Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3549

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-07-2011
Datum publicatie
29-07-2011
Zaaknummer
292619 - HA ZA 10-1940
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:BZ7786, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indemniteitsbeginsel. Maakt BPM onderdeel van dagwaarde auto uit als de BPM eerder is teruggevorderd van de fiscus. I.c. geen recht op vergoeding BPM wegens strijd met indemniteitsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 292619 / HA ZA 10-1940

Vonnis van 6 juli 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.F. Keuchenius,

tegen

de naamloze vennootschap

FORTIS ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort.

Partijen zullen hierna [eiser] en ASR genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 december 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 8 maart 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft op 20 juni 2008 een Mercedes, type Viano gekocht voor de prijs van € 84.444,86 inclusief BTW en BPM. De auto werd gebruikt in de taxi-onderneming die [eiser] in samenwerking met zijn zoon [A] dreef.

2.2. De Mercedes is door [eiser] verzekerd bij ASR. De cascodekking bedraagt

€ 76.172,52 met de toevoeging: “Schadevergoeding is exclusief B.T.W.”.

2.3. Op 24 juni 2009 is de Mercedes van [eiser] gestolen.

2.4. De schade is door het expertisebureau CED Bergweg vastgesteld op € 35.000,-- exclusief BTW en exclusief BPM. In het rapport wordt opgemerkt”: “Van de boekhouder van verzekerde vernamen wij dat de BPM reeds is teruggevorderd. Bij de waardebepaling hebben wij de (rest)BPM derhalve buiten beschouwing gelaten.”

2.5. De (rest-)BPM bedraagt € 17.903,--

2.6. Op 25 augustus 2009 heeft de raadsman van [eiser] ASR aangemaand tot betaling, gesommeerd en in gebreke gesteld.

2.7. Op 22 september 2009 is door ASR een bedrag van € 35.000,-- betaald op de rekening van de financieringsmaatschappij die de auto van [eiser] had gefinancierd.

2.8. De op de polis toepasselijke voorwaarden Bijzondere Voorwaarden Personenverzekering Casco Compleet bepalen in artikel 14 het volgende:

“1. Bij verlies van de personenauto na een gebeurtenis zoals omschreven in artikel 4.3 (diefstal enz.) vergoeden wij de schade pas:

- na een termijn van dertig dagen nadat wij de melding van de gebeurtenis hebben ontvangen;

- nadat u de eigendomsrechten van de personenauto aan ons hebt overgedragen en

- nadat u alle delen van het kentekenbewijs, het overschrijvingsbewijs en de sleutels van de personenauto aan ons of aan de door ons aan te wijzen partij hebt overhandigd.

2. Wanneer u binnen 30 dagen na de melding van de gebeurtenis de beschikking kunt krijgen over de personenauto, moet u deze terugnemen. Wij vergoeden in dat geval de schade die aan de personenauto is ontstaan in de tijd dat u deze niet ter beschikking had ten gevolge van de gebeurtenis.

3. ……”

2.9. In artikel 9 lid 1 van de eveneens op de polis toepasselijke Algemene Voorwaarden Bedrijfsverzekeringen is bepaald:

“Wij vergoeden de schade aan de verzekerde zaak binnen 4 weken nadat wij alle gegevens in ons bezit hebben die betrekking hebben op de schade en voor ons noodzakelijk zijn om de schade te kunnen beoordelen. Binnen deze termijn zijn wij geen wettelijke rente verschuldigd..”

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat - primair veroordeling van ASR tot betaling van € 17.903,--, vermeerderd met rente en kosten. Subsidiair vordert [eiser] veroordeling van ASR tot betaling van € 16.684,94, vermeerderd met rente en kosten, wegens vertraging bij de uitbetaling van de schade door ASR.

3.2. ASR voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het aanvankelijk door ASR gevoerde verweer inhoudende dat de vorderingen van [eiser] verjaard zijn in verband met de in de polisvoorwaarden opgenomen bepaling dat een betwisting van een afwijzing van dekking of een aanbod tot vergoeding van schade als definitieve regeling uiterlijk 6 maanden na het door verzekerde bekend zijn geworden met het desbetreffende standpunt moet zijn verricht is ter comparitie ingetrokken nadat gebleken was dat ASR niet voldaan had aan het vereiste dat voortvloeit uit artikel 7:942 lid 3 BW, te weten het uitdrukkelijk wijzen van haar verzekerde op de aanvang van deze korte verjaringstermijn.

