Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR2475

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
20-07-2011
Zaaknummer
16/445243-09 en 16/170915-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS terzake bedreigingen (meerdere malen)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/445243-09 en 16/170915-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1965] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd te Amsterdam, PI Amsterdam-Over Amstel, locatie Penitentiair Psychiatrisch Centrum

raadsman mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de terechtzittingen van 19 juli 2010, 5 oktober 2010, 13 oktober 2010, 6 januari 2011, 31 maart 2011 en 28 juni 2011. Verdachte is op de laatst genoemde datum niet verschenen.

Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman mr. H.J. Veen.

De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 16/445243-09:

Feit 1 op 29 januari 2009 [slachtoffer 1] heeft bedreigd;

Feit 2 op 6 augustus 2009 [slachtoffer 2] heeft bedreigd;

Feit 3 op 15 mei 2009 [slachtoffer 3] heeft mishandeld;

Feit 4 op 15 mei 2009 [slachtoffer 3] heeft bedreigd;

Feit 5 op 19 juli 2009 zijn moeder, [slachtoffer 4], heeft bedreigd;

Feit 6 primair: op 24 augustus 2009 geprobeerd heeft [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen; subsidiair: op 24 augustus 2009 [slachtoffer 5] heeft mishandeld;

Parketnummer 16/170915-10:

op 31 augustus 2010 [slachtoffer 6] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 16/445243-09 feit 1 tot en met feit 5, feit 6 subsidiair en het onder 16/170915-10 tenlastegelegde heeft begaan. Zij baseert zich daarbij telkens op de aangifte, de getuigenverklaringen en voor de feiten 2, 4 en 5 van parketnummer16/445243-09 baseert zij haar standpunt tevens op de verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen voor alle tenlastegelegde feiten, met uitzondering van feit 6 primair. Voor feit 6 subsidiair kan de rechtbank eveneens tot een bewezenverklaring komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Parketnummer 16/445243-09

4.3.1.1 Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende feiten en omstandigheden vervat in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 1] heeft tegenover de politie verklaard dat hij

op 29 januari 2009 als verpleegkundige werkte bij Altrecht te Zeist. Verdachte was bij deze instelling opgenomen en in behandeling. Verdachte kwam op die datum naar aangever toelopen en schreeuwde dat hij brood moest hebben. Aangever zei dat dat, gelet op het nachtelijke tijdstip, niet ging. Verdachte liep naar het keukenblok en pakte een vork uit een lade. Hij liep met die vork naar aangever toe, ging op ongeveer 10 centimeter voor hem staan en drukte met die vork tegen de borst van aangever. Verdachte zei daarbij dat hij als hij geen brood zou krijgen, aangever zou vermoorden.

Getuige [getuige 1] verklaarde tegenover de politie dat zij op dat moment eveneens als verpleegkundige aan het werk was. Ze zag dat haar collega [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) achteruit de keuken uit kwam lopen en dat verdachte hem vast hield. Ze liep naar hen toe en zag dat verdachte erg intimiderend overkwam. Ze hoorde dat hij dreigende woorden sprak en een verwilderde blik in zijn ogen had. Ze drukte het alarm in, zodat de beveiligingsmedewerkers naar de afdeling zouden komen. Voordat de beveiligingsmedewerkers arriveerden had verdachte al los gelaten. Getuige zag toen op de keukenvloer een vork liggen. Ze hoorde dat [slachtoffer 1] zei dat verdachte hem met een vork had geprikt en ze zag dat hij op zijn borst rode afdrukken had staan.

4.3.1.2 Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende feiten en omstandigheden vervat in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 2] heeft tegenover de politie verklaard dat zij op 6 augustus 2009 werkzaam was als psychiater/medisch manager bij Altrecht te Zeist. Zij hoorde op die datum geschreeuw en herkende de stem van verdachte. Zij ging direct naar verdachte en zei tegen hem dat hij weg moest gaan. Zij stond op een meter afstand van verdachte en hoorde dat verdachte meermalen tegen haar schreeuwde: “ik wil niet in behandeling zijn”. Verdachte wees daarbij steeds naar aangeefster. Omdat verdachte in de richting van de uitgang liep volgde aangeefster hem. Voor de uitgang draaide verdachte zich om zodat ze weer tegenover elkaar stonden. De afstand tussen hen bedroeg toen minder dan een halve meter. Verdachte zei vervolgens nogmaals tegen aangeefster dat hij geen behandelingen wilde en zei “anders vermoord ik je, ik maak geen onderscheid tussen man en vrouw.” Terwijl verdachte dit zei keek hij aangeefster aan en wees daarbij naar aangeefsters gezicht.

