrepen uitbetaling middels een extra storting in het ouderdomspensioen van [eiser];

VI. dan wel een door de kantonrechter te nemen beslissing;

VII. met veroordeling van FNV Bondgenoten in de kosten van deze procedure.

Subsidiair:

I. FNV Bondgenoten zal veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis met ingang van 11 juni 2007, althans met ingang van een door de kantonrechter te bepalen datum, [eiser] 445,7 seniorenuren per jaar, althans een door de kantonrechter te bepalen aantal seniorenuren per jaar, toe te kennen en toegekend te houden totdat partijen gebonden zijn aan een krachtens CAO geldende nieuwe regeling levensfasebewust personeelsbeleid dat het huidige seniorenverlof vervangt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat FNV Bondgenoten daarmee nadien in gebreke blijft;

II. FNV Bondgenoten zal veroordelen om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht vanaf 11 juni 2007, althans met ingang van een door de kantonrechter te bepalen datum, het vakantiesaldo van [eiser] te vermeerderen en vermeerderd te houden met 445,7 uur per jaar, althans met een door de kantonrechter te bepalen aantal seniorenuren per jaar, totdat partijen gebonden zijn aan een krachtens CAO geldende nieuwe regeling levensfasebewust personeelsbeleid dat het huidige seniorenverlof vervangt, een en ander op straffe van een een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat FNV Bondgenoten daarmee nadien in gebreke blijft;

Meer subsidiair:

III. dan wel een andere door de kantonrechter tijdelijk te treffen voorziening

en overigens:

met veroordeling van FNV Bondgenoten in de kosten van deze procedure.

3.2

Hetgeen [eiser] aan haar vordering ten grondslag heft gelegd, komt hierna bij de beoordeling aan de orde, evenals het door FNV Bondgenoten gevoerde verweer.

4. De beoordeling

4.1

FNV Bondgenoten heeft allereerst aangevoerd dat [eiser] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat de onderhavige CAO het karakter van een standaard CAO heeft, waarvan partijen niet af kunnen wijken. Op grond daarvan had [eiser] zich moeten wenden tot het orgaan dat de belangen van de werknemers behartigt bij het overeenkomen van de CAO, de Sectorraad Vakbonden (hierna: de Sectorraad).

Dit verweer verwerpt de kantonrechter, nu [eiser] terecht stelt dat het feit dat zij ook andere mogelijkheden heeft, niet uitsluit dat zij bevoegd is haar vordering, die onder meer op art. 7:611 BW is gegrond, aan de rechter voor te leggen.

4.2

De centrale vraag in de onderhavige procedure is of [eiser] ook na haar 60e jaar aanspraak kan blijven maken op het aantal seniorenverlofdagen dat zij in haar 59e jaar mocht opnemen.

4.3

De meest verstrekkende stelling van [eiser] is dat de in art. 62 lid 1 CAO FNV Ledenservice opgenomen aanspraak op seniorenverlof tot haar pensionering geïncorporeerd is in de arbeidsovereenkomst, op grond waarvan het FNV Bondgenoten niet was toegestaan deze aanspraak te verminderen door toepasselijkverklaring in de Harmonisatie CAO van de Regeling seniorenverlof.

Dit standpunt verwerpt de kantonrechter. Partijen zijn, doordat zij lid zijn van de partijen die de Harmonisatie CAO hebben gesloten, gebonden aan deze opvolgende CAO.

Voorzover [eiser] stelt dat FNV Bondgenoten niet bevoegd is om eenzijdig wijzigingen aan te brengen in de arbeidsvoorwaarden, gaat dit standpunt niet op, omdat het leerstuk van de eenzijdige wijziging (met toepassing van het in de art. 7:613, 7:611 of de art. 6:258 dan wel art. 6:248 BW bepaalde) in beginsel niet toepasselijk is op de gebondenheid aan een CAO.

Evenmin kan aangenomen worden dat sprake is van een verworven recht, nu daarvan alleen sprake kan zijn - en daarop zien de door [eiser] geciteerde arresten van de Hoge Raad - bij de zogenaamde nawerking van algemeen verbindend verklaarde bepalingen van de CAO. Daarvan is in de onderhavige situatie echter geen sprake.

