Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR3156

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
16/600214-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Viermaal diefstal in vereniging. Verdachte is naar Nederland gekomen met intentie spullen te stelen en die naar Roemenië te brengen. Gevangenisstraf van 7 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600214-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein

raadsman mr. G.E. Toxopeus, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1, 2, 3 en 4:

Primair: samen met anderen goederen heeft gestolen uit een woning/bedrijf

Subsidiair: samen met anderen goederen heeft geheeld die afkomstig waren van een diefstal uit een woning/bedrijf

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de diefstallen zoals ten laste gelegd onder feit 1, 2 en 4 primair, heeft gepleegd, met uitzondering van de diefstal van geldbedragen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van de heer [aangever 1], de processen-verbaal van de aanhouding, de doorzoeking van de auto en het achterhalen van de herkomst van de laptops, de aangifte van de heer [aangever 3] en de aangifte van mevrouw [aangever 4].

De officier van justitie acht de verklaringen van de drie verdachten dat zij de spullen op 1 maart 2011 hebben gekocht bij het station Amsterdam Centraal, niet geloofwaardig, nu de diefstal van deze spullen pas heeft plaatsgevonden op 2 maart 2011. Dat, in combinatie met het feit dat er ongeveer 20 minuten zat tussen de diefstal ten laste gelegd onder feit 1 en de aanhouding van de verdachten en het feit dat verdachten verklaren op weg terug te zijn naar Roemenië, welke route vanaf Amsterdam zeker niet ten noorden ervan loopt, maakt dat de verklaringen van de verdachten niet kunnen kloppen.

Voor wat betreft feit 3, acht de officier van justitie het subsidiaire feit, de heling, wettig en overtuigend bewezen. Niet kan worden vastgesteld wanneer de telefoon precies gestolen is en dus ook niet of de diefstal door deze drie verdachten is gepleegd. De telefoon is wel in hun bezit gekomen en is van een misdrijf afkomstig. Alle drie de verdachten wisten van de aanwezigheid van de telefoon in de auto af, waardoor de officier hen verantwoordelijk houdt voor de heling.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat feit 1 dient te worden onderscheiden van de feiten 2, 3 en 4. Met betrekking tot feit 1 is aan verdachte voorgehouden dat de spullen op 2 maart 2011 zijn gestolen, terwijl de verdachten aangeven deze spullen op 1 maart 2011 te hebben gekocht. De verdediging realiseert zich dat dit onmogelijk is en dat verdachte kennelijk alleen zo verklaart omdat hij dat met de medeverdachten heeft afgesproken. Er zit niet veel tijd tussen de diefstal zoals ten laste gelegd onder feit 1 en de aanhouding. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 1, met die opmerking dat verdachte niet zelf uit de auto is geweest en spullen heeft weggenomen.