Verdachte heeft bij de politie bekend dat hij op 6 augustus 2009 bij Altrecht heeft staan schreeuwen dat hij iemand zou afmaken.

4.3.1.3 Ten aanzien van de feiten 3 en 4

De rechtbank acht de feiten 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende feiten en omstandigheden vervat in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 3] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 15 mei 2009 werkzaam was als stagiair verpleegkundige in het Willem Arntzhuis te Utrecht. Verdachte verbleef daar in de separeercel en kreeg door aangever medicatie toegediend. Op het moment van toedienen, kwam verdachte uit zijn bed omhoog en strekte zijn beide armen vooruit en probeerde aangever bij zijn keel te grijpen. Aangever weerde zich met zijn arm af. Verdachte pakte aangever bij zijn t-shirt ter hoogte van zijn schouder vast. Aangever voelde toen een branderige pijn opkomen. Verdachte zei: “ik sla je dood, ik herken je kop als ik je buiten tegen kom”.

Getuige [getuige 2] assisteerde aangever bij het toebrengen van de medicatie en verklaarde tegenover de politie dat verdachte aanvankelijk meewerkte en op bed ging liggen. Verdachte kwam echter ineens omhoog en probeerde aangever bij zijn keel te grijpen, maar raakte de halsstreek. Verdachte zei hierbij: “Ik sla je dood. Als ik je buiten tegen kom, pak ik je. Ik herken je kop”. Het was een serieus dreigement.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij tegen de verpleger die hem de medicatie gaf heeft gezegd: “Als je nog een keer een spuit in mijn donder stopt, dan pak ik je”.

4.3.1.4 Ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende feiten en omstandigheden vervat in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

De moeder van verdachte, [slachtoffer 4], heeft tegenover de politie verklaard dat zij op 19 juli 2009 door haar zoon, verdachte, werd opgebeld met de vraag hem € 200,- te komen brengen. Aangeefster zei dat ze dat niet wilde en verbrak de verbinding. Ze werd direct daarna opnieuw door verdachte gebeld. Hij zei tegen haar: “als je dat geld niet voor 12 uur gebracht hebt, kom ik naar je toe en sla ik je dood”. Aangeefster schrok hier erg van en werd ook erg bang. Zij is bang dat verdachte zijn bedreigingen zal uitvoeren. De zus van verdachte, [verdachtes zus], heeft tegenover de politie verklaard dat haar moeder doodsbang is voor verdachte omdat hij haar in de loop van de jaren meerdere keren heeft mishandeld en bedreigd.

Verdachte heeft verklaard dat hij die dag ruzie had met zijn moeder over geld.

4.3.1.5 Ten aanzien van feit 6 subsidiair

De rechtbank acht feit 6 subsidiair wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende feiten en omstandigheden vervat in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 5] heeft tegenover de politie verklaard dat hij op 24 augustus 2009 als verpleegkundige werkzaam was bij Altrecht te Zeist. Verdachte schreeuwde hard tegen een collega van aangever en liep op die collega af. Aangever probeerde dit te verhinderen, waarna verdachte zich omdraaide en zijn beide handen om de nek van aangever deed. Dit ging met flinke kracht, waardoor aangever minder lucht kreeg. Aangever pakte vervolgens verdachte bij zijn arm, waardoor verdachte los liet. Aangever zag nadien in de spiegel dat hij twee striemen en twee wondjes in zijn nek had.

