Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR2864

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
16/600154-11 en 16/710743-10 en 16/600396-10 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar ten aanzien van poging diefstal, diefstal en twee maal oplichting. Vordering tenuitvoerlegging toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600154-11 en 16/710743-10 en 16/600396-10 (TUL)

VI zaaknummer: 99/000035-16

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

gedetineerd te P.I. Utrecht – HvB Nieuwegein.

Raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Zwolle-Lelystad.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer alsmede de vordering tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feiten onder parketnummer 16/600154-11

Feit 1:

Primair:

op 14 februari 2011 te Amersfoort een portemonnee heeft gestolen toebehorende aan [slachtoffer 1];

Subsidiair:

op 14 februari 2011 te Amersfoort gepoogd heeft een portemonnee te stelen toebehorende aan [slachtoffer 1];

Feit 2:

op 13 februari 2011 te Amersfoort een portemonnee heeft gestolen toebehorende aan [slachtoffer 4];

Feit 3:

op 11 februari te Amersfoort [slachtoffer 5] heeft opgelicht door deze [slachtoffer 5] te bewegen tot de afgifte van 25 euro.

Feiten onder parketnummer 16/710743-10

Feit 1:

op 7 maart 2010 te Amersfoort een mobiele telefoon heeft gestolen toebehorende aan [slachtoffer 3];

Feit 2:

op 3 maart 2010 te Amersfoort [slachtoffer 6] heeft opgelicht door deze [slachtoffer 6] te bewegen tot de afgifte van 20 euro;

Feit 3:

op 16 september 2010 te Amersfoort [slachtoffer 7] heeft opgelicht door deze [slachtoffer 7] te bewegen tot de afgifte van 20 euro;

Feit 4:

op 24 oktober 2010 te Amersfoort [slachtoffer 8] heeft opgelicht door deze [slachtoffer 8] te bewegen tot de afgifte van 5 euro;

Feit 5:

op 21 oktober 2010 te Amersfoort een portemonnee heeft gestolen toebehorende aan [slachtoffer 2].

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit onder parketnummer 16/600154-11

Feit 1:

Primair

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde feit, te weten diefstal, verzoekt de officier van justitie verdachte vrij te spreken, omdat zij dit feit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Subsidiair

Het subsidiaire tenlastegelegde feit, te weten poging diefstal, acht de officier wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte, waarin hij aangeeft dat hij in de woning van [slachtoffer 1] is geweest. De verklaring van verdachte en aangever wijken op enkele punten van elkaar af. De lezing van verdachte acht de officier van justitie ongeloofwaardig en baseert zich daarbij mede op de verklaring van getuige [getuige], die de verklaring van aangeefster bevestigt. De officier van justitie wijst op het feit dat verdachte bekend is bij de politie en over hem bekend is dat hij er een gewoonte van maakt om bij mensen aan te bellen, ze te bewegen tot afgifte van geld en telefoons wegneemt. Verdachte stelt doorgaans eerst de vraag of hij gebruik mag maken van de telefoon, waarna hij de vraag stelt of hij geld mag lenen om per trein naar zijn moeder te gaan. In deze gevallen heeft verdachte dan reeds iets weggenomen en pleegt diefstal. Hier is sprake van dezelfde modus operandi.

Feit 2:

De officier van justitie acht het onder 2 tenlastegelegde feit, te weten diefstal, wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 4], waarin [slachtoffer 4] verklaart over de werkwijze van verdachte. Deze werkwijze komt overeen met de werkwijze in de zaken die verdachte ter terechtzitting heeft bekend en die ook blijkt uit de andere aangiftes. Deze modus operandi is volgens de officier van justitie specifiek en kenmerkend voor verdachte en kan worden gebruikt bij de bewijsvoering. De officier van justitie geeft verder aan dat het signalement van verdachte, dat [slachtoffer 4] heeft gegeven, overeenkomt met de persoon van de verdachte.

