Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR1464

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-07-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
16/600309-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het opleggen van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) acht de rechtbank wenselijk en noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600309-11 en 16/600255-10 tul [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1971] te [geboorteplaats]

gedetineerd: P.I. Utrecht, Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht

raadsman mr. J. Michels, advocaat te Amersfoort

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

zich op 28 maart 2011 te Utrecht heeft schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is - evenals de officier van justitie - van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 23 juni 2011 ;

- de aangifte door [aangever 1] namens [bedrijf 1] d.d. 28 maart 2011 .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 28 maart 2011 te Utrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fles witte wijn, toebehorende aan de [bedrijf 1], gevestigd aan de

[adres].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

diefstal

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat het reclasseringsadvies van E.R. Jap-A-Joe d.d. 17 juni 2011, waarin is geadviseerd om verdachte de ISD-maatregel op te leggen, niet voldoet aan de daaraan door de wet gestelde eisen.

Het betreffende advies is opgesteld door een rapporteur die zich moet conformeren aan hetgeen is afgesproken in het justitieel casusoverleg en die zich in feite niet mag uitlaten over de wenselijkheid of de noodzakelijkheid van de maatregel. Voorts bevat het advies talrijke onjuistheden en betreft het louter een advies ten aanzien van de wenselijkheid en niet ten aanzien van de noodzaak.

Voorts is de verdediging van mening dat er geen aandacht is besteed aan de haalbaarheid van de alternatieven en is het feit waarvoor verdachte wordt vervolgd niet een gedraging, zoals voorgeschreven in de Memorie van Toelichting, die de veiligheid van het publieke domein in gevaar brengt.

Tenslotte heeft de verdediging betoogd dat er geen aandacht is besteed aan mogelijke contra-indicaties voor het opleggen van de ISD-maatregel, en dat er geen overleg is geweest met de executie Officier van Justitie of de Advocaat Generaal over de afdoening van openstaande zaken of de tenuitvoerlegging van nog niet geëxecuteerde vrijheidsstraffen, vervangende hechtenis of geldboetes, van welk overleg, volgens de richtlijn van het Openbaar Ministerie, de officier van justitie ter terechtzitting mededeling had moeten doen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Daarbij is voor de persoon van de verdachte vooral gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie (hierna: strafblad) van 9 juni 2011 van verdachte, het Pro Justitia rapport van drs A.D. Wallace, Gz-psycholoog, d.d. 19 mei 2011, het reclasseringsadvies van 17 juni 2011, opgesteld door E.R. Jap-A-Joe, alsmede diens nadere toelichting ter terechtzitting van 23 juni 2011.

De rechtbank zal de officier van justitie volgen in haar eis tot het opleggen van de ISD-maatregel. De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders wenselijk en noodzakelijk is. Bij de keuze tot het opleggen van deze maatregel heeft de rechtbank met name gelet op de volgende feiten en omstandigheden.

Uit het 29 pagina’s tellende strafblad van verdachte is de rechtbank gebleken dat verdachte in de periode van vijf jaren voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit ten minste driemaal onherroepelijk is veroordeeld tot gevangenisstraffen en/of taakstraffen, te weten door het Gerechtshof Arnhem op 2 april 2010, door de politierechter bij deze rechtbank op 17 maart 2010 en door de Utrechtse politierechter op 15 juli 2009. De opgelegde gevangenisstraffen zijn ten uitvoer gelegd voorafgaand aan het onderhavige strafbare feit.

Uit het reclasseringsadvies van 17 juni 2011 en de toelichting daarop ter terechtzitting blijkt dat verdachte een gelabelde veelpleger is die verwervingsdelicten pleegt, mede als gevolg van verslaving aan alcohol en drugs. Verdachte houdt zich moeilijk aan voorschriften en aanwijzingen van de reclassering en het recidiverisico wordt als hoog ingeschat.

Rapporteur E.R. Jap-A-Joe kent verdachte al langdurig en heeft vanuit zijn kennis en ervaring