Getuige [getuige 3] was die dag eveneens als verpleegkundige werkzaam bij Altrecht. Hij verklaarde tegenover de politie dat hij zag dat verdachte op zijn collega [slachtoffer 5] afvloog. Hij zag dat verdachte [slachtoffer 5] met beide handen bij zijn keel pakte. Dit duurde een paar seconden. Hij zag dat [slachtoffer 5] striemen in zijn nek had gekregen en een soort rode streep. Een uur nadien had [slachtoffer 5] in de nek/hals nog strepen staan.

4.3.1.6 Vrijspraak feit 6 primair

Gelet op de inhoud van de hiervoor onder 4.3.1.5 genoemde bewijsmiddelen zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder feit 6 primair tenlastegelegde, de poging tot zware mishandeling. Uit deze bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte slechts een kort moment met kracht zijn beide handen om de nek van aangever zette. Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke handeling onder deze omstandigheden niet aan te merken als een poging tot zware mishandeling.

4.3.2 Ten aanzien van parketnummer 16/170915-10

De rechtbank acht het onder dit parketnummer ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van de navolgende feiten en omstandigheden vervat in de in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen.

Aangever [slachtoffer 6] heeft tegenover de politie verklaard dat hij zich op 31 augustus 2010 in de woning van mevrouw [slachtoffer 4] bevond. Deze woning is onderdeel van een zorgcomplex, waarvan aangever vestigingsmanager is. Via de intercom meldde de zoon van mevrouw [slachtoffer 4], verdachte, zich. Mevrouw [slachtoffer 4] vroeg aangever haar zoon te woord te staan en hem te zeggen dat hij niet welkom was. Aangever opende de deur van de woning en zag verdachte voor de deur staan. Aangever zei tegen verdachte dat zijn moeder hem niet wenste te spreken. Verdachte balde zijn vuist en sloeg aangever meerdere malen tegen zijn gezicht/hoofd. Hierbij viel de bril van aangever op de grond. Aangever voelde direct veel pijn. Hij werd ongeveer 8 meter door de gang geslagen en kreeg ongeveer 10 vuistslagen van verdachte.

De verbalisant die aangever kort na het incident ontmoette in het verzorgingscomplex relateert in een proces-verbaal van bevindingen dat rondom het linkeroog van aangever een rode plek zat en dat de huid rondom zijn oog erg opgezwollen was. Tevens had aangever in zijn gezicht en op zijn hoofd een aantal zwellingen.

Getuige [getuige 4] heeft tegenover de politie verklaard dat zij zich op 31 augustus 2010 op de gang van het verzorgingscomplex bevond en zag dat een onbekende man de vestigingsmanager met beide handen bij zijn overhemd vastpakte. Ze verloor beide mannen even uit het oog, omdat de vestigingsmanager achteruit de gang in liep waar de woning van mevrouw [slachtoffer 4] is gelegen en de onbekende man achter hem aan bleef lopen. Die onbekende man bleef ondertussen tegen de vestigingsmanager schreeuwen dat hij geld wilde hebben. Even later kwamen beide mannen terug uit het gangetje. De onbekende man gaf de vestigingsmanager een klap in het gezicht, waarbij diens bril van zijn hoofd viel.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer 16/445243-09

1.

op 29 januari 2009 te Zeist, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het

leven gericht, immers heeft verdachte

opzettelijk dreigend, terwijl hij zich op een afstand van ongeveer 10

centimeter van die [slachtoffer 1] bevond, een vork gericht op [slachtoffer 1]voornoemd en (daarbij) voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de

woorden toegevoegd : "ik ga jou vermoorden",

2.

op 06 augustus 2009 te Zeist, [slachtoffer 2] (psychiater/medisch manager bij Altrecht) heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden

toegevoegd :"ik wil geen behandelingen anders vermoord ik je, ik maak geen

onderscheid tussen man en vrouw"

3.

op 15 mei 2009 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 3] (stagiaire verpleegkundige in het

Willem Arntzhuis) op een zodanige wijze bij diens shirt heeft vastgepakt dat voornoemde [slachtoffer 3] pijn heeft ondervonden;

4.

op 15 mei 2009 te Utrecht, [slachtoffer 3] (stagiaire verpleegkundige in het Willem Arntzhuis) heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd :"ik sla je dood, ik herken je kop als ik je buiten tegen

kom" en “Als je nog een keer een spuit in mijn donder stopt, dan pak ik je”,

5.

op 19 juli 2009 te Zeist,zijn moeder [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: "als je dat geld niet voor 12 uur gebracht hebt, kom ik naar je toe en sla ik je

dood"

6.