Feit 3:

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit, te weten oplichting, heeft gepleegd. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte en het feit dat aangever verdachte heeft herkend bij een fotoconfrontatie. Voorts is van belang de modus operandi van verdachte, met name dat verdachte vertelde dat hij geld wilde lenen voor het aanschaffen van een treinkaartje naar zijn moeder. De officier van justitie wijst erop, dat verdachte aan [slachtoffer 5] een telefoon heeft gegeven als onderpand en dat later is gebleken dat die telefoon gestolen was. Op grond van bovenstaande leidt de officier van justitie af dat er sprake is van oplichting. De officier van justitie stelt dat verdachte nooit de intentie had om de 25 euro terug te brengen.

Feiten onder parketnummer 16/710743-10

Feit 1:

De officier van justitie acht de onder 1 tenlastegelegde diefstal wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie wijst hier op de modus operandi, waarbij verdachte eerst vraagt of hij gebruik mag maken van de telefoon.

Feit 2:

De officier van justitie acht de onder 2 tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 6] en de modus operandi van verdachte. Verdachte vertelt dat hij sleutels is vergeten en vraagt of hij gebruik mag maken van de telefoon. Daarna vraagt verdachte of hij geld mag lenen om naar zijn zus in Utrecht te gaan. Verdachte beweegt op deze wijze [slachtoffer 6] tot afgifte van 20 euro. Gelet op de gehanteerde werkwijze en de overeenkomsten in het door aangever opgegeven signalement van de dader met verdachte, concludeert de officier van justitie dat deze persoon verdachte is.

Feit 3:

De officier van justitie acht de onder 3 tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.

Feit 4:

De officier van justitie acht de onder 4 tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich op de aangifte van [slachtoffer 8], waaruit blijkt dat verdachte steeds gebruik maakt van dezelfde modus operandi, waarbij hij zegt dat hij zijn huissleutel is vergeten en vraagt of hij geld kan lenen. De officier van justitie wijst er tevens op dat verdachte past in het signalement dat aangever van de dader heeft gegeven.

Feit 5:

De officier van justitie acht de onder 5 tenlastegelegde oplichting wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich op de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van verdachte, waarin verdachte aangeeft dat hij op in de woning van [slachtoffer 2] is geweest. Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij alleen heeft gebeld, omdat hij zijn dealer wilde spreken. Deze verklaring acht de officier van justitie niet geloofwaardig. De officier van justitie voert daartoe aan dat er een portemonnee is weggeraakt en acht gezien de modus operandi van verdachte, dat hiermee de diefstal daarvan door verdachte bewezen kan worden verklaard.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit onder parketnummer 16/600154-11

Feit 1:

Primair

De verdediging verzoekt de rechtbank – overeenkomstig de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnotitie – verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Uit de bewijsmiddelen kan volgens de raadsman onvoldoende de overtuiging worden bekomen dat verdachte wegnemingshandelingen met betrekking tot de portemonnee heeft verricht.

Subsidiair

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde poging diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Primair stelt de raadsman dat het scenario van de aangifte niet kan kloppen, omdat aangeefster verdachte steeds voor verdachte stond vanaf het moment dat hij zijn hand onder zijn andere arm verborgen zou hebben gehouden. Aangeefster had in dat geval moeten zien dat verdachte de portemonnee op tafel had gelegd. De raadsman geeft aan dat indien het scenario van de aangifte wordt gevolgd, niet kan worden gesproken van feitelijke heerschappij over het goed door verdachte, daar verdachte de portemonnee onmiddellijk op tafel zou hebben gelegd. Volgens de raadsman is er geen sprake van een voltooide wegnemingshandeling. De raadsman verwijst naar een - volgens hem – vergelijkbare casus waarover is geoordeeld in het vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 30 augustus 2007 (LJN BB3297). Uit dit arrest leidt de raadsman af dat, nu verdachte niet de feitelijke heerschappij over de portemonnee heeft gehad, er geen sprake is van poging diefstal.

Feit 2:

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman geeft aan dat er slechts een aangifte is, waarin geen dader wordt aangewezen en waarin geen sprake is van een modus operandi. De raadsman stelt dat er weliswaar sprake lijkt te zijn van een babbeltruc, echter dat deze van een geheel andere orde is dan de wijze waarop de truc is gepresenteerd in de zaken waarin verdachte heeft bekend. De raadsman wijst erop dat het signalement dat aangeefster heeft opgegeven niet overeenkomt met verdachte.

