Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3271

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-06-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
308962/FT-RK 11.799
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Afwijzing faillissementsverzoek. Vordering verzoekster is summierlijk vast komen te staan door uitspraak rechtbank Zwolle-Lelystad. Aannemelijk is dat er pluraliteit is van schuldeisers. Volgens vaste rechtspraak dient ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan nog te worden onderzocht of de gerekestreerde in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Vrijwel elke rechtspersoon die deelneemt aan het economisch verkeer heeft echter wel één of meer onbetaalde schulden. Hiermee staat echter nog niet vast dat er sprake is van ophouden met betalen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze toestand in dit geval niet aanwezig worden geacht. Overweging ten overvloede dat verzoeker een ander belang kan hebben bij het faillissementsverzoek dan het innen van haar schulden, aangezien zij geen gebruik heeft gemaakt van het gelegde conservatoire beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

rekestnummer: 308962/FT-RK 11.799

beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

De rechtbank heeft op 23 juni 2011 een verzoekschrift ontvangen van:

de vennootschap naar Belgisch recht

KEIM B.V.B.A.,

gevestigd te Hoogstraten, Belgë, en kantoorhoudende te Meerle, gemeente Hoogstraten, België,

hierna: de verzoekster,

advocaat: mr. F.C.H.M. van der Stap,

strekkende tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap

INNO NAUTIC B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Eemnes,

hierna: de gerekestreerde,

advocaat: mr. C.I.M. Molenaar.

Verloop van de procedure

De verzoekster heeft op 13 juli 2011, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op

14 juli 2011, aanvullende stukken ingestuurd.

De gerekestreerde heeft op 18 juli 2011, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op

18 juli 2011, een verweerschrift met bijlagen ingestuurd.

Het verzoekschrift tot faillietverklaring is behandeld in raadkamer van deze rechtbank van

19 juli 2011.

Ter zitting zijn verschenen:

- mr. S.E. van den Berg, namens de verzoekster;

- de advocaat van gerekestreerde;

- de heer [A], bestuurder van de gerekestreerde;

- de heer [B].

Beoordeling van het verzoek

De verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij een opeisbaar bedrag van € 19.000,- en

€ 15.000,- te vorderen heeft van de gerekestreerde uit hoofde van geldlening(en), en

€ 50.000,- uit hoofde van een overeengekomen managementvergoeding.

De gerekestreerde betwist de vorderingen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft in haar vonnis van 13 april 2011 onder zaaknummer

163549/ HA ZA 09-1532 een oordeel gegeven over de vorderingen die de verzoekster ten grondslag legt aan haar faillissementsverzoek. In dit vonnis zijn de vorderingen uit hoofde van geldlening(en) toegewezen aan de verzoekster, en is de vordering uit hoofde van de managementvergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding waarom deze rechtbank zich niet zou refereren aan het oordeel van de Rechtbank Zwolle-Lelystad, waarmee de vorderingen uit geldlening(en) summierlijk zijn vast komen te staan. Dat de gerekestreerde heeft aangegeven inmiddels hoger beroep te hebben aangetekend tegen het betreffende vonnis doet hier niet aan af.

Voor de faillietverklaring is, naast een opeisbare vordering, vereist dat summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de gerekestreerde verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. De pluraliteit van schuldeisers is hiervoor een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde.

De verzoekster heeft voor de pluraliteit van schuldeisers verwezen naar meerdere bronnen. Ten eerste de conclusie van dupliek van de gerekestreerde in de eerder genoemde procedure bij de Rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin de gerekestreerde aangeeft onder andere een schuld te hebben aan de Friesland Bank. Ten tweede een brief van de bestuurder van de verzoekster van 3 mei 2010, waarin deze stelt dat de gerekestreerde schulden zou hebben. Ten derde het jaarverslag over 2008 van de gerekestreerde, waarin vermeld zou staan dat het voortbestaan van de onderneming onzeker zou zijn. Ten vierde het door de gerekestreerde ingediende verweerschrift waarin is aangegeven dat gerekestreerde crediteuren heeft. En tot slot een vordering van De Brauw Blackstone Westbroek die ongeveer € 180.000,- zou bedragen. Van deze laatste vordering heeft de verzoekster geen stukken overlegd, en kan zij tevens niet aangeven van welke datum deze vordering zou zijn.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande voldoende vast staat dat de gerekestreerde in ieder geval aan aantal schuldeisers heeft die enig bedrag van haar te vorderen hebben.

Volgens vaste rechtspraak dient ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan nog te worden onderzocht of de gerekestreerde in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

Vrijwel elke rechtspersoon die deelneemt aan het economisch verkeer heeft echter wel één of meer onbetaalde schulden. Hiermee staat echter nog niet vast dat er sprake is van ophouden met betalen. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze toestand in dit geval niet aanwezig worden geacht.

Met betrekking tot de door de verzoekster genoemde schuldeisers heeft te gelden dat niet is aangetoond of de (in de conclusie van dupliek en in de brief van 3 mei 2010) genoemde schulden op dit moment nog bestaan en als deze schulden nog bestaan of de gerekestreerde ten aanzien van deze steunvorderingen wellicht een betalingsregeling heeft getroffen. Onweersproken is de in het verweerschrift door de gerekestreerde ingenomen stelling dat zij niet bekend is met schuldeisers die onbetaald blijven, zonder dat daarmee langlopende afspraken zijn gemaakt. Ook ten aanzien van de vordering van De Brauw Blackstone Westbroek geldt dat niet is komen vast te staan dat de gerekestreerde op dit moment niet betaald.

Gezien het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het verzoek tot faillietverklaring dient te worden afgewezen.

Ten overvloede hecht deze rechtbank eraan op te merken dat de motieven voor de indiening van het faillissementsverzoek door de verzoekster haar onduidelijk zijn. Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken en hetgeen ter terechtzitting is verklaard door de verzoekster en de gerekestreerde blijkt het volgende. De verzoekster heeft ten behoeve van de eerder genoemde procedure bij de Rechtbank Zwolle-Lelystad conservatoir derdenbeslag gelegd onder een vordering van de gerekestreerde op een derde van ruim € 300.000,-. Deze vordering is tot uitbetaling gekomen aan de gerekestreerde nádat de verzoekster uit hoofde van het vonnis van de Rechtbank Zwolle-Lelystad het beslag kon uitwinnen. De verzoekster heeft dit echter nagelaten, en heeft in plaats daarvan haar vordering ten grondslag gelegd aan het onderhavige faillissementsverzoek. Deze handelswijze strookt niet met de door verzoekster (terecht) geuite wens dat haar vorderingen betaald moeten worden, en laat de mogelijkheid open dat zij mogelijk andere belangen heeft bij faillietverklaring van de gerekestreerde.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot faillietverklaring.

Deze beschikking is gegeven door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op

19 juli 2011 om 15.00 uur.