Subsidiair

op 24 augustus 2009 te Zeist, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 5] (verpleegkundige bij

Altrecht) bij diens keel heeft gegrepen en diens keel heeft dichtgeknepen, waardoor voornoemde [slachtoffer 5] letsel heeft bekomen

parketnummer 16/170915-10

op 31 augustus 2010 te Zeist, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 6]),

meerdere malen in het gezicht,en/of en tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waardoor

deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Parketnummer 16/445243-09 feit 1, 2, 4 en 5:

telkens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Parketnummer 16/445243-09, feit 3, 6 subsidiair en parketnummer 16/170915-10:

telkens mishandeling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekenings-vatbaar dient te worden verklaard en derhalve niet strafbaar is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zowel psychiater drs. C.J.F. Kemperman als psycholoog dr. J.J. Baneke hebben getracht verdachte psychisch te onderzoeken. Het is hen echter niet gelukt met verdachte in gesprek te komen, omdat verdachte verbaal en fysiek agressief reageerde.

Verdachte is vervolgens geobserveerd in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). De deskundigen van het PBC adviseren in hun rapportage d.d. 22 juni 2011 verdachte de tenlastegelegde feiten minimaal sterk verminderd toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusie omtrent de toerekeningsvatbaarheid van de deskundigen van het PBC over en volgt dus niet het standpunt van de raadsman dat verdachte niet strafbaar is voor datgene wat hem is ten laste gelegd. De bewezen verklaarde feiten kunnen verdachte weliswaar sterk verminderd worden toegerekend, maar verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid in het geheel uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, op grond van zijn standpunt dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, de maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht

- plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar - wordt opgelegd. Verdachte is de afgelopen periode gedestabiliseerd door de (verkeerde) wijze van behandelen. In de behandeling van zijn psychische problematiek kan het best voorzien worden door de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

6.3.1. Ten aanzien van de ernst van de feiten

Verdachte heeft diverse personen bedreigd en/of mishandeld. De bedreigingen betroffen, naast zijn moeder, telkens personen die vanuit hun medische professie met verdachte in contact kwamen in de klinieken waar verdachte heeft verbleven. Tevens heeft verdachte de vestigingsmanager van het zorgcomplex waarin zijn moeder woont, mishandeld.

Dit zijn kwalijke feiten en verdachte heeft hiermee de lichamelijke integriteit van deze personen geschonden. Alle slachtoffers, uitgezonderd de moeder van verdachte, zijn werkzaam in een zorginstelling en zijn in de uitoefening van hun dagelijkse werkzaamheden ernstig belemmerd. Uit de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] blijkt dat het feit zodanige (fysieke en psychische) impact op hem heeft gehad dat hij zijn functie niet meer naar behoren kan uitoefenen en op zoek moet naar ander werk.

6.3.2. Ten aanzien van de persoon van de verdachte

Blijkens voornoemd rapport van het PBC heeft verdachte gedurende zijn gehele opname in het PBC op de separeerafdeling verbleven. Hij was niet groepsgeschikt. Zijn gedrag kon plotseling omslaan naar aanleiding van relatief onbelangrijke gebeurtenissen. Het feit dat zijn agressie niet is uitgelopen op daadwerkelijke bedreiging en mishandeling is waarschijnlijk te danken aan de tactische, weinig eisen stellende en op zeker moment kordate opstelling van de groepsleiding.

De deskundigen van het PBC komen in hun rapportage – zakelijk weergegeven – tot de volgende conclusie.

