Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR1624

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
14-07-2011
Zaaknummer
16/600258-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een brandbare vloeistof over slachtoffer heen gegooid en vervolgens een doosje lucifers uit zijn jaszak gehaald. Door op een dergelijk manier te handelen, heeft verdachte bij dit slachtoffer de indruk gewekt dat hij hem mogelijk in brand wilde steken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600258-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1979] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Raadsvrouw mr. J.W. Verhoef, advocaat te Zeist.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: heeft geprobeerd [benadeelde] te doden.

Feit 1 subsidiair: heeft geprobeerd [benadeelde] zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen.

Feit 1 meer subsidiair: [benadeelde] heeft bedreigd.

Feit 2: [benadeelde] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 aan hem ten laste gelegde feiten, heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsvrouw aangevoerd:

Verdachte ontkent lucifers uit zijn zak te hebben gehaald. Voorts heeft verdachte ontkend dat hij voornemens was [benadeelde] aan te steken, nadat hij de vloeistof over hem heen had gegooid. Verdachte had geen opzet op het doden, dan wel de mishandeling van deze [benadeelde]. Het enige doel van verdachte was te bewerkstelligen dat de confrontatie met deze [benadeelde] stopte.

Ook is er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig om tot een bewezenverklaring van een poging doodslag, dan wel een poging zware mishandeling te kunnen komen. Verdachte heeft de lucifers niet gepakt. Al zou verdachte de lucifers wel hebben gepakt, dan is deze enkele handeling nog geen begin van uitvoering. De vloeistof die verdachte naar [benadeelde] gooide betrof een kleine hoeveelheid, waarvan een deel op de grond is terecht gekomen. Voor een bewezenverklaring van een poging is dit onvoldoende, hiervoor zijn meer handelingen nodig.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het standpunt van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De vrijspraak van de feiten 1 primair en 1 subsidiair

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer [benadeelde] van het leven te beroven, dan wel zwaar te mishandelen.

Voor de beantwoording van de vraag of sprake was van poging tot doodslag of een poging tot zware mishandeling moeten de vragen worden beantwoord of verdachte het voornemen had om doodslag of zware mishandeling te plegen en of dit voornemen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, als zij naar de uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.

Weliswaar heeft verdachte een brandbare vloeistof naar deze [benadeelde] gegooid, echter zowel ter terechtzitting d.d. 29 juni 2011, als bij de rechter-commissaris en de politie, heeft verdachte verklaard dat hij enkel het opzet had om [benadeelde] weg te jagen. Verdachte heeft verklaard nimmer het opzet te hebben gehad op het aansteken van deze [benadeelde]. De rechtbank acht van belang dat in de schriftelijke weergave van de 112-melding staat dat [benadeelde] spreekt over een persoon die hem bedreigt met benzine.

De rechtbank is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte de benzine heeft gegooid en het luciferdoosje heeft gepakt ter uitvoering van het voornemen om [benadeelde] om het leven te brengen of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De gedraging van verdachte laat de mogelijkheid open dat hij niet het voornemen had het slachtoffer van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar (slechts) het voornemen had [benadeelde] te bedreigen. De verklaring van verdachte dat hij het voornemen had het bij een bedreiging te laten, kan niet worden weerlegd door de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Derhalve dient verdachte van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten vrij te worden gesproken.

4.3.2 Het bewijs betreffende feit 1 meer subsidiair en feit 2

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het hem onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan.

De verklaring van verdachte

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de vloeistof, die hij in een potje had zitten, naar [benadeelde] heeft gegooid. Hij was boos en verdrietig en wilde [benadeelde] wegjagen. Om dat te bewerkstelligen gooide hij de vloeistof en schreeuwde hij naar deze [benadeelde]. Ze hadden een woordenwisseling en scholden elkaar uit.

