Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR2584

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
21-07-2011
Zaaknummer
16-995024-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak artikelen 173a en 173b Sr. Geldboetes wegens artikelen 10 en 32 Arbeidsomstandighedenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-995024-10 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 10 juni 2011

in de strafzaak tegen

[bedrijf 1],

gevestigd te [woonplaats], [adres].

Raadsman: mr. F.J. Majoor, advocaat te Diemen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 24 mei 2011 en 27 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat:

Feit 1 primair: verdachte in een pand gelegen in het winkelcentrum Passage Corridor te Veenendaal in vereniging opzettelijk en wederrechtelijk asbest(vezels) in de bodem en/of lucht heeft gebracht, waarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten was;

Feit 1 subsidiair: het aan de schuld van verdachte te wijten is dat in voornoemd pand in vereniging asbest(vezels) in de bodem en/of lucht werd(en) gebracht, waarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor anderen te duchten was;

Feit 1 meer subsidiair: verdachte in vereniging, terwijl door de arbeid die zij door haar werknemers in voormeld pand deed verrichten gevaar kon ontstaan voor de veiligheid of gezondheid van andere personen dan die werknemers, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar;

Feit 2: verdachte als werkgeefster in vereniging handelingen heeft verricht in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of daarop berustende bepalingen door werknemers sloopwerkzaamheden in voornoemd pand te laten verrichten, terwijl zij en/of haar mededaders wist(en) of redelijkerwijs moest(en) weten dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers ontstond of te verwachten was.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het onder 2 ten laste gelegde feit kan volgens de officier van justitie eveneens wettig en overtuigend bewezen worden met uitzondering van de zinsnede: “2. artikel 4.45 en 4.46 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) de concentratie van asbeststof in de lucht niet zo laag mogelijk onder de grenswaarde, bedoeld in artikel 4.46, gehouden, aangezien de concentratie asbeststof de grenswaarde overschreed”.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte van de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. De raadsman heeft hiertoe, kort gezegd, het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 primair

Nadat buiten het pand van Albert Heijn asbestverdacht materiaal was aangetroffen, zijn de werkzaamheden in dit pand stilgelegd. Vervolgens heeft [bedrijf 2] gerapporteerd dat kleine stukjes asbest en enige stof was gevonden en dat een schoonmaak nodig was. [A] heeft de asbestsanering conform het rapport van [bedrijf 2] uitgevoerd waarna [bedrijf 6] bij haar eindcontrole concludeerde dat het pand schoon was. De medewerkers van [bedrijf 1] mochten er aldus op vertrouwen dat de ruimte binnen Albert Heijn asbestvrij was.

In 1997 heeft [bedrijf 3] de asbestsanering in de nabijheid van het pand van Albert Heijn niet zorgvuldig uitgevoerd waardoor asbesthoudende restanten en asbesthoudend stof boven de plafonds in de Albert Heijn en de belendende winkels zijn achtergebleven.

Het binnenbrandschot van een lengte van ongeveer 44 meter lengte was niet meer in het pand van Albert Heijn aanwezig toen [bedrijf 1] op 3 juli 2009 met haar sloopwerkzaamheden begon. De geconstateerde hoge concentratie asbestvezels is daarom afkomstig van een andere bron, te weten de eerdere asbestsanering door [bedrijf 4] aldus de raadsman.

De gemeente Veenendaal heeft een sloopvergunning van het pand van Albert Heijn afgegeven met de vermelding dat geen asbest was aangetroffen.

[B], [C] en [D], allen werkzaam voor [bedrijf 1], wisten niet en konden ook niet weten dat ten tijde van de ten laste gelegde periode sprake was van een ernstige asbestbesmetting in het winkelpand Albert Heijn.