Feit 3:

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Primair stelt de raadsman zich op het standpunt dat er geen sprake is van causaal verband tussen eventueel aangetoond samenweefsel van verdichtsels en de afgifte van enig goed. De raadsman geeft aan dat uit de aangifte blijkt dat aangever de persoon geld heeft gegeven, omdat hij wilde dat hij weg ging. Subsidiair meent de raadsman dat de fotoconfrontatie uitgesloten dient te worden van het bewijs, wegens strijd met artikel 9 van het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek. De raadsman wijst op het proces-verbaal waarin staat dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bij de fotoconfrontatie aanwezig te zijn. Raadsman stelt dat dit onjuist is en dat hij zelfs nog gebeld heeft en heeft gevraagd wanneer de confrontatie plaats zou vinden. Hij zou hierover nader geïnformeerd worden en dit is volgens de raadsman niet gebeurd. De raadsman stelt dat de resterende aangifte die dan overblijft als bewijsmiddel onvoldoende is om tot een bewezenverklaring te komen.

Feiten onder parketnummer 16/710743-10

Feit 1:

Ten aanzien van de tenlastegelegde diefstal refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman acht dit feit wettig en overtuigend bewezen en verdachte heeft bekend.

Feit 2:

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde oplichting nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman stelt dat er alleen een aangifte is als bruikbaar bewijsmiddel. Raadsman wijst erop dat geen fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden en dat hierdoor niet uitgesloten is, dat verdachte niet de persoon is die dit feit heeft gepleegd.

Feit 3:

Ten aanzien van de tenlastegelegde oplichting refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman acht dit feit wettig en overtuigend bewezen en verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd.

Feit 4:

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde oplichting nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De raadsman stelt dat er alleen een aangifte aanwezig is als bruikbaar bewijsmiddel en dat daarmee onvoldoende bewijs voor handen is om tot een bewezenverklaring te komen.

Feit 5:

De verdediging verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde diefstal nu dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte ontkent de diefstal en de aangifte zegt enkel dat aangever, de dag nadat verdachte in de woning was, ontdekte dat zijn portemonnee weg was. Dit is volgens de raadsman onvoldoende om te concluderen dat verdachte de portemonnee heeft gestolen.

4.3 De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.4 Te bespreken standpunten door de rechtbank

De rechtbank stelt dat het verweer van de raadsman ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit onder parketnummer 16/600154-11 niet slaagt. Anders dan de raadsman stelt, is het voor poging diefstal niet noodzakelijk dat verdachte de feitelijke heerschappij over het goed heeft gehad. Poging diefstal vereist niet dat de dader aan wegnemen is toegekomen. Dat verdachte naar aanleiding van een confrontatie met het feit door aangeefster, de portemonnee onmiddellijk op tafel zou hebben gelegd doet niet af aan het feit dat verdachte heeft gepoogd het goed weg te nemen. Dit wordt overigens ook bevestigd in het door raadsman aangehaalde vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 30 augustus 2007 (LJN BB 3297), waaruit blijkt dat indien er geen sprake is van een voltooide wegneminghandeling er wel sprake kan zijn van een poging diefstal.

Ten aanzien van het primair gevoerde verweer van de verdediging, betreffende het onder 3 tenlastegelegde feit onder parketnummer 16/600154-11, oordeelt de rechtbank dat dit verweer niet slaagt. De rechtbank overweegt daartoe aan dat er in dit geval wel degelijk sprake is van causaal verband tussen het samenweefsel van verdichtsels en de afgifte van het geld. Dat het verhaal van verdachte achteraf en mogelijk op het moment zelf al ongeloofwaardig leek voor aangever, neemt het causale verband tussen het samenweefsel van verdichtsels en de afgifte van enig goed niet weg. In redelijkheid kan worden gesteld dat aangever door het samenweefsel van verdichtsels van verdachte werd bewogen tot afgifte van het geld en dit geld anders niet had afgegeven.