“Bij verdachte is sprake van een schizofrene stoornis, met als voornaamste kenmerken al langer bestaande paranoïde en grootheidswanen, onnavolgbare en onsamenhangende verhalen, inadequaat affect (met name de plotselinge agressie en sterke wisselingen in emotioneel gedrag) en toenemend disfunctioneren in de loop van de jaren, ondanks psychiatrische behandeling. De beschikbare gegevens wijzen erop dat premorbide sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, antisociale en borderline trekken en mogelijk ook ADHD. De ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens waren aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Verdachtes problematiek is sterk bepalend voor zijn handelen, doet hem zeer ernstig disfunctioneren en is chronisch van aard.

Met inachtneming van de beperkingen van het onderzoek (veroorzaakt door het ontbreken van gegevens en de omstandigheid dat verdachte niet tot nauwelijks te ondervragen is over de tenlastegelegde feiten) kan gesteld worden dat verdachtes gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens zijn gedragskeuzen en gedragingen ten tijde van de tenlastegelegde feiten minstens in zeer sterke mate hebben beïnvloed. Geadviseerd wordt verdachte de feiten minimaal sterk verminderd toe te rekenen. Verdachte lijkt niet of nauwelijks in staat om anders te handelen dan hij deed door zijn gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Hij is ‘gevangen’ in het agressieve gedragspatroon zoals dat naar voren kwam bij de tenlastegelegde feiten.

Verdachte is niet in staat om zelfstandig te wonen of te functioneren. Hij is niet handhaafbaar in een reguliere klinische psychiatrische setting, noch op een Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA).

Verdachte moet vanuit een duidelijk gestructureerde forensische psychiatrische klinische setting worden bejegend. De kans op geweldsrecidive is hoog; er is een indicatie voor een hoog zorg- en beveiligingsniveau binnen een psychiatrische setting als een Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK). Er is een langdurig verblijf nodig in een gesloten FPK.

Geadviseerd wordt een TBS-maatregel met bevel tot dwangverpleging op te leggen, gezien het uit de stoornis voortkomende recidivegevaar en de te verwachten duur van de behandeling. Deze maatregel dient uitgevoerd te worden in een gesloten FPK.

Een behandeling in een minder vergaand kader, zoals TBS met voorwaarden, is vanwege het ontbrekende ziektebesef en –inzicht, het recidivegevaar en het lage niveau van functioneren, niet geïndiceerd.”

Gelet op de inhoud van voornoemd PBC-rapport en de ernst van de onder parketnummer 16/445243-09 onder 1, 2, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat de maatregel TBS noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- de onder parketnummer 16/445243-09 onder 1, 2, 4 en 5 bewezenverklaarde misdrijven behoren tot een in artikel 37a Sr met name genoemd misdrijf, te weten artikel 285 lid 1 Sr;

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

Voor een tbs met voorwaarden ziet de rechtbank geen ruimte, omdat:

- een eerdere behandeling verdachte er niet van heeft kunnen weerhouden opnieuw in de fout te gaan en

- blijkens het PBC-rapport daarmee onvoldoende de veiligheid van de maatschappij kan worden gegarandeerd.

De rechtbank ziet af van het opleggen van een straf, gelet op de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, de oudheid van de feiten en de duur van de voorlopige hechtenis. De rechtbank adviseert dan ook dat de behandeling in het kader van de TBS zo snel mogelijk een aanvang neemt.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert een schadevergoeding van € 1.665,- voor het feit van parketnummer 16/170915-10.

De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, gelet op de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Verdachte beschikt ook niet over financiële middelen.

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.

De rechtbank is van oordeel dat de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en zijn gebrek aan (voldoende) financiële middelen niet aan de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij in de weg staan. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 665,- een rechtstreeks gevolg is van het onder 16/170915-10 bewezen verklaarde feit, waarvan € 165,- ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 37a, 37b, 57, 300, 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 16/445243-09, feit 6 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 16/445243-09 feiten 1, 2, 4 en 5:

telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Parketnummer 16/445243-09, feiten 3 en 6 subsidiair en parketnummer 16/170915-10:

telkens: mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met bevel tot verpleging van overheidswege;

- adviseert de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zo spoedig mogelijk aan te vangen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van € 665,- waarvan € 165,- ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. A. van Maanen , rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juli 2011.

Mr. Van Maanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.