De aangever

Aangever [benadeelde] heeft verklaard dat hij op 15 maart 2011 aan het werk was bij [pizzaria] te [plaats]. Toen hij buiten stond, kwam er een man aan gelopen. Aangever zag dat deze man een glazen, doorzichtig potje, uit zijn tas pakte. Hij zag dat de man het deksel van het potje haalde en dat hij de inhoud van het potje over hem heen gooide. De vloeistof kwam terecht op de jas, trui en in het linkeroog van aangever. De vloeistof rook naar benzine. Vervolgens zag aangever dat verdachte een doosje lucifers uit zijn jaszak pakte. Hierop is aangever weggerend. De man rende achter hem aan en aangever hoorde dat hij riep: ‘Ik maak jou dood. Ik roei jouw familie uit. Ik stuur de Russische maffia op jou af. Jij weet nog niet wie ik ben’. Aangever ging de pizzeria binnen, waarop hij hoorde dat de man schreeuwde: ‘kom naar buiten, homo. Ik maak jou dood.’ Aangever heeft 112 gebeld, waarop de politie ter plaatse kwam. Hierop zag aangever dat de man die de vloeistof over hem heen had gegooid werd aangehouden.

De verklaringen van getuigen en bevindingen van verbalisanten

Tegenover de pizzeria waar aangever werkt, woont mevrouw [getuige 2]. Zij heeft verklaard dat zij op 15 maart 2011 een hoop geschreeuw hoorde, waarop zij naar buiten is gaan kijken. Ze zag dat er een man voor de pizzeria stond die riep: ‘Ik maak jou dood.’ Ook de getuige [getuige 1] zag dat er een boze man voor de pizzeria stond, welke man heel hard stond te schreeuwen.

Verbalisant [verbalisant 3] kwam op 15 maart 2011 ter plaatse. Aldaar trof hij aangever aan. Voorts nam hij waar dat aangever naar benzine rook. Ook zag hij dat het linker oog van aangever rood was en dat zijn gezicht nat was. Verdachte werd door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] aangehouden. Tijdens de insluitingfouillering troffen zij drie luciferdoosjes in de jaszak van verdachte aan.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 1 meer subsidiair en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Meer subsidiair

op 15 maart 2011 te [plaats] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een hoeveelheid benzine, althans een brandbare vloeistof over voornoemde [benadeelde] gegooid en vervolgens uit zijn jaszak een doosje lucifers gepakt;

2.

op 15 maart 2011 te [plaats] [benadeelde] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak jou dood. Ik roei jouw familie uit. Ik stuur de Russische maffia op jou af. Jij weet nog niet wie ik ben" en "Kom naar buiten, homo. Ik maak jou dood".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 meer subsidiair en feit 2: Telkens, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Omtrent de persoon van verdachte is door A.J.E. Visscher, psychiater in opleiding en E.A.M. Schouten, psychiater, een rapportage pro justitia d.d. 10 mei 2011 uitgebracht. Hierin wordt onder meer het volgende overwogen, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene is sprake van een psychiatrische stoornis in de vorm van een narcistische persoonlijkheidsstoornis met daarbij licht antisociale trekken. Daarnaast is er bij betrokkene sprake van slaap- en stemmingsklachten, wellicht in het kader van een depressie, dan wel passend bij PTSS. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde was hiervan ook sprake. Deze ziekelijke stoornis van betrokkenes geestvermogens beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Hierdoor was betrokkene ten tijde van de ten laste gelegde feiten verminderd in staat tot een adequate afweging van de gevolgen van zijn handelen te maken. Daarnaast werden zijn vermogens tot het maken van adequate gedragskeuzes negatief beïnvloed vanuit de verstoorde emotionele balans voortvloeiend uit overmatig alcohol gebruik. Al deze elementen in overweging genomen, wordt geadviseerd om betrokkene als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderde de volgende bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen:

- dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet de verdachte zich na een schriftelijke oproep melden bij Reclassering Nederland op het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet hij zich gedurende een door Reclassering Nederland te bepalen periode melden zo frequent als deze instelling dit gedurende deze periode noodzakelijk acht;

- dat verdachte zich laat behandelen bij een instelling voor forensische ambulante psychiatrie;