Het subsidiair gevoerde verweer van de verdediging onder 3 tenlastegelegde feit onder parketnummer 16/600154-11 ziet op een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Er vanuitgaande dat de raadsman ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld de fotoconfrontatie bij te wonen, moet dit worden aangemerkt als een onherstelbaar vormverzuim. De rechtbank heeft evenwel geconstateerd dat de fotoconfrontatie zelf conform de daarvoor geldende regels is verlopen. Gelet hierop en nu ook overigens kan niet worden vastgesteld dat verdachte in enig rechtens te respecteren belang is geschaad (de raadsman heeft dat overigens ook niet gesteld), zal de rechtbank volstaan met de constatering van het vormverzuim zonder daaraan gevolgen te verbinden. De fotoconfrontatie zal daarom als bewijsmiddel worden gebruikt.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van parketnummer 16/600154-11

Feit 1.

Subsidiair

op 14 februari 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een portemonnee, geheel toebehorende aan [slachtoffer 1], door die portemonnee uit een tas weg te nemen, zijnde de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid.

Feit 3.

Op 11 februari 2011 te Amersfoort, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] heeft bewogen tot de afgifte van 25 euro. Hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk opzettelijk valselijk en listiglijk en in strijd met de waarheid

- die [slachtoffer 5] gezegd dat hij zijn huissleutel kwijt was en dat hij om die reden geld nodig had om met de trein naar zijn moeder in Houten te gaan, althans woorden van gelijke aard of strekking en

- met een mededeling met vergelijkbaar doel en strekking aan de toentertijd 10-jarige dochter van die [slachtoffer 5], zich rond 20:15 uur in de avond de toegang tot de woning van die [slachtoffer 5] verschaft en

- die [slachtoffer 5] beloofd het geld terug te betalen, waardoor die [slachtoffer 5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Ten aanzien van parketnummer 16/710743-10

Feit 1.

op 7 maart 2010 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (Samsung type star), geheel toebehorende aan [slachtoffer 3].

Feit 3.

op 16 september 2010 te Amersfoort, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 7] heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld te weten 20 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid tegen die [slachtoffer 7] gezegd dat hij familie van de buren was en dat hij een probleem had en dat zijn sleutels en passen bij de buren thuis zouden liggen, maar de buren waren niet thuis en of hij geld mocht lenen om met de trein naar Utrecht te reizen, omdat hij daarvoor geen geld had en dat hij het geleende geld zou teruggeven, waardoor voornoemde [slachtoffer 7] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van parketnummer 16/600154-11

Feit 1 Subsidiair: Poging diefstal

Feit 3: Oplichting

Ten aanzien van parketnummer 16/710743-10

Feit 1: Diefstal

Feit 3: Oplichting

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

De officier van justitie stelt dat van belang is voor haar vordering dat het gaat om een reeks incidenten waar de Justitiële Documentatie van verdachte vol van staat. De officier van justitie benadrukt dat verdachte door is gegaan met het plegen van strafbare feiten, ondanks dat hij reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De officier van justitie wijst op het advies van de reclassering, waarin een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt geadviseerd.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat slechts twee feiten bewezen verklaard kunnen worden. Daarom is de raadsman van mening dat de eis van 24 maanden, zoals geëist door de officier van justitie, te hoog is. De raadsman geeft aan dat het weliswaar vervelende feiten betreft die veel overlast veroorzaken, maar dat het financieel gewin aan de zijde van verdachte en het verlies aan de zijde van de slachtoffers beperkt is. De gangbare strafoplegging met betrekking tot dit soort feiten is volgens de raadsman niet in verhouding met de eis van de officier van justitie. De raadsman stelt zich op het standpunt dat voor de twee bewezenverklaarde feiten de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht afdoende is als straf. De raadsman is verder van mening dat niet veel waarde dient te worden gehecht aan het reclasseringsadvies, daar hij de visie van L. Scheffers welke in het advies naar voren komt, in twijfel trekt en aangeeft dat Scheffers’ persoonlijke mening van doorslaggevende betekenis is geweest bij het advies. De raadsman deelt mede dat hij Scheffers op de terechtzitting had willen horen, maar ziet dat het niet gelukt is om hem op te roepen. De raadsman acht het daarom onwenselijk om het reclasseringsadvies bij beoordeling in deze zaak te betrekken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf met een (klein) deel daarvan voorwaardelijk van na te melden duur leiden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier strafbare feiten, te weten twee maal oplichting, een poging diefstal en een diefstal. Verdachte belt aan bij mensen thuis, komt hun woning binnen en bemachtigt door het aannemen van een valse hoedanigheid en het vertellen van onwaarheden financiële middelen en/of goederen dan wel doet een poging daartoe. Daarmee heeft verdachte veel overlast veroorzaakt bij de benadeelden en hun vertrouwen beschaamd. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

Uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 april 2011 aangaande verdachte blijkt dat verdachte reeds meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij na eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten niet gestopt is met het plegen van deze feiten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de feiten, die hij bekend heeft, gepleegd heeft om op die manier aan geld te komen om drugs kopen. Verdachte is nog niet van zijn drugsverslaving af en geeft aan dat hij graag hulp wil om van de drugsverslaving af te komen. De rechtbank zal een voorwaardelijk strafdeel opleggen, met als bijzondere voorwaarde het zich gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door Reclassering Nederland.

De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, passend en geboden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht opnemen. Met betrekking tot deze op te leggen bijzondere voorwaarde heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zijn medewerking zal verlenen aan begeleiding.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 6 juli 2010 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van eenvoudige belediging en oplichting veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 2 maanden, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 6 juli 2010, ten uitvoer zal worden gelegd. De officier van justitie voert daartoe aan dat verdachte zich binnen de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich binnen de proeftijd van 21 juli 2010 - 20 juli 2012 schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten, te weten twee maal oplichting, eenmaal een poging diefstal en eenmaal diefstal, als bewezen verklaard in onderhavige zaak en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.

8 De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 december 2009 van het Gerechtshof te Arnhem is verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf. Verdachte is voorwaardelijke invrijheidstelling verleend per 9 april 2010. Aan verdachte is op 18 april 2010 de beslissing tot voorwaardelijke invrijheidstelling betekend.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling dient te worden toegewezen. De officier van justitie voert daartoe aan dat de het niet verdachte niet gelukt is om binnen de gestelde proeftijd van 3 juli 2010 – 3 juli 2011 geen nieuwe strafbare feiten te plegen. De officier van justitie meent dat verdachte nu de resterende gevangenisstraf moet uitzitten.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich binnen de proeftijd van 3 juli 2010 – 3 juli 2011 schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten, te weten tweemaal oplichting en eenmaal een poging diefstal en eenmaal diefstal, als bewezen verklaard in onderhavige zaak en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De rechtbank komt tot het oordeel dat de vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel zal worden toegewezen, zodat verdachte de resterende gevangenisstraf dient uit te zitten.

9 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert schadevergoeding van € 75,00 voor feit 2 onder parketnummer 16/600154-11, bestaande uit € 75,00 ter zake materiële schade, te weten de diefstal van een portemonnee met inhoud.

De rechtbank is van oordeelt dat [slachtoffer 4] niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, daar verdachte voor bovengenoemd feit wordt vrijgesproken.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 15, 15a, 15g, 15i, 15j, 45, 63, 310, 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder parketnummer16/600154-11 onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten. De rechtbank spreekt verdachte tevens vrij van de onder parketnummer 16/710743-10 onder 2, onder 4 en onder 5 tenlastegelegde feiten.

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van parketnummer16/600154-11

Feit 1 Subsidiair: Poging diefstal

Feit 3: Oplichting

Ten aanzien van parketnummer 16/710743-10

Feit 1: Diefstal

Feit 3: Oplichting

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland.

bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest

heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het

onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 6 juli 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600396-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 2 maanden gevangenisstraf;

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling

- wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling welke verleend is op 9 april 2010 in de zaak onder parketnummer 99/000035-16, voor een periode van 77 dagen, zijnde de periode die nog resteert na het vonnis van de politierechter van 6 juni 2010 tot herroeping van 40 dagen.

Benadeelde partij

- bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet ontvankelijk is in haar vordering (parketnummer 16/600154-11) en dat de vordering slechts kan bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 juni 2011.