4.4

De tweede te beantwoorden vraag is de volgende: is er sprake van een verboden onderscheid als bedoeld in art. 1 Wet Gelijke Behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)?

[eiser] stelt daartoe allereerst dat art. 12 van de Harmonisatie CAO nietig is vanwege strijdigheid met art. 3 sub e en/of sub c WGBL en wel op grond van art. 13 jo. 16 WGBL.

Het gevolg daarvan is dat de CAO FNV Ledenservice, ook nadat [eiser] per 1 juli 2004 van rechtswege is overgegaan naar FNV Bondgenoten, van toepassing is gebleven op grond van art. 14a lid 1 Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst (hierna: Wet CAO) en art. 7:662 e.v. BW (overgang van onderneming). En dus is art. 62 lid 1 CAO FNV Ledenservice van toepassing gebleven, op grond waarvan [eiser], gelet op de hierboven in nr. 2.3 geciteerde formulering van dit artikellid, ook na haar 59e aanspraak kan maken op seniorenverlof.

Voorts stelt [eiser] dat FNV Bondgenoten een verboden onderscheid maakt op grond van leeftijd, namelijk tussen 60-minners en 60-plussers, terwijl hiervoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat. (art. 3 sub e). Daarnaast maakt FNV Bondgenoten een verboden onderscheid nu zij [eiser] (indirect) verplicht om vervroegd met pensioen te gaan, aldus [eiser].

FNV Bondgenoten, op haar beurt, stelt dat de huidige Regeling seniorenverlof zèlf in strijd is met de WGBL: dat werknemers reeds voor hun 60e extra verlof is toegekend is reeds in strijd met de WGBL. FNV Bondgenoten verwijst daarvoor naar uitspraken van de Commissie gelijke behandeling (CGB) die geoordeeld heeft dat het toekennen van extra vakantiedagen aan oudere werknemers vanwege hun leeftijd en mogelijk verminderde inzetbaarheid in strijd is met de WBGL, behalve indien dergelijke regelingen ingebed zijn in levensfasebewust personeelsbeleid. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, althans een nieuwe regeling daarover is tot op heden afgewezen door de Sectorraad. Gelet op onder meer een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 april 2010, JAR 2010, 143, is FNV Bondgenoten gerechtigd de Regeling (geheel) in te trekken. Evenzeer kan [eiser] geen rechten ontlenen aan een met de WGBL strijdige regeling.

4.5

Hieromtrent overweegt de kantonrechter als volgt. Allereerst is de kantonrechter met betrekking tot de stellingen van FNV Bondgenoten op dit punt van oordeel dat de geciteerde uitspraken van de CGB en het Hof te Arnhem in het onderhavige geval niet aan de orde zijn: in deze zaken ging het immers om de vraag of een werkgever bevoegd was de regeling inzake het seniorenverlof in te trekken op basis van strijdigheid met de WGBL. In de onderhavige situatie is er geen sprake van dat FNV Bondgenoten de thans geldende regeling wil intrekken, doch gaat het om de vraag of in de huidige regeling zèlf een verboden onderscheid wordt gemaakt, dan wel dat de regeling [eiser] ten onrechte (indirect) dwingt op een eerder tijdstip met pensioen te gaan dan zij zelf verkiest.

4.6

Met betrekking tot hetgeen [eiser] heeft gesteld is de kantonrechter van oordeel dat in het midden kan blijven of art. 12 Harmonisatie CAO nietig is op de door [eiser] gestelde gronden, omdat art. 2 van de Harmonisatie CAO bepaalt dat de afspraken en regeling zoals die bij FNV Ledenservice geldend waren zijn vervallen vanaf de inwerkingtreding van de Harmonisatie CAO. Reeds op grond daarvan is art. 62 CAO FNV Ledenservice vervallen.

Voorts is de kantonrechter van oordeel dat de huidige Regeling inzake het leeftijdsverlof op zichzelf beschouwd niet een verboden onderscheid maakt tussen 60-minners en 60-plussers, omdat daarin de mogelijkheid van spreiding van het totaal aantal uren is opgenomen, ook na het 60e jaar. De regeling geeft de werknemer de mogelijkheid om het totaal aantal uren te verdelen over de periode vanaf het 45e jaar tot en met het 65e jaar. Aldus is er ook geen sprake van dat deze regeling de werknemer dwingt om eerder met pensioen te gaan dat deze zelf wenst: het totaal aantal uren kan immers gespreid worden opgenomen tot en met het 65e jaar.