De raadsman concludeert dat verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken omdat opzet op het delict ontbreekt.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

[bedrijf 1], [B], [C] en [D] treft ook geen schuld aan het in de bodem en/of lucht brengen van asbesthoudend materiaal aangezien zij niet 44 meter lengte aan asbest hebben gesloopt en geen weet hadden van andere asbestbesmettingsbronnen met uitzondering van de door [C] en [D] gevonden brokstukken op het sorteerterrein van Albert Heijn en de restanten van een eerdere asbestsanering.

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair

[bedrijf 1] heeft voor een werkplan gezorgd waarin een containment werd voorgeschreven ten behoeve van het schoonmaken van het pand. Deskundig Toezichthouder Asbestsloop [A] heeft zelfstandig besloten om de werkplek schoon te maken zonder een containment op te zetten. [bedrijf 1] mocht er echter van uit gaan dat [A] zijn werk conform het werkplan zou uitvoeren.

Ten aanzien van feit 2

[bedrijf 1] was er niet van op de hoogte dat de asbestbesmetting afkomstig was van de sloop van een brandschot in het pand van Albert Heijn zodat zij geen aanleiding had om tot doeltreffende bescherming van haar anderen over te gaan.

Nadat asbest in het pand is aangetroffen heeft [bedrijf 1] gezorgd voor een deugdelijke afzetting van het risicogebied zodat de ten laste gelegde zaken niet overeenstemmen met de feitelijke situatie en verdachte van het onder het eerste gedachtestreepje ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het zo laag mogelijk houden van de concentratie van stoffen, als ten laste gelegd onder het tweede gedachtestreepje, voert de verdediging aan dat uit het dossier niet blijkt van enige emissie als gevolg van de schoonmaak.

De werklieden hebben in het pand buiten de afzetting in een als veilig beoordeelde ruimte gewerkt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

A. De bij de werkzaamheden betrokken partijen

In het winkelcentrum Passage Corridor te Veenendaal bevindt zich op het adres Passage 50 een supermarkt van de winkelketen Albert Heijn met een oppervlakte van ongeveer 2.700 vierkante meter. Dit pand diende in opdracht van Albert Heijn B.V. geheel te worden gerenoveerd.

Albert Heijn B.V. is huurder van het pand Passage 50 te Veenendaal. Albert Heijn B.V. heeft [bedrijf 7] opdracht gegeven om de renovatie van het pand te organiseren. [bedrijf 7] deed de directievoering van het werk. [E] is directeur van [bedrijf 7] [F] is als projectleider en [G] als directievoerder in loondienst van [bedrijf 7]

Voorafgaand aan de renovatie van het pand diende het inpandige gedeelte van Albert Heijn te worden gesloopt. [bedrijf 1] heeft in opdracht van [bedrijf 7] sloopwerkzaamheden in het pand verricht. Het sloopwerk is op vrijdag 3 juli 2009 omstreeks 18.00 uur aangevangen en diende op zaterdag 4 juli 2009 omstreeks 23.00 uur gereed te zijn.

[B] is directeur van [B] Beheer B.V., welke vennootschap de enige aandeelhouder van [bedrijf 1] is. [C] is als projectleider en [D] als Deskundig Toezichthouder Asbestsloop (hierna te noemen: DTA) in loondienst bij [bedrijf 1]

Op 4 juli 2009 omstreeks 16.00 uur werd op het laad- en losterrein achter Albert Heijn tussen het bouw- en sloopafval asbesthoudend materiaal aangetroffen. DTA [D] heeft toen een geel/zwart asbestlint gespannen in het pand van Albert Heijn. Achter het lint mochten geen sloopwerkzaamheden meer worden verricht.

In opdracht van [bedrijf 1] heeft [bedrijf 2] een asbestinventarisatie type A uitgevoerd. Hieruit bleek dat zich restanten asbesthoudende beplating boven de rolluiken in het pand hadden bevonden. De sanering van het asbest werd door [bedrijf 2] geclassificeerd in risicoklasse 2.

[bedrijf 1] heeft vervolgens [A] als asbestsaneerder ingehuurd om de restanten asbestmateriaal te verwijderen. [A] is directeur van eenmansbedrijf [bedrijf 8] .

