Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3313

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
16/440017-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van meer dan zeven maanden zijn ex-vriendin stelselmatig lastig gevallen door haar, haar familie en vrienden buitensporig veel te bellen en haar onder meer vele e-mailberichten en SMS-berichten te sturen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440017-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [woonplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. M.Th.M. Zumpolle, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de, overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering gewijzigde, tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich gedurende een periode van ongeveer zeven maanden schuldig heeft gemaakt aan stalking van zijn ex-vriendin en tevens dat hij haar met de dood heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie ter zake van het onder 3 tenlastegelegde

Nu is gebleken dat de onder feit 3 ten laste gelegde periode valt binnen de onder feit 1 ten laste gelegde periode en dit eenzelfde verwijt betreft, dient de officier van justitie op de voet van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu verdachte niet tweemaal voor hetzelfde feit kan terechtstaan.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 5 juli 2011;

- de aangifte van [aangever 1];

- de aangifte van [aangever 2];

- een screenprint;

- een screenprint;

- een screenprint.

Genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 23 juni 2010 tot en met 15 februari 2011 te [woonplaats] en/of [woonplaats], wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 2], met het oogmerk die [aangever 2] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk meermalen,

- die [aangever 2] en/of één of meer familieleden van die [aangever 2] telefonisch op vaste telefoontoestellen en/of mobiele toestellen benaderd en

- die [aangever 2] en/of familieleden en/of één of meer vrienden/vriendinnen van die [aangever 2] SMS-jes gestuurd en

- die [aangever 2] en/of één of meer vrienden/vriendinnen via internet (email en Hyves en Windows Live Messenger) benaderd (al dan niet onder een andere naam dan die van hem, verdachte);

2.

op tijdstippen in de periode van 27 september 2010 tot en met 3 oktober 2010 te [woonplaats] en/of [woonplaats], in elk geval in Nederland, [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen aldaar via Windows Live Messenger, opzettelijk voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd/toegezonden:

- "Je gaat dood kankerhoer!"(met emailadres:bang_terecht_kkhoer@hotmmail.com)

en

- "Je gaat eraan!"(met emailadres: icu_donderdag_doodkkslet@hotmail.com)

en

- "Je dood staat vast!" (met emailadres: alles_is_gepland@hotmail.com).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen telkens meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Belaging;

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, daaronder begrepen een meldingsgebod en het meewerken aan een behandeling bij De Waag, en een contactverbod met [aangever 2]. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat een proeftijd voor de duur van drie jaren pittig is, nu verdachte daarmee een stuk vrijheid wordt ontnomen. Een contactverbod acht de verdediging disproportioneel. De verdediging heeft bepleit reclasseringstoezicht voor de duur van een jaar op te leggen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de strafbare feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, evenals door de persoon van verdachte zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het hieronder te noemen rapport is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 6 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Verdachte heeft gedurende een periode van meer dan zeven maanden zijn ex-vriendin stelselmatig lastig gevallen door haar, haar familie en vrienden buitensporig veel te bellen en haar onder meer vele e-mailberichten en SMS-berichten te sturen, terwijl zij daar niet van gediend was. Verdachte wist van zijn ex-vriendin en haar familie, maar ook op grond van het zogenaamde normstellende gesprek met de politie en de verschillende verhoren nadien, dat contact met haar – in welke vorm dan ook – niet op prijs werd gesteld. Ook de ouders van verdachte hebben getracht hem van het zoeken van contact af te houden. Verdachte heeft zich daaraan echter niets gelegen laten liggen en heeft zijn ex-vriendin in een aantal internetberichten zelfs met de dood bedreigd.

Door aldus te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster. Verdachte heeft zich slechts laten leiden door zijn eigen belangen, zonder zich te bekommeren om de gevolgen voor de aangeefster. Deze handelwijze van verdachte is voor aangeefster een zenuwslopende ervaring geweest, die zij niet snel zal vergeten, zoals zij gebruikmakend van haar spreekrecht ter terechtzitting heeft verklaard. De ervaring leert dat een slachtoffer van stalking daarvan nog lange tijd de psychisch nadelige gevolgen kan ondervinden.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte rapport van Reclassering Nederland d.d. 29 april 2011, opgesteld door I. Coppens. In dit rapport wordt opgemerkt dat verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde vanuit verdriet en boosheid geen controle had over zijn eigen gedrag en emoties. De geslotenheid van betrokkene speelde eveneens een rol, als gevolg waarvan zijn sociale netwerk en andere hulp niet genoeg baat hebben gehad. Het recidiverisico wordt als laag gemiddeld ingeschat. Geadviseerd wordt een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een meldingsgebod en een behandelverplichting als bijzondere voorwaarden.

Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Met deze straf wordt mede beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Bovendien maakt deze straf begeleiding door de reclassering mogelijk, hetgeen de rechtbank noodzakelijk acht, inclusief de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden. In de ernst en het karakter van het bewezenverklaarde, in combinatie met het slechts prille begin van verdachtes besluit om nu echt afstand te nemen van zijn ex-vriendin, ziet de rechtbank aanleiding om ten aanzien van de bijzondere voorwaarden een proeftijd van drie jaar te gelasten en tevens om als bijzondere voorwaarde op te nemen dat verdachte op geen enkele wijze contact mag leggen met aangeefster, middellijk of onmiddellijk.

Voorts zal de rechtbank verdachte een werkstraf opleggen voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis. De rechtbank zal bepalen dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en die nog niet in mindering is gebracht op de (voorwaardelijke) gevangenisstraf, in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag, te weten een aftrek van twee uren.

7 De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 2.160,00.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat telkens meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de onder 5.1 genoemde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van één maand, voorwaardelijk;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd (een van) de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich binnen 30 dagen volgend op de terechtzitting meldt bij de Reclassering Nederland op het adres Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en dat hij zich gedurende door Reclassering Nederland bepaalde perioden blijft melden zo frequent als deze gedurende deze perioden dit nodig acht;

* dat verdachte zijn medewerking verleent aan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

* dat verdachte op geen enkele wijze, direct noch indirect, contact zal opnemen of onderhouden met [aangever 2];

en stelt daarbij een proeftijd vast van drie jaren;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 2.160,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 2.160,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 31 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juli 2011.