Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR1490

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
16-600188-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor auto-inbraken. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 108 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600188-11; 16/504248-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1990] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Utrecht, HvB Wolvenplein,

raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Ten aanzien van feit 1: samen met een ander of anderen een navigatiesysteem uit een auto heeft weggenomen door middel van braak en/of verbreking;

Ten aanzien van feit 2: samen met een ander of anderen een navigatiesysteem uit een auto heeft weggenomen door middel van braak en/of verbreking.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daarbij gewezen op het volgende.

De getuige heeft drie personen gezien en verdachte is in de tram aangehouden. Er heeft geen herkenning plaatsgevonden. Er is geen verband tussen de drie personen op de parkeerplaats en de aanhouding van verdachte in de tram. Voorts is verdachte niet aangehouden op basis van het opgegeven signalement, maar doordat de verbalisant hem ambtshalve heeft herkend. Ten slotte voert de verdediging aan dat de in beslag genomen goederen niet te linken zijn aan verdachte en dat er geen sporen zijn aangetroffen die naar hem leiden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende wettige bewijsmiddelen.

Op 22 februari 2011 te 14.05 uur komt er een melding binnen bij de meldkamer van de politie dat er in een tweetal auto’s wordt ingebroken. Op dezelfde dag wordt er door aangever [aangever 1] , namens [bedrijf 1], aangifte gedaan van diefstal uit een blauwe Volkswagen Passat met kenteken [kenteken] en door aangever [aangever 2] , namens [bedrijf 2], wordt aangifte gedaan van diefstal uit een grijze Volkswagen Passat met kenteken [kenteken]. Bij beide auto’s is een ruit ingeslagen en een navigatiesysteem weggenomen.

Getuige [getuige] ziet drie personen bij de auto’s op de parkeerplaats aan de [adres] te Nieuwegein. Eén persoon stapt uit een blauwe Volkswagen Passat met een plastic tas in zijn handen. Vervolgens loopt een van de drie personen naar een andere geparkeerde auto en slaat de ruit van de linkervoorportier in van de zilverkleurige Volkswagen Passat. De betreffende personen rennen vervolgens weg in de richting van de tramhalte Transferium. De tram komt op dat moment aanrijden in de richting van Utrecht Centrum. Wanneer de tram verder rijdt, ziet getuige [getuige] de drie personen niet meer en hij gaat ervan uit dat de drie personen in de tram zijn gestapt. Getuige [getuige] geeft het volgende signalement door van de drie personen: Marokkaanse jongens, tussen de 20 en 30 jaar, met een licht getinte huidskleur. De eerste verdachte heeft een stevig postuur, draagt een zwarte jas en draagt een plastic tas bij het lopen naar de tram. De tweede verdachte heeft een normaal postuur en draagt een zwarte jas en een blauwe spijkerbroek. De derde verdachte heeft een slank postuur en draagt een baseball cap op zijn hoofd.

De politie laat de tram vlak voor de tramhalte Kanaleneiland Zuid stil zetten. Dit is de eerstvolgende halte na tramhalte Transferium.

Op het moment dat de tram stil staat, ziet verbalisant [verbalisant 1] drie Marokkaanse jongens achter in de achterste wagon van de tram zitten. Hij ziet dat de drie jongens opstaan en naar het middelste deel van de wagon lopen. Twee jongens gaan weer zitten en de derde jongen, met een petje op zijn hoofd, loopt naar het voorste gedeelte van de achterste wagon. De twee jongens die zijn gaan zitten, zijn aan het hijgen. Vervolgens gaan de tramdeuren open en houdt de politie de drie verdachten aan.

Verbalisant [verbalisant 2] ziet drie jongens die voldoen aan het opgegeven signalement en ziet tevens dat de jongen met het petje een bezweet gezicht heeft. Het valt op dat de drie jongens niet bij elkaar in de tram zitten, maar verspreid van elkaar, terwijl de getuige ze alle drie tegelijk in de tram had zien stappen.

De aangehouden verdachten zijn [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte]. Verdachte [medeverdachte 1] heeft een petje op.