- dat verdachte verplicht wordt mee te werken aan urinecontroles.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 primair en feit 1 subsidiair. Voor wat betreft de feiten 1 meer subsidiair en 2 heeft de raadsvrouwe zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een brandbare vloeistof over [benadeelde] heen gegooid en vervolgens een doosje lucifers uit zijn jaszak gehaald. Door op een dergelijke manier te handelen, heeft verdachte bij dit slachtoffer de indruk gewekt dat hij hem mogelijk in brand wilde steken. Dit gevoel van het slachtoffer werd versterkt door de bedreigende woorden die verdachte vervolgens aan hem toevoegde. Deze situatie moet op het slachtoffer als zeer bedreigend zijn overgekomen. Daarnaast volgt uit de schriftelijke verklaring van verdachte, zoals opgenomen op zijn voegingsformulier benadeelde partij, dat hij ook nadien nadelige effecten van de gebeurtenis heeft ondervonden.

De rechtbank heeft acht geslagen op voormelde rapportage pro justitia van A.J.E. Visscher, psychiater in opleiding en E.A.M. Schouten, psychiater, waaruit voortvloeit dat de bedreigingen die verdachte heeft geuit in licht verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. Voorts heeft de rechtbank gelet op een de verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d. 24 juni 2011, waarin wordt geadviseerd om verdachte te laten behandelen bij een instelling voor forensische ambulante psychiatrie. Welk advies wordt ondersteund door het pro justitia rapport.

Ten slotte heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 15 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte eenmaal is veroordeeld wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, welke veroordeling dateert van 7 februari 2003.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het gevorderde bedrag door benadeelde partij [benadeelde] voor wat betreft de materiële schade geheel dient te worden toegewezen, te weten tot een bedrag van € 125,00 en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het gevorderde bedrag voor immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 1.500,00 met daarbij eveneens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel verzoekt de officier van justitie de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor wat betreft de materiële schade niet ontvankelijk te verklaren, daar er geen schade is ontstaan aan de trui en jas van [benadeelde].

Daarnaast heeft de raadsvrouw bepleit dat het gevorderde bedrag betreffende immateriële schade gematigd dient te worden tot een bedrag van hooguit € 400,00 of € 500,00.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [benadeelde]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een totaalbedrag van € 2.726,00, waarvan € 125,00 materiële schade, € 2.500,00 immateriële schade en € 101,00 kosten voor rechtsbijstand.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 125,00 betreffende materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Van het gevorderde bedrag voor immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 500 toewijsbaar. De vordering tot vergoeding van de overige schade acht de rechtbank niet toewijsbaar. Daarbij is van belang dat de vordering is betwist en de inhoud van de vordering nader onderzoek vraagt naar andere oorzaken voor de psychische omstandigheden waarin aangever ten tijde van de hier bewezen verklaarde gebeurtenis verkeerde. Dat gedeelte van de vordering zou een nadere behandeling en bewijsvoering vergen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de in beslag genomen trui en de jas aan [benadeelde] te retourneren. Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderde deze te onttrekken aan het verkeer.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt gegeven ten aanzien van het beslag.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

8.3.1 De teruggave

De rechtank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan [benadeelde], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

8.3.2 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat deze voorwerpen bij het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten, zijn aangetroffen, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36c, 36f, 57, 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 meer subsidiair en feit 2: Telkens, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan 4 (vier) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dat inhoudt het ondergaan van een behandeling bij De Waag, dan wel Kairos. Daartoe moet de verdachte zich na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij Reclassering Nederland op het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet hij zich gedurende een door Reclassering Nederland, dan wel De Waag en/of Kairos te bepalen periode melden zo frequent als deze instelling dit gedurende deze periode noodzakelijk acht;

* dat verdachte indien de Reclassering dit nodig acht medewerking verleent aan de afname van urinecontroles.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan [benadeelde] van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 6 en 7

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd: 1, 2, 3 en 5.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 625,00, waarvan € 125,00 ter zake van materiële schade en € 500,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 maart 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op € 101,00 ;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 625,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. R.S.B. Kool, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 juli 2011.