Uit het voorgaande volgt dat de regeling zelf geen verboden onderscheid in meerbedoelde zin maakt.

4.7

In vervolg daarop is de vraag aan de orde of FNV Bondgenoten in strijd met de beginselen van goed werkgeverschap op grond van art. 7:611 BW handelt door [eiser] na haar 59e jaar de daarvoor genoten seniorendagen te onthouden.

Op dit punt is de kantonrechter van oordeel dat, zoals hierboven in nr. 4.6 is overwogen, de Regeling seniorenverlof zèlf weliswaar geen verboden onderscheid naar leeftijd maakt, doch dat deze Regeling voor een werknemer die, zoals [eiser], op het moment dat de Harmonisatie CAO op hem/haar van toepassing werd al 57 jaar of ouder was en op wie vóór dat moment de Regeling voor leeftijdsverlof van de CAO FNV Ledenservice van toepassing was, wèl onbegrijpelijk en onredelijk uitwerkt en wel op grond van het volgende:

a. de tekst van de regeling van FNV Ledenservice ziet wel op seniorenverlof na het 59e jaar, dit blijkt uit de woorden “59 jaar en ouder” in art. 62 lid 1 van de CAO FNV Ledenservice;

b. de regeling van FNV Ledenservice bood expliciet geen mogelijkheid om verlof te sparen c.q. te spreiden.

Tegen deze achtergrond had het op de weg van FNV Bondgenoten gelegen om [eiser] er bij het toepasselijk worden van de Harmonisatie CAO, uitdrukkelijk op te wijzen dat deze twee essentiële verschillen met de CAO FNV Ledenservice betekenden dat [eiser] zich er direct op moest bezinnen op welke wijze zij vanaf dat moment van het seniorenverlof gebruik zou gaan maken. FNV Bondgenoten heeft niet dan wel onvoldoende betwist dat zij dit heeft nagelaten: dat zij dit heeft nagelaten valt naar het oordeel van de kantonrechter bovendien af te leiden uit de door FNV Bondgenoten zelf overgelegde email van personeelszaken van 4 mei 2005 aan [eiser]: daarin staat slechts dat de seniorenregeling vanaf het 60e jaar stopt, doch niets over (de mogelijkheid en de noodzaak van) spreiding van de verlofuren, noch over de koppeling daarvan aan de datum waarop [eiser] met pensioen zou willen gaan. Daartoe was temeer aanleiding in het geval van [eiser], die op het moment van toepasselijk worden van de Harmonisatie CAO nog aan het begin van de periode van opname van seniorenverlof stond en aldus nog veel had kunnen spreiden.

Bovendien is niet gesteld of gebleken of en in hoeverre [eiser], ter gelegenheid van het toepasselijk worden van de huidige Regeling seniorenverlof, gebruik kon maken voor latere opname van verlofuren die tot en met het 56e jaar hadden kunnen worden opgespaard (157 uur), zoals bepaald in de art. 2 en 6 van de huidige Regeling seniorenverlof.

4.9

Het is op grond daarvan dat de Regeling seniorenverlof zoals die thans geldt voor werknemers zoals [eiser] onverklaarbaar en onbegrijpelijk uitwerkt, nu niet valt in te zien dat een redelijk seniorenbeleid inhoudt dat een werknemer tot zijn of haar 60e gedeeltelijk wordt ontlast, doch daarna weer volledig aan de slag moet. En daarmee feitelijk gedwongen wordt om eerder met (al dan niet gedeeltelijk) pensioen te gaan dan hij/zij wenst. Dat, zoals FNV Bondgenoten stelt dit te wijten is aan het feit dat de oorspronkelijke seniorenregeling geënt was op het gegeven dat werknemers doorgaans op hun 60e met pensioen gingen, doet daaraan niet af: weliswaar is de pensioenleeftijd (pas) in 2006 opgetrokken naar 65 jaar, doch FNV Bondgenoten heeft niet betwist dat werknemers er ook vóór 2006 voor konden kiezen om door te werken tot en met het 65e levensjaar.