B. Ten aanzien van feit 1 primair, 1 subsidiair, 1 meer subsidiair en 2

[H] heeft op 3 en 4 juli 2009 als kraanmachinist in dienst van [bedrijf 1] sloopwerkzaamheden verricht in het pand Albert Heijn aan de Passage 50 te Veenendaal. [C] was op dat moment zijn leidinggevende. Op 4 juli 2009 heeft [H] met een kraantje rolluiken uit het pand weggetrokken. Daar is hij mee gestopt nadat er asbest was aangetroffen. Hij heeft twee van de vijf rolluiken weggehaald door deze met de kraan vast te pakken en uit de lagers vandaan te wringen. Volgens [H] zou het kunnen dat het aangetroffen asbest door hem is verwijderd bij de verwijdering van de rolluiken .

[I] was bezig met het sorteren van afval en zag brokken plaatwerk dat er uit zag als asbesthoudend materiaal. DTA [D] herkende het als losgebonden asbest. Bij het afval lag een folder die [I] de dag er voor bij de rolluiken had zien liggen voor in het pand.

[bedrijf 2] heeft op 4 juli 2009 een asbestinventarisatie type A (visueel onderzoek) verricht. Er werden restanten plaatmateriaal met 30-60% niet hechtgebonden amosiet (bruin asbest) aangetroffen boven de rolluiken tegen het houten rachelwerk en op de luifel van de rolluiken. De verwijdering van dit asbest werd geclassificeerd in risicoklasse 2 .

[J], werkvoorbereider bij [bedrijf 1], heeft in het oorspronkelijke werkplan van 4 juli 2009 vermeld dat het aangetroffen asbesthoudend materiaal in risicoklasse 2 moest worden verwijderd met gebruik van een containment. De afscherming door middel van een containment is erop gericht de blootstelling aan asbestvezels van mens of milieu te voorkomen .

[D] heeft [A] op 4 juli 2009 omstreeks 22.00 uur gebeld en verteld dat er asbest in voornoemd pand was aangetroffen. [A] is op 5 juli 2009 met vier anderen naar de locatie gegaan, heeft daar het werkplan gelezen en heeft vervolgens asbest verwijderd zonder gebruik te maken van een containment. Tijdens de asbestsaneringswerkzaamheden door [A] bleven de sloopwerkzaamheden doorgaan .

C. Ten aanzien van feit 1 primair en 1 subsidiair (vrijspraak)

Ten laste is gelegd dat door het op ondeskundige wijze slopen of onachtzaam handelen met asbesthoudend (plaat) materiaal asbest is vrijgekomen. De rechtbank is van oordeel dat uit het beschikbare bewijsmateriaal niet kan volgen dat er, tot het moment waarop asbesthoudend plaatmateriaal werd aangetroffen, op ondeskundige wijze is gesloopt. Verder kan uit het bewijsmateriaal niet zonder meer volgen dat door de wijze waarop vervolgens met het asbesthoudend materiaal is omgegaan, er asbest is vrijgekomen.

Wel leidt de rechtbank uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden af dat werknemers van [bedrijf 1] op ondeskundige wijze sloopwerkzaamheden hebben verricht door na het aantreffen van het asbest het slopen van de binnenzijde van het pand van Albert Heijn voort te zetten zonder dat een containment was geplaatst. Dit, terwijl in het werkplan was vastgesteld dat het asbesthoudend materiaal met gebruikmaking van een containment moest worden verwijderd. Het spannen van een geel/zwart asbestlint kon niet voldoende bescherming bieden tegen de blootstelling aan asbestvezels van mens of milieu.

Tevens leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat [A] onachtzaam met het asbesthoudend materiaal heeft gehandeld door dit uit het pand te verwijderen zonder een containment op te bouwen.