Anders dan de officier van justitie is de verdediging van oordeel dat uit deze omstandigheden niet blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten ook de diefstallen zoals ten laste gelegd onder feit 2, 3 en 4 hebben gepleegd. Uit de aangiftes blijkt niet hoe de diefstallen gepleegd zijn. Er is alleen geconstateerd dat er spullen weg zijn. Dit is onvoldoende voor een wettige en overtuigende bewezenverklaring van diefstal. Wat betreft de heling, subsidiair ten laste gelegd, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1, 2, 3 en 4 zoals primair ten laste gelegd wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 2 maart 2011 was de heer [aangever 1] (verder te noemen aangever [aangever 1]) werkzaam achter zijn boerderij in [woonplaats]. Omstreeks 12.30 uur zag hij een groene auto aan de voorzijde van zijn woning staan. Hij zag vervolgens een persoon over het grindpad langs zijn woning lopen en naar de voorzijde van de woning rennen. Die persoon stapte in de groene auto. De auto was voorzien van een witte, geen Nederlandse, kentekenplaat. Aangever [aangever 1] heeft 112 gebeld. Zijn zwarte Asus laptop was weggenomen. Ook is 270 euro weggenomen. Volgens mevrouw [vrouw aangever 1], de vrouw van aangever [aangever 1], was de laptop die ochtend nog door de dochter van aangever [aangever 1] gebruikt. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] kregen de melding binnen van de diefstal. Zij zagen een groene Renault Clio voorzien van een wit kenteken hen tegemoet komen rijden uit de richting van Oudewater. Zij zijn achter de auto aangereden met een stopteken, dat door de inzittenden werd genegeerd. Uiteindelijk konden zij de Renault Clio klem rijden en hebben zij de inzittenden op 2 maart 2011, omstreeks 12.56 uur aangehouden. Het bleek te gaan om [medeverdachte 1] (verder te noemen verdachte [medeverdachte 1]), [medeverdachte 2] (verder te noemen verdachte [medeverdachte 2]) en [verdachte] (verder te noemen verdachte [verdachte]). Bij verdachte [medeverdachte 2] is een bedrag van 370 euro in beslag genomen en bij verdachte [medeverdachte 1] een bedrag van 760 euro . Verbalisant [verbalisant 4] heeft vervolgens de auto doorzocht. Zij trof op de achterbank onder een zwarte jas een zwarte laptop van het merk Asus aan. Verder trof zij een zilveren fotocamera van het merk Canon aan. Onder de achterbank lag een zwarte mobiele telefoon van het merk HTC. In de kofferbak trof zij een laptoptas aan met hierin twee zwarte laptops van Packerd Bell. Verder trof zij boven de autoradio een zwarte mobiele telefoon aan van het merk Samsung. Verbalisant [verbalisant 5] is een onderzoek gestart naar de herkomst van de Packerd Bell laptops. Hij zag op de laptop een aantal foto’s waaronder de naam [aangever 3] stond. De profielfoto van [naam] op Hyves kwam overeen met de foto op de laptop. Via KPN heeft verbalisant [verbalisant 1] het telefoonnummer kunnen achterhalen van familie [aangever 3] op de [adres] te [woonplaats] en heeft dit nummer gebeld. [verbalisant 1] deelde aan de zoon van de heer [aangever 3] (verder te noemen aangever [aangever 3]) mee dat er vermoedelijk was ingebroken en dat er twee laptops waren teruggevonden. Deze bleken inderdaad, na controle van de woning door aangever [aangever 3], te zijn weggenomen. Daarnaast is er ook een digitale camera weggenomen. Mevrouw [aangever 3] vertelde in een telefonisch contact met verbalisant [verbalisant 2] dat haar zoon die ochtend nog gebruik had gemaakt van de laptop. Mevrouw [aangever 3] verklaarde verder dat de in de auto aangetroffen camera van hen was, want het serienummer was gelijk aan die op de verpakking van de doos. Uit onderzoek bleek de HTC mobiele telefoon die is aangetroffen in de auto van verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] tevens van diefstal afkomstig te zijn. De heer [aangever 2] (verder te noemen aangever [aangever 2]) was van 24 februari 2011 tot 3 maart 2011 op vakantie en had daarna een voicemail van een rechercheur ontvangen met het bericht hem met spoed te bellen. De telefoon van aangever [aangever 2] bleek gestolen te zijn. Deze lag in een lade van zijn bureau in zijn kantoorpand op de [adres] te [woonplaats]. Ook de in de auto aangetroffen Samsung mobiele telefoon is van diefstal afkomstig. Mevrouw [aangever 4] (verder te noemen aangeefster [aangever 4]) heeft aangifte gedaan van diefstal van haar mobiele telefoon op 2 maart 2011 in het bedrijfspand op de [adres] te [woonplaats].

Bewijsoverwegingen

Bewezenverklaring feit 1, 2, 3 en 4 primair

De rechtbank acht met betrekking tot alle feiten het onder primair ten laste gelegde delict diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.