Ook het feit dat FNV Bondgenoten stelt dat zij bezig is met een leeftijdsbewust personeelsbeleid te ontwikkelen maakt het vorenstaande niet anders: het gaat niet aan dat werknemers zoals [eiser] door het uitblijven van een evenwichtig leeftijdsbewust personeelsbeleid tussen de wal en het schip vallen.

Dat toewijzing van de vordering tot hoge kosten voor FNV Bondgenoten zou leiden is een omstandigheid die evenmin het hiervoor overwogene beïnvloedt: het komt voor risico van FNV Bondgenoten dat zij [eiser] niet op tijd op de spreidingsmogelijkheid heeft gewezen en dat zij tot op heden niet een evenwichtige overgangsregeling heeft voor werknemers zoals [eiser].

4.10

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat FNV Bondgenoten zich niet als goed werkgever in de zin van art. 7:611 BW heeft opgesteld. Nu het aan FNV Bondgenoten te maken verwijt niet gelegen is in de Regeling seniorenverlof zelf, doch in de toepassing daarvan ten aanzien van werknemers zoals [eiser], ligt het naar het oordeel van de kantonrechter niet voor de hand om FNV Bondgenoten te veroordelen om [eiser] tot haar 65e jaar hetzelfde verlof toe te kennen dat zij op haar 59e jaar heeft: daarmee zou [eiser] (in totaal) een hoger verlofsaldo worden toegekend dan andere werknemers. Wel acht de kantonrechter het redelijk dat [eiser] het totaal aantal verlofuren dat in de Regeling seniorenverlof is genoemd (1260 uur) krijgt toegekend, waarop in mindering strekt het aantal uren dat zij reeds heeft opgenomen. Nu FNV Bondgenoten niet heeft betwist dat [eiser], zoals zij stelt, in totaal 552 uur heeft opgenomen gedurende haar 57e, 58e en 59e levensjaar, gaat de kantonrechter ervan uit dat [eiser], uitgaande van het in art. 3 van de Regeling seniorenverlof (zie hierboven in nr. 2.6) genoemde totaal van 1260 uur, nog recht heeft op 708 uur verlof. De kantonrechter zal FNV Bondgenoten derhalve op de hieronder te formuleren wijze veroordelen om [eiser] alsnog dit aantal verlofuren toe te kennen.

De door [eiser] gevorderde dwangsommen zullen eveneens worden toegewezen, zij het dat aan elk daarvan een maximum van € 20.000,-- wordt verbonden.

4.11

Nu FNV Bondgenoten grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser].

5. De beslissing

De kantonrechter:

I. verklaart voor recht dat het FNV Bondgenoten niet was toegestaan om eenzijdig per 11 juni 2007, toen [eiser] 60 jaar werd, haar seniorenuren in te trekken;

II. verklaart voor recht dat [eiser] bij een arbeidsovereenkomst van 30 uur per week op en na 11 juni 2007 recht heeft op 708 seniorenuren tot het moment dat zij volledig met ouderdomspensioen gaat;

III. veroordeelt FNV Bondgenoten om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht vanaf 11 juni 2007 tot het moment dat [eiser] volledig met ouderdomspensioen gaat, 708 seniorenuren aan [eiser] toe te kennen, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat FNV Bondgenoten daarmee nadien in gebreke blijft, tot een maximum van

€ 20.000,--;

IV. veroordeelt FNV Bondgenoten om binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis met terugwerkende kracht vanaf 11 juni 2007 het verlofsaldo van [eiser] over de periode van 11 juni 2007 tot het moment dat [eiser] volledig met ouderdomspensioen gaat, te vermeerderen met 708 uur per jaar, zulks op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat FNV Bondgenoten daarmee nadien in gebreke blijft, tot een maximum van € 20.000,--;

V. veroordeelt FNV Bondgenoten om, indien en voor zover [eiser] per datum einde dienstverband niet-opgenomen verlofuren heeft, die verlofuren uit te betalen op kosten van FNV Bondgenoten en overigens op een door [eiser] aan te geven wijze, waaronder begrepen uitbetaling middels een extra storting in het ouderdomspensioen van [eiser];

VI. veroordeelt FNV Bondgenoten tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.057,93, waarin begrepen € 900,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.A.M. Jacobs, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2011.