De BPM-kwestie

4.2. [eiser] stelt tot uitkering van de BPM als onderdeel van de door ASR uit hoofde van de tussen partijen geldende polis gerechtigd te zijn nu het verzekerde bedrag op de polis inclusief BPM is, althans op het polisblad alleen vermeld staat dat de BTW geen onderdeel van de schade(uitkering) vormt. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar een uitspraak van de (toenmalige) Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf (III-98/33) gepubliceerd in Verkeersrecht 1999, 195. Voorts betwist [eiser] dat uitkering van de BPM in strijd zou komen met het indemniteitsbeginsel omdat hij niet in staat was om met de uitkering van € 35.000,-- een auto aan te schaffen die gelijkwaardig was aan de één jaar daarvoor aangeschafte Mercedes.

4.3. ASR heeft erop gewezen dat de door [eiser] betaalde BPM (oorspronkelijk

€ 28.022,00, het verschil met het gevorderde bedrag van € 17.903,00 is gelegen in de afschrijving over de periode tussen aankoop en diefstal van het voertuig) door hem is terug ontvangen van de Belastingdienst. De onderhavige zaak is naar het oordeel van ASR mede daarom ook niet vergelijkbaar met de zaak waarover de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf een uitspraak heeft gedaan omdat in die zaak de verzekerde vrijgesteld was van BPM ten tijde van de aanschaf van het verzekerde voertuig, maar wel BPM moest betalen bij de aanschaf van een vervangend voertuig en hij daarom niet in een duidelijk voordeliger positie kwam door de vergoeding van BPM. [eiser] komt volgens ASR wel in een duidelijker voordeliger positie door vergoeding van de BPM als onderdeel van de diefstalschade omdat hij in dat geval meer dan het door hem voor de Mercedes betaalde bedrag uitgekeerd zou krijgen.

4.4. Uitgangspunt krachtens artikel 7:960 BW is dat de verzekerde niet een vergoeding mag ontvangen die hem in een duidelijker voordeliger positie brengt. De in het artikel genoemde uitzonderingen op dit beginsel, voorafgaande taxatie door een deskundige dan wel een beslissing van partijen op basis van een advies van een deskundige, doen zich in deze zaak niet voor.

4.5. [eiser] heeft als taxi-ondernemer de door hem bij de aankoop van de Mercedes betaalde BPM teruggevorderd van de belastingdienst. Op het moment van de diefstal was blijkens de polisvoorwaarden de dagwaarde van de Mercedes verzekerd. Dagwaarde wordt in de literatuur gedefinieerd als de nieuwwaarde, te verminderen met een aftrek wegens waardevermindering door ouderdom of slijtage (vgl. Kremer, Het indemniteitsprincipe, W.E.J. Tjeenk Willink, Zwolle, 1998, p. 95). In de meeste gevallen is de betaalde BPM een onderdeel van de dagwaarde van een auto. Dat ligt in dit geval anders omdat [eiser] de BPM zelf reeds had terugontvangen en de BPM voor hem dus geen onderdeel van de dagwaarde meer uitmaakte. Als [eiser] de Mercedes had verkocht nadat hij de BPM had terugontvangen dan was de auto BPM-plichtig geweest en was de (wederom) te betalen (rest-)BPM door een koper verdisconteerd in de te betalen koopprijs. Reeds hierom zou [eiser] naar het oordeel van de rechtbank in een duidelijk voordeliger positie raken als de (rest-)BPM aangemerkt zou moeten worden als een onderdeel van de dagwaarde van de Mercedes op het moment van diefstal.

4.6. Ook het door ASR aangedragen argument treft doel. Na aftrek van BTW en BPM heeft [eiser] circa € 49.000,00 betaald voor de Mercedes. Indien de BPM ter hoogte van € 17.903,00 door ASR betaald zou moeten worden dan zou [eiser] circa € 53.000,00 aan schadevergoeding ontvangen voor een auto die 1 jaar oud was en meer dan 110.000 kilometer had gereden sinds de aanschaf voor - zoals hiervoor aangegeven - circa € 4.000,00 minder. Daarmee zou [eiser] in een duidelijk voordeliger positie als bedoeld in artikel 7:960 BW gebracht worden. Het argument van [eiser] dat hij voor € 35.000,00 geen gelijkwaardige vervangende auto kon kopen is dan ook in die zin onjuist dat hij bij dat bedrag de (rest-)BPM dient op te tellen of de door hem voor de Mercedes terug ontvangen BPM.