De aangever [aangever 1], feit 1, heeft gezien dat een man met een zwarte jas wegrende en vervolgens in een kleine groene auto stapte met witte kentekenplaten. Nog geen half uur later zijn verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] in de omgeving van [woonplaats] in een groene Renault Clio met witte kentekenplaten aangehouden. In de auto zijn de gestolen spullen van feit 1, de laptop en het geld, aangetroffen waarbij de laptop onder een zwarte jas op de achterbank lag. Tevens zijn in de auto de gestolen spullen van feit 2, 3 en 4 aangetroffen, met uitzondering van het geldbedrag van 2500 euro (feit 2). Gelet op de aangiften en de tijdstippen van de diefstallen en de geringe tijd tussen de diefstal ten laste gelegd onder feit 1 en de aanhouding van verdachten, is de rechtbank van oordeel dat verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] al deze diefstallen hebben gepleegd. Daarbij merkt de rechtbank op dat de aangever [aangever 2], feit 3, niet op de hoogte is van het exacte tijdstip van de diefstal van zijn telefoon omdat hij op vakantie was. Echter, op 2 maart 2011 heeft de diefstal in het bedrijfspand op de [adres] te [woonplaats] plaatsgevonden (feit 4). Het adres waar de telefoon van aangever [aangever 2] gestolen is, is het bedrijfspand op de [adres]A te [woonplaats]. Daaruit leidt de rechtbank af dat ook die diefstal (feit 3) op 2 maart 2011 is gepleegd. Hierbij achter de rechtbank nog van belang dat verdachte op 3 maart 2010 bij de politie heeft verklaard dat hij dinsdag 1 maart 2011 in Nederland in Amsterdam is aangekomen..

Alternatieve verklaring verdachten

De verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] verklaren alledrie dat zij de spullen op 1 maart 2011 hebben gekocht op/bij het station Amsterdam CS. Zij verklaren dat zij op 2 maart 2011 op de terugweg naar Roemenië waren en verdwaald waren en alleen gestopt zijn om op de kaart te kijken, maar dat zij niets met de diefstallen te maken hebben. De rechtbank acht deze verklaringen niet aannemelijk, gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de in de auto aangetroffen gestolen spullen pas op 2 maart 2011 zijn gestolen.

Nauwe en bewuste samenwerking

De rechtbank overweegt dat er sprake is van diefstal in vereniging. Alle verdachten bevonden zich op 2 maart 2011 in de groene Renault Clio met witte kentekenplaten waarin zij zijn aangehouden en waarin de op 2 maart 2011 gestolen spullen zijn aangetroffen. Alle verdachten waren op de hoogte van het feit dat deze spullen zich in de auto bevonden. Zij geven hiervoor een alternatieve, maar door de rechtbank niet aannemelijk bevonden, verklaring. Verder hebben zij allen verklaard die hele ochtend, vanaf het uitchecken bij het hotel, met elkaar in de auto te hebben gezeten. Niet duidelijk is geworden wie welke rol heeft gespeeld, maar de rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte], waardoor de diefstallen in vereniging wettig en overtuigend zijn bewezen.

Geldbedragen feit 1 en 2

Bij verdachte [medeverdachte 2] is een bedrag van 370 euro aangetroffen en bij verdachte [medeverdachte 1] een bedrag van 760 euro. De rechtbank acht derhalve de diefstal van het geldbedrag dat weggenomen is bij aangever [aangever 1] (270 euro, feit 1) wettig en overtuigend bewezen. Het geldbedrag van 2500 euro, dat aangever [aangever 3] heeft opgegeven als gestolen, is echter niet bij de verdachten aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat de diefstal van dit geldbedrag dan ook niet bewezen kan worden en zal verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] voor dit gedeelte vrij spreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 primair

op 2 maart 2011 te [woonplaats], gemeente Oudewater, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een computer/Notebook (merk Asus) en een geldbedrag van ongeveer EURO 270,- toebehorende aan [aangever 1]

Feit 2 primair

op 2 maart 2011 te [woonplaats], gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas met daarin twee laptops (merk Packard Bell) en een fotocamera (merk Canon), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3]

Feit 3 primair

in de periode van 24 februari 2011 tot en met 02 maart 2011 te [woonplaats], gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (merk HTC), toebehorende aan [aangever 2]

