Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3301

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
16-604126-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft op roekeloze wijze een auto bestuurd en een verkeersongeval veroorzaakt waarbij twee gewonden te betreuren vielen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij een auto is gaan besturen, nadat hij teveel alcohol had gedronken, en met veel hogere snelheid reed dan ter plaatse toegestaan was.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2011/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604126-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat primair verdachte als bestuurder van een auto opzettelijk twee personen zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door - met te veel alcohol op - met een te hoge snelheid te rijden en de controle over zijn auto te verliezen danwel subsidiair door aldus deel te nemen aan het verkeer gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan verdachte onder primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ter beantwoording van de vraag of verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan zal de rechtbank achtereenvolgens ingaan op de vraag of en welke feitelijke gedragingen die ten laste zijn gelegd kunnen worden bewezen en of de bewezen geachte feitelijke gedragingen schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 opleveren.

Op grond van de in de eventueel later op te maken aanvulling gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde en met een hogere snelheid dan plaatselijk was toegestaan, als bestuurder bij het in- en/of doorrijden van een bocht zijn auto onvoldoende onder controle heeft gehad, ten gevolge waarvan de auto uiteindelijk met de linkerzijkant tegen een boom is aangebotst en tot stilstand is gekomen. Ten gevolge van het verkeersongeval heeft een passagier van verdachte – zijn jongere broer – zwaar lichamelijk letsel (een dwarslaesie) opgelopen en een andere passagier schaafwonden aan hoofd en handen.

De rechtbank heeft daartoe in aanmerking genomen dat uit een door de Verkeerspolitie Utrecht verricht onderzoek naar de snelheidsbepaling voorafgaand aan het ongeval blijkt dat verdachte minimaal 112 km/h heeft gereden terwijl ter plaatse 50 km/h was toegestaan.

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat er 1,01 milligram ethanol per milliliter bloed in het bloed van verdachte is aangetroffen, hetgeen neerkomt op meer dan het dubbele van de wettelijk toegestane maximale hoeveelheid.

De vraag is of deze feitelijke gedragingen, gegeven de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval, de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het gedrag van verdachte moet daarvoor worden afgemeten tegen dat wat van een automobilist in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Een automobilist heeft onder meer de bijzondere zorgplicht zijn snelheid voldoende aan de omstandigheden aan te passen en zijn auto onder controle te houden. Een automobilist heeft ook de verplichting om niet meer dat de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol in zijn bloed te hebben. Verdachte heeft deze (wettelijke) zorgplichten zeer veronachtzaamd. Terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, is verdachte een bocht in- en/of doorgereden met een veel hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan was. Verdachte heeft daarbij de controle over zijn auto verloren. De rechtbank acht op grond hiervan wettig en overtuigend bewezen dat verdachte roekeloos heeft gehandeld en dat hij schuld heeft aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, tengevolge waarvan zijn jongere broer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en de andere inzittende van de auto zodanig lichamelijk letsel dat hij is verhinderd in de uitoefening van zijn normale bezigheden.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 6 juni 2010 te Amersfoort, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Ringweg-Koppel,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholhoudende drank

in een bocht in genoemde weg met het door hem bestuurde motorrijtuig te rijden met een snelheid van minimaal 112 kilometer per uur, en (vervolgens) de controle over dat motorrijtuig te verliezen en (vervolgens) met dat motorrijtuig te botsen tegen een boom die zich naast de rijweg (in de rechter berm) bevond,

waardoor [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel of zodanig

lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten, nu verdachte door het letsel van zijn jongere broer nog dagelijks wordt geconfronteerd met de gevolgen van het verkeersongeval. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een werkstraf een passende afdoening is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte moeten worden opgelegd heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, en gelet op de persoon van verdachte zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 6 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Verdachte heeft op roekeloze wijze een auto bestuurd en een verkeersongeval veroorzaakt waarbij twee gewonden te betreuren vielen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij een auto is gaan besturen, nadat hij teveel alcohol had gedronken, en met veel te hoge snelheid heeft gereden. Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring van de heer [slachtoffer 2], die inzittende was en gewond is geraakt, blijkt dat hij nog dagelijks de gevolgen van het ongeval ondervindt. Ook verdachte ondervindt nog dagelijks de gevolgen van het ongeval. De andere inzittende van de auto die gewond is geraakt is namelijk de jongere broer van verdachte. Als gevolg van het ongeval heeft hij een dwarslaesie opgelopen en is hij rolstoelafhankelijk geworden. Dit heeft een enorme impact op het leven van de jongere broer, als ook op het leven van verdachte en zijn verdere familie. Verdachte zal moeten leren leven met het gegeven dat door zijn toedoen zijn jongere broer in een rolstoel is terechtgekomen.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het door Reclassering Nederland over verdachte opgemaakte rapport d.d. 1 juli 2011, waaruit naar voren komt dat verdachte na het ongeval in de Ziektewet terecht is gekomen, zijn baan is kwijtgeraakt en kampt met ernstige psychische klachten.

De officier van justitie heeft, naast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, een deels voorwaardelijke gevangenis gevorderd. Deze straf zou er op neerkomen dat verdachte nog vijf maanden gevangenisstraf moet ondergaan. De rechtbank is van oordeel dat, gegeven de hiervoor geschetste impact die het ongeval op verdachte heeft, de toegevoegde waarde van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het onderhavige geval niet is gebleken.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf van 240 uren passend en geboden. Een lagere werkstraf zou een miskenning zijn van de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde. De rechtbank zal ook bepalen dat verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen wordt ontzegd voor de duur van twee jaren.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het onder primair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte voorts tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van twee jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 juli 2011.