In de tram worden twee navigatiesystemen aangetroffen in een plastic tas. Dit blijken de navigatiesystemen te zijn die uit de Volkswagen Passat met het kenteken [kenteken] en uit de Volkswagen Passat met het kenteken [kenteken] zijn weggenomen. In de tram lag op de grond gereedschap, waaronder een boor waarvan ambtshalve bekend is dat deze voor auto-inbraken gebruikt wordt. Verder is een zwart gele nijptang en een plastic flesje aangetroffen. Bij navraag van wie deze aangetroffen spullen zijn, wijst een zich eveneens in de tram bevindende vrouw in de richting van de zojuist aangehouden verdachten.

Op camerabeelden van Connexxion is te zien dat bij de tramhalte Transferium vier personen naar de tram toe rennen en de tram instappen. Drie van hen worden herkend als zijnde verdachten [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Bij het instappen gaan de drie verdachten bij elkaar zitten op de klapstoeltjes. [medeverdachte 2] lijkt vlak voor het instappen iets over te pakken van [verdachte]. In de tram wisselen twee van hen, waarschijnlijk [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van jas.

Voorafgaand aan de auto-inbraken zijn verdachten [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in het bijzijn van elkaar gesignaleerd bij de tramhalte “5 mei plein”. Op camerabeelden is te zien dat zij spreken met elkaar.

Aanvullende overwegingen

Verdachte verklaart alleen in de tram te zijn gestapt. Voorts verklaart verdachte dat hij geen enkele betrokkenheid heeft bij de ten laste gelegde feiten. Gelet op het feit dat verdachte en de twee medeverdachten gezamenlijk gesignaleerd zijn bij de tramhalte 5 mei plein en dat zij op de halte Transferium samen de tram instappen, in de tram bij elkaar blijven zitten maar opsplitsen op het moment dat de politie de tram stil zet, acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet geloofwaardig.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 22 februari 2011 in de gemeente Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een auto, geparkeerd op de [adres], heeft weggenomen een navigatiesysteem, merk Continental, toebehorende aan [bedrijf 1], waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door verbreking van een ruit van die auto;

2.

op 22 februari 2011 in de gemeente Nieuwegein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een auto, geparkeerd op de [adres], heeft weggenomen een navigatiesysteem, merk Continental, toebehorende aan [bedrijf 2], waarbij verdachte en zijn mededaders het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door verbreking van een ruit van die auto.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1 en 2: telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, ook als dat inhoudt het deelnemen aan een Cova-training.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht verdachte vrij te spreken.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht een straf op te leggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis. De verdediging heeft daarbij aangevoerd dat een voorwaardelijke straf daarbij niet passend is, gelet op de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft zich op één dag schuldig gemaakt aan het plegen van twee auto-inbraken in vereniging. Het spreekt voor zich dat de door deze feiten ontstane materiële schade groot is geweest. Niet alleen werden uit die auto's goederen weggenomen, maar daarbij werden die auto's ook beschadigd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de eigenaren van de auto’s veel ergernis en ongemak hebben ondervonden.

De rechtbank heeft in het kader van de persoon van de verdachte voorts het volgende meegewogen:

- een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten;

- een verdachte betreffend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 14 april 2011.

De rechtbank neemt verdachte zijn strafbare gedragingen bijzonder kwalijk. Eerdere veroordelingen wegens soortgelijke feiten hebben blijkbaar geen enkel positief effect op verdachte gehad.

Uit voorgaande feiten en omstandigheden en het reclasseringsadvies komt het beeld naar voren van een verdachte die zijn verantwoordelijkheid voor zijn criminele handelen stelselmatig ontkent en/of afschuift op anderen. De rechtbank is van oordeel dat derhalve thans aan het belang van de beveiliging van de samenleving een bijzonder gewicht moet worden toegekend. In dat kader acht de rechtbank dan ook oplegging van een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur noodzakelijk. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. De rechtbank ziet, mede gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte en zijn opstelling ter zake, geen aanleiding om verplicht reclasseringscontact op te leggen. Indien verdachte hulp wil, zal hij dit zelf, in een vrijwillig kader, moeten bewerkstelligen.

De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van een werkstraf van 20 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht, d.d. 28 mei 2010, ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1 en 2: telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 108 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 28 mei 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/504248-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf voor de duur van 20 uren;

Voorlopige hechtenis

- heft op het bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juni 2011.