4.7. De door [eiser] overgelegde uitspraak van de (voormalige) Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf maakt het voorafgaande niet anders. In de aan die zaak ten grondslag liggende casus was er bij aankoop van de betrokken auto door een beroepsmilitair kennelijk geen BPM betaald op grond van een vrijstellingsregeling en was door de verzekeraar niet weersproken dat de beroepsmilitair met een schade-uitkering exclusief BPM geen gelijkwaardige tweedehands auto kon kopen (naar de rechtbank aanneemt inclusief BPM). In de onderhavige zaak heeft [eiser] BPM betaald en teruggekregen van de fiscus en dus is er - zoals ASR terecht heeft opgemerkt bij conclusie van antwoord - geen sprake van door hem te betalen BPM die hij niet eerder vergoed heeft gekregen zoals in de zaak die aan de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf is voorgelegd.

4.8. De primaire vordering van [eiser] dient derhalve te worden afgewezen.

Vertragingsschade

4.9. De subsidiaire vordering van [eiser] ziet op door hem geleden schade als gevolg van de te late uitkering van de schade door ASR. [eiser] heeft zijn bedrijf niet kunnen uitoefenen gedurende twee maanden na het verstrijken van de datum waarop ASR had dienen uit te keren. [eiser] beroept zich in dat kader op de onder 2.8 van dit vonnis geciteerde polisbepaling waaruit naar zijn mening voortvloeit dat ASR 30 dagen na melding van de diefstal had dienen uit te keren terwijl dit pas gebeurd is op 22 september 2009, dat wil zeggen bijna drie maanden na de melding van de diefstal.

4.10. ASR verweert zich primair met de stelling dat de eigendom van de gestolen Mercedes haar pas op 18 september 2009 is overgedragen door de juridisch eigenaar, de leasemaatschappij. Dit verweer kan ASR in ieder geval niet baten. Gesteld noch gebleken is dat ASR de eigendomsoverdracht niet (veel) eerder had kunnen bewerkstelligen. In ieder geval kan ASR niet naar eigen believen de polistermijn na het verstrijken waarvan zij tot uitkering dient over te gaan verlengen door zelf stil te zitten, althans niet voldoende voortvarend te handelen.

4.11. Als tweede verweer tegen de vordering wegens vertragingsschade heeft ASR zich beroepen op de onder 2.9 van dit vonnis geciteerde bepaling. ASR stelt dat zij een sleutelonderzoek heeft laten uitvoeren door het L.I.V. naar de sleutels van de Mercedes. De resultaten daarvan zijn pas op 18 september 2009, althans zo begrijpt de rechtbank de stellingen van ASR, telefonisch en eerst op 13 oktober 2009 schriftelijk, bekend geworden. Volgens ASR gaat het hier om ‘gegevens die noodzakelijk zijn om de schade te beoordelen’ als bedoeld in de Algemene Voorwaarden Bedrijfsverzekeringen.

Ook dit verweer kan ASR niet baten. Ten eerste gaan bijzondere voorwaarden boven algemene voorwaarden bij de uitleg van een polis en dat ligt in de onderhavige situatie eens temeer voor de hand nu de bijzondere voorwaarden voor de casco-dekking van de verzekerde Mercedes geschreven zijn terwijl de door ASR ingeroepen algemene voorwaarden op alle door [eiser] afgesloten bedrijfsverzekeringen zien. Ten tweede is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van ‘gegevens die noodzakelijk zijn om de schade te beoordelen’. Dat ASR sleutelonderzoek wilde verrichten naar de door [eiser] ingeleverde sleutels en door L.I.V. bij de fabrikant/importeur wilde laten navragen of er sleutels gekopieerd of nageleverd waren is haar goed recht maar is niet noodzakelijk voor het beoordelen van de schade. Daarbij speelt een rol dat ASR niet gesteld heeft dat er sprake is geweest van enige verdenking jegens [eiser] in verband met de diefstal van de Mercedes. Ten slotte is het de keuze van ASR geweest om het sleutelonderzoek via L.I.V. te laten verlopen en dat niet zelf ter hand te nemen.