De rechtbank acht echter niet wettig en overtuigend bewezen dat door het handelen van [A] danwel door de voortzetting van de werkzaamheden tijdens het onderzoek door [bedrijf 2] en tijdens de sanering door [A] er- daadwerkelijk asbest of asbestdeeltjes of asbesthoudend materiaal is vrijgekomen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde.

[K] ten aanzien van feit 1 meer subsidiair en 2 (bewezenverklaring)

[bedrijf 1] heeft als werkgeefster haar werknemers gedurende de ten laste gelegde periode in het pand van Albert Heijn aan de Passage te Veenendaal sloopwerkzaamheden laten verrichten. Daarnaast heeft [bedrijf 1] de DTA [A] ingehuurd om onder haar gezag asbestsaneringswerkzaamheden te verrichten in voornoemd pand, zodat de rechtbank [bedrijf 1] eveneens als werkgeefster van [A] in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet aanmerkt.

[A] heeft verklaard dat hij op 5 juli 2009 omstreeks 07.00 uur in het pand zag dat er hoogwerkers en andere apparatuur aanwezig waren en dat de lichten in de winkel brandden. De machines draaiden allemaal en er draaiden twee ventilatoren .

Het is een feit van algemene bekendheid dat een in werking zijnde ventilator een apparaat is dat ervoor zorgt dat lucht in beweging wordt gebracht zodat het niet anders kan zijn dan dat asbestvezels door luchtcirculatie in de lucht zijn gekomen en/of werden verspreid.

Volgens [G] zijn ongeveer 100 personen van Albert Heijn, 30 à 40 personen voor de stellingdemontage, later 30 à 35 slopers en ongeveer 25 anderen op de locatie begonnen met werken. Als [G] op de locatie aanwezig is voert hij de directie.

[F] is op 5 juli 2009 naar de werklocatie gegaan. Ter plaatse was [A] bezig met het saneren van asbest. Vos vond het vreemd dat hij zag dat de asbestsaneerders met beschermende kleding aan het werk waren terwijl daar vlakbij personen zonder persoonlijke beschermingsmiddelen ook aan het werk waren .

[L], inspecteur bij [bedrijf 2], heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij de situatie op 4 juli 2009 in Albert Heijn aan de Passage 50 te Veenendaal heeft geclassificeerd in risicoklasse 2. Het ging om een binnensanering waarbij de asbestsanering in containment en met afhankelijke adembescherming plaats diende te vinden, aldus [L] . [L] heeft met [D] besproken dat hij de situatie in risicoklasse 2 heeft beoordeeld en hem verteld dat de sanering plaats moest vinden in containment en met volledige persoonlijke beschermingsmiddelen met afhankelijke lucht .

[A] en zijn werknemers werkten op 5 juli 2009 met adembescherming terwijl de andere personen in het pand geen adembescherming droegen. Het was een ravage omdat er gesloopt werd. Terwijl [A] bezig was met asbestsaneringswerkzaamheden waren andere personen in het pand naast hem sloopwerk aan het uitvoeren .

[M] heeft in het weekend van 4 juli 2009 tot en met 5 juli 2009 in opdracht van [bedrijf 1] sloopwerk verricht in het pand van Albert Heijn terwijl er een geel/zwart asbestlint was gespannen. Zij gingen na stillegging van het werk voor het onderzoek naar asbest gewoon weer aan het werk en mochten alleen niet meer achter het lint komen.

[N], destijds in loondienst bij [bedrijf 1], heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat [C] op 4 juli 2009 in de avond telefonisch contact met [B] heeft gehad. [C] zei dat [bedrijf 1] hem telefonisch had verteld dat de werknemers van het sloopbedrijf na de vondst van het asbesthoudend materiaal weer het pand van Albert Heijn in moesten om te werken. Terwijl [C] de telefoon in zijn hand omhoog hield zei hij dat Van Leeuwen had gezegd dat wie het pand niet in ging zou worden ontslagen .