Feit 4 primair

op 02 maart 2011 te [woonplaats], gemeente Wormerland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon (merk Samsung), toebehorende aan [aangever 4]

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1, 2, 3 en 4: Telkens, diefstal in vereniging

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de straf te beperken gelet op het gevoerde bewijsverweer. Daarbij dient tevens in het oog te worden gehouden de hoeveelheid spullen en de waarde daarvan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen binnen hele korte tijd. Verdachte is blijkbaar met die intentie naar Nederland gekomen om spullen te stelen en vervolgens weer terug naar Roemenië te gaan. Door diefstallen bij boerderijen te plegen hebben verdachten een forse inbreuk gemaakt op de privacy van de bewoners van die boerderijen. Daarnaast hebben verdachten zich tevens schuldig gemaakt aan twee diefstallen uit een bedrijfspand.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat verdachte in Nederland geen justitiële documentatie heeft. Verder heeft verdachte aangegeven dat hij werk had in Roemenië, maar vanwege bezuinigingen is ontslagen. Hij heeft hierdoor al 4 maanden zijn hypotheek niet kunnen betalen. Hij wil graag terug naar zijn vrouw in Roemenië.

De rechtbank is op grond van de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat de volgende straf passend is: een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten.

7 De benadeelde partij

Benadeelde partij [aangever 3], feit 2

De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 2963,60 voor feit 2, bestaande uit:

1. diefstal contant geld € 2500,00

2. een laptop Packerd Bell defect € 253,00

3. reiskosten [woonplaats]-Maarssenbroek € 10,00

4. 5 uur à € 30,00 per uur, € 150,00

5. 2 flesjes parfum gestolen € 50,00

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 10,00 voor de reiskosten een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen.

Verdachte is vrijgesproken van de diefstal van het geldbedrag van € 2500,00. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij voor dat gedeelte niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

Voor wat betreft de defecte laptop en het gevorderde bedrag per uur, acht de rechtbank het gevorderde bedragen onvoldoende aannemelijk gemaakt en zal zij de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de 2 flesjes parfum gestolen zijn door verdachte. De benadeelde partij zal daarom ook voor dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering voor de reiskosten van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Benadeelde partij [aangever 4], feit 4

De benadeelde partij [aangever 4] vordert een schadevergoeding van € 199,00 voor feit 4. Dit betreft de aanschafwaarde van de Samsung telefoon.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu de Samsung telefoon is gevonden en, zo dit niet reeds gebeurd is, kan worden terug gegeven aan de benadeelde partij. Niet gebleken is van enige schade aan de Samsung telefoon. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen:

- De Nokia telefoon N70

- De telefoonoplader (voor zover dit nog inbeslaggenomen is en geen onderdeel uitmaakt van de fouillering in het Huis van Bewaring)

- De huissleutels van verdachte (voor zover dit nog inbeslaggenomen is en geen onderdeel uitmaakt van de fouillering in het Huis van Bewaring)

- De kleding van verdachte (voor zover dit nog inbeslaggenomen is en geen onderdeel uitmaakt van de fouillering in het Huis van Bewaring)

- De gympen van verdachte (voor zover dit nog inbeslaggenomen is en geen onderdeel uitmaakt van de fouillering in het Huis van Bewaring)

8.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank acht het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp vatbaar voor verbeurdverklaring:

- De groene Renault Clio met kenteken 389 ARX 38

Gebleken is dat de auto aan verdachte toebehoort en dat de feiten zijn begaan met behulp van dit voorwerp.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 33, 33a, 36f, 47, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1, 2, 3 en 4: Telkens, diefstal in vereniging

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

* Teruggave aan verdachte

- gelast de teruggave aan verdachte van de Nokia telefoon N70, de telefoonoplader, de huissleutels van verdachte, de kleding van verdachte, de gympen van verdachte;

* Verbeurdverklaring

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de groene Renault Clio met kenteken 389 ARX 38;

Benadeelde partijen

* [aangever 3]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 10,00, ter zake van materiële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

* [aangever 4]

- verklaart de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3], € 10,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Ebbens, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Braam-van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juni 2011.