Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR1638

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-05-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
16-712077-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak ten aanzien van poging diefstal met geweld in vereniging en/of poging afpersing. Tevens vrijspraak ten aanzien van medeplichtigheid aan diefstal met geweld in vereniging en/of medeplichtigheid aan poging tot afpersing in vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712077-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan de [adres], [postcode],

gedetineerd in de PI Utrecht – HvB locatie Nieuwegein.

Raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

- zich op 24 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld, in vereniging gepleegd en/of

- op 24 september 2010 in vereniging heeft geprobeerd [slachtoffer 1] af te persen

Subsidiair:

- zich op 24 september 2010 schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan diefstal met geweld in vereniging gepleegd en/of

- op 24 september 2010 zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan poging tot afpersing in vereniging.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte met geweld geprobeerd heeft om [slachtoffer 1] te overvallen. Zowel de tenlastegelegde poging tot diefstal met geweld in vereniging als de poging tot afpersing in vereniging, acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen.

De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte en de aanvullende verklaringen van [slachtoffer 1], waaruit blijkt dat [slachtoffer 1] via zijn contactpersoon, te weten verdachte, in contact wordt gebracht met medeverdachte [medeverdachte]. Verdachte geeft ook in zijn eigen verklaring aan dat hij [slachtoffer 1] kent en dat hij inderdaad geprobeerd heeft om [slachtoffer 1] in contact te brengen met iemand. Op aanwijzingen van verdachte wordt [slachtoffer 1] naar een flatgebouw geleid, waar hij bij aankomst op de twaalfde verdieping wordt opgewacht door twee mannen met een bivakmuts. [slachtoffer 1] wordt op dat moment met een vuurwapen op het hoofd geslagen. De medische verklaring in het dossier ondersteunt de verklaring van [slachtoffer 1] waarin hij aangeeft dat hij met een vuurwapen op zijn hoofd is geslagen. De tapgesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] in het dossier laten zien dat terwijl verdachte [slachtoffer 1] de weg naar de twaalfde verdieping van de flat wees, er contact was tussen verdachte en een [medeverdachte]. De telefoon waarvan de telecommunicatie is afgeluisterd, wordt door verdachte herkend en bevestigd als zijnde zijn telefoonnummer. Dit gesprek ging erover op welke verdieping de verdachte zich bevond. Tevens acht de officier van justitie de tapgesprekken die zijn opgenomen na de overval tussen [verdachte] en het slachtoffer van belang bij de bewijsvoering. In deze gesprekken komt naar voren dat [verdachte] zich zorgen maakt over hetgeen [slachtoffer 1] aan de politie heeft verteld over hem. Ook de contacten tussen [verdachte] en [medeverdachte] worden door de officier van justitie aangehaald. In een gesprek tussen beiden vraagt [medeverdachte] aan [verdachte] of deze niet gewoon tegen de politie kan zeggen dat “het niet de jongens van gisteren” waren. Tevens wijst de officier van justitie erop dat [verdachte] op de datum van het feit met [medeverdachte] in een auto is gezien. Deze auto is een auto van het merk Opel, type Insignia, met het kenteken [kenteken]. [slachtoffer 1] noemt deze auto als de auto waarin hij verdachte voor het eerst heeft ontmoet. Tevens wordt in een tapgesprek door [verdachte] aan [medeverdachte] gemeld dat “ze” opzoek zijn naar zijn auto. De auto wordt dan plotseling ingeleverd bij het verhuurbedrijf.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de twijfel die de raadsman heeft over de aangifte van [slachtoffer 1]. De raadsman trekt de betrouwbaarheid van [slachtoffer 1] in twijfel, omdat hij zich afvraagt om wat voor handel het gaat als je midden in de nacht bij een gesloten McDonald’s afspreekt en vervolgens naar de twaalfde verdieping van een flat gaat. Aangever zegt eerst dat [verdachte] direct bij aankomst op de twaalfde verdieping uit de lift is gerend, maar tijdens een afgeluisterd telefoongesprek zegt hij dat [verdachte] stond te wachten aan het einde van de gang. De raadsman stelt dat de telefoontaps niet volledig zijn. Uit de taps blijkt niet dat [verdachte] weet had van wat er zou gebeuren. De nauwe en bewuste samenwerking blijkt volgens raadsman niet uit het dossier omdat uit een tapgesprek blijkt dat de beller, [slachtoffer 1], zegt dat zowel hij als [verdachte] werden bedreigd. Het idee dat [verdachte] nauw en bewust samenwerkte met de daders is daaruit niet af te leiden. Op grond hiervan vraagt de raadsman de verdachte voor het primair tenlastegelegde vrij te spreken.

Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde meent de raadsman dat er geen opzet op het feit kan zijn als je niet weet wat er gaat gebeuren. [verdachte] wist volgens de raadsman niet wat er zou gebeuren op de twaalfde verdieping van de flat en er ontbreekt daarom opzet. Ook voor dit feit vraagt de raadsman vrijspraak.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

In tegenstelling tot de officier van justitie, komt de rechtbank niet tot een wettige en overtuigende bewezenverklaring van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. Verdachte bekent weliswaar dat hij als contactpersoon fungeerde tussen [slachtoffer 1] en een andere persoon, echter verdachte geeft aan dat hij niets wist van een mogelijke overval.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wist dat het de bedoeling was om [slachtoffer 1] te overvallen.

De rechtbank leidt uit de afgeluisterde telefoongesprekken, die zich in het dossier bevinden, af dat verdachte wist wie de personen waren die [slachtoffer 1] probeerden te overvallen. Uit de gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte] moet worden afgeleid dat dit dezelfde personen waren die [slachtoffer 1] eerder door de tussenkomst van verdachte had ontmoet. Uit het bewijs en met name ook de afgeluisterde telefoongesprekken kan echter niet worden afgeleid dat verdachte wist wat er ging gebeuren op de twaalfde verdieping van de flat. Gelet op de inhoud van de telefoongesprekken moet voor mogelijk worden gehouden dat de deal betrekking had op 22 gestolen scootmobielen of op een andere illegale transactie. Uit de omstandigheid dat verdachte de lift eerder liet stoppen omdat zich een vrouw in de lift bevond en verdachte pas later met [slachtoffer 1] naar de twaalfde verdieping ging, kan dan ook niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] overvallen zou worden. De omstandigheid dat het ging om gestolen goederen of om andere illegale zaken, kan immers ook een reden zijn geweest om snel de lift weer te willen verlaten. De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet tot het wettige en overtuigende bewijs dat verdachte wist wat er zou gebeuren en zal verdachte dan ook van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 mei 2011.

Mrs. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en E. van den Brink zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.