Het is een feit van algemene bekendheid dat asbest een stof is die gevaarlijk is voor de veiligheid en/of gezondheid van personen. Daarbij kan het spannen van een geel/zwart asbestlint niet voldoende bescherming bieden tegen de blootstelling aan asbestvezels van mens of milieu.

E. Voorts aanvullend ten aanzien van feit 2 (bewezenverklaring)

Het pand van Albert Heijn in het winkelcentrum Passage Corridor te Veenendaal is een plaats die gedurende de ten laste gelegde periode in verband met het verrichten van arbeid werd gebruikt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat asbest een stof is waardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van personen ontstaat of te verwachten is.

F. Het daderschap van een rechtspersoon

Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend.

Het antwoord op de vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

[bedrijf 1] hield zich ten tijde van het ten laste gelegde bezig met het (doen) aannemen en (doen) uitvoeren van sloop- en grondwerken . [B] is naar eigen zeggen deskundig op het gebied van asbest. Hij is DTA geweest en zegt bekend te zijn met de risico’s van asbest . [C], projectleider bij [bedrijf 1], heeft eveneens een DTA-opleiding gehad en heeft daarnaast als saneerder gewerkt . [C] heeft [D], DTA bij [bedrijf 1], bij het project betrokken nadat asbesthoudend materiaal was aangetroffen . De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat bij [bedrijf 1] in ruime mate kennis en vaardigheden aanwezig was met betrekking tot asbestsanering en de gevaren van asbestbesmetting.

[D] heeft uit hoofde van zijn dienstbetrekking bij [bedrijf 1] als DTA werkzaamheden verricht. Daarnaast heeft [A] op 5 juli 2009 onder het gezag van deze vennootschap asbestsaneringswerkzaamheden verricht . Gelet op het voorgaande zijn de ten laste gelegde gedragingen de rechtspersoon bovendien dienstig geweest in het door haar uitgeoefende bedrijf, te weten de voortgang van de sloopwerkzaamheden. De rechtspersoon vermocht er bovendien over te beschikken dat de ten laste gelegde gedragingen al dan niet zou plaatsvinden. De gedragingen werden blijkens de feitelijke gang van zaken, als hiervoor beschreven, door de rechtspersoon aanvaard. [bedrijf 1] erover vermocht te beschikken dat een asbestsanering conform de wet- en regelgeving zou plaatsvinden kunnen de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde gedragingen redelijkerwijs aan dit bedrijf worden toegerekend.

G. Conclusie

Gelet op de onder A, B, D, E en F opgenomen bewijsmiddelen en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 meer subsidiair:

in de periode van 3 juli 2009 tot en met 5 juli 2009, in een winkelpand gelegen in het winkelcentrum Passage Corridor te Veenendaal, terwijl gevaar kon ontstaan voor de veiligheid en/of de gezondheid van andere personen dan haar werknemers, bij of in rechtstreeks verband met de arbeid die zij als werkgeefster door haar werknemers deed verrichten in een bedrijf en/of inrichting, te weten in een winkelfiliaal gelegen in het winkelcentrum Passage Corridor, geen doeltreffende maatregelen heeft genomen ter voorkoming van dat gevaar voor:

- de werknemers en het personeel van andere bedrijven werkzaam in voornoemd winkelpand,

immers:

- was er in het pand een asbestbesmetting die niet voldoende was afgeschermd door een containment waardoor er asbest, amosiet, en/of asbestvezels in de lucht kwamen en/of werden verspreid,

en

- werd er asbest, amosiet, en/of asbesthoudend materiaal verwijderd terwijl in diezelfde ruimte werd gewerkt door voornoemde personen en waren voornoemde personen aldaar aanwezig, zonder dat deze over persoonlijke beschermingsmiddelen beschikten;

2.