4.12. Doel en strekking van de 30-dagen termijn zoals genoemd in artikel 14 van de polisvoorwaarden zoals hiervoor geciteerd, blijkt mede uit het tweede lid waarin bepaald wordt – kort gezegd - dat als een voertuig binnen 30 dagen weer ter beschikking van de verzekerde kan komen er geen uitkering wegens verlies van het voertuig verschuldigd is. Dit in samenhang met de formulering van het eerste lid waarin staat, ‘vergoeden wij de schade pas’, houdt naar aan te nemen verband met het gegeven dat daar waar het verlies van een auto verband houdt met diefstal of joy-riding een aantal voertuigen binnen 30 dagen weer ter beschikking komt of kan komen van verzekerden en verzekeraars in dat kader niet een schadevergoeding op basis van totaal verlies wensen te betalen maar (alleen) de schade die door het tijdelijke verlies is ontstaan, zoals reparaties of braakschade.

4.13. Met [eiser] is de rechtbank dan ook van oordeel dat de schade-uitkering na het verstrijken van de 30 dagen termijn na het melden van de diefstal had dienen te geschieden, nu niet gesteld of gebleken is dat de overige voorwaarden die de polis stelt aan het doen van uitkering door toedoen van [eiser] niet vervuld zijn. De melding van de diefstal heeft plaatsgevonden volgens ASR op 24 juni 2009 en de 30 dagen termijn was derhalve op 25 juli 2009 in ieder geval verstreken. Gelet op de aard en strekking van de termijn was ASR ook vanaf die datum in verzuim.

4.14. Door ASR is verder aangevoerd dat de door [eiser] gevorderde vertragingsschade in ieder geval beperkt is tot de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW, waarin schade die ontstaan is als gevolg van vertraging in de voldoening van een geldsom gefixeerd is op die rente. Dit verweer treft doel. De verbintenis die op ASR rustte betrof de betaling van een geldsom en er moet daarom van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van ASR sprake zijn die zodanig ernstig genoemd moet worden dat er naast, of in plaats van, vergoeding van wettelijke rente ook andere schade gevorderd kan worden. Hierover overweegt de rechtbank dat [eiser] ASR op 25 augustus 2009 gesommeerd heeft om tot uitkering van de dagwaarde van de Mercedes over te gaan en in dat kader is vermeld dat [eiser] schade leed door het als gevolg van het uitblijven van betaling door ASR niet kunnen uitoefenen van zijn taxibedrijf. Dat is een omstandigheid die in principe voor risico van [eiser] komt, althans zonder een nadere toelichting die ontbreekt, niet kan leiden tot de conclusie dat ASR in een mate tekortgeschoten is die aanleiding zou kunnen vormen om af te wijken van het wettelijk stelsel waarin vertragingsschade gefixeerd is op de wettelijke rente. [eiser] heeft in dit kader niet gesteld dat de financieringsmaatschappij geweigerd heeft een nieuwe financiering te verstrekken en ook de gestelde beëindiging van het taxibedrijf door [eiser] als gevolg van de handelwijze van ASR is niet nader onderbouwd of gedocumenteerd.

4.15. Een en ander leidt tot de conclusie dat ASR de wettelijke rente vanaf 25 juli 2009 tot de betalingsdatum van 22 september 2009 over het schadebedrag van € 35.000,-- aan [eiser] dient te voldoen, dit te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 22 september 2009 tot de dag van voldoening.

4.16. Met betrekking tot de proceskosten overweegt de rechtbank dat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld en dat daarom de proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Daarbij speelt een rol dat ASR de discussie over de primaire vordering ter zake van de BPM eenvoudig had kunnen vermijden door haar polis/polisblad duidelijker te redigeren, althans beter te laten aansluiten bij de situatie van [eiser] waarin sprake was van een ondernemer die BPM terug kon vorderen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de primaire vordering af,

5.2. veroordeelt ASR tot betaling van de wettelijke rente over € 35.000,--, berekend vanaf 25 juli 2009 tot 22 september 2009, te vermeerderen met de wettelijke rente over het op basis van voornoemde periode verschuldigde bedrag van 22 september 2009 tot de dag van voldoening,

5.3. compenseert de proceskosten in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2011.