in de periode van 3 juli 2009 tot en met 5 juli 2009, in een winkelpand gelegen in het winkelcentrum Passage Corridor te Veenendaal, als werkgeefster in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, handelingen heeft verricht in strijd met de op de Arbeidsomstandighedenwet berustende bepalingen, immers heeft zij toen en daar, in een winkelpand gelegen in het winkelcentrum Passage Corridor zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1 lid 3 onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet van haar, arbeid doen verrichten, bestaande uit het verrichten van sloopwerkzaamheden en handelingen met asbesthoudende materialen (amosiet), terwijl niet werd/was voldaan aan:

- artikel 4.1b van het Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers heeft verdachte niet gezorgd voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en/of veiligheid van voornoemde werknemers, terwijl deze werknemers werden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen, te weten asbest, amosiet,

en

- artikel 4.48a lid 1 Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers heeft verdachte geen passende ademhalingsapparatuur of andere beschermingsmiddelen aan haar medewerkers ter beschikking gesteld of verplicht te dragen,

en

- artikel 4.48a lid 4 Arbeidsomstandighedenbesluit,

immers heeft verdachte in dit winkelpand of delen daarvan niet de aanwezige asbest, dan wel het aanwezige asbesthoudende materiaal verwijderd voordat werd aangevangen met andere werkzaamheden, te weten sloopwerkzaamheden,

terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers ontstond of te verwachten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 meer subsidiair: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon;

Feit 2: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 40.000,- waarvan € 20.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de straf die de officier van justitie heeft gevorderd te hoog is en voert hiertoe aan dat [bedrijf 1] financiële schade heeft geleden als gevolg van deze strafzaak. Het bedrijf heeft kosten moeten maken voor de rapportage asbestinventarisatie type B die op 28 juli 2009 is opgemaakt door [bedrijf 9] ten aanzien van het pand van Halfords. [bedrijf 1] krijgt minder opdrachten binnen en is [bedrijf 7] als klant kwijt. Het bedrijf draait momenteel verlies.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de omstandigheden waarin verdachte zich bevindt.

[bedrijf 1] heeft haar werknemers in een winkelpand arbeid laten verrichten terwijl het aldaar aangetroffen asbesthoudend materiaal niet onder asbestcondities werd verwijderd. Hierdoor kon levensgevaar of ernstige schade ontstaan voor de veiligheid en gezondheid van haar werknemers en andere personen die zich in het pand bevonden. Asbestvezels kunnen bij inademing diep in de longen doordringen, hetgeen op termijn van tientallen jaren buikvlieskanker, longvlieskanker en stoflongen kan veroorzaken.

De rechtbank acht de bewezen verklaarde feiten zeer ernstig en rekent het verdachte zwaar aan dat [B], [C] en [D] met hun kennis en vaardigheden ten aanzien van asbestsanering en de gevaren van asbest, op deze wijze hebben gehandeld en niet de verantwoordelijkheid hebben genomen om het asbest op een veilige manier te (laten) verwijderen.

De rechtbank heeft gelet op de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 23 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Voorts neemt de rechtbank bij de straftoemeting in aanmerking het tijdsverloop nu de bewezen verklaarde feiten in de periode van 3 juli 2009 tot en met 5 juli 2009 hebben plaatsgevonden en op 10 juni 2011 uitspraak in deze zaak wordt gedaan.

Alles afwegende, acht de rechtbank oplegging van de volgende straffen passend en geboden: ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde een geldboete van € 2.500,- en ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde een geldboete van € 10.000,- waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straffen, die in totaal lager zijn dan de straf die de officier van justitie heeft gevorderd, worden volstaan. De rechtbank heeft, anders dan de officier van justitie, het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde bewezen geacht. Daarnaast heeft de rechtbank bij de straftoemeting rekening gehouden met de omstandigheid dat feit 1 meer subsidiair een overtreding betreft en feit 2 een misdrijf. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 51 en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2, 6 van de Wet op de economische delicten zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 meer subsidiair: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon;

Feit 2: Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 2.500,-;

Strafoplegging ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 10.000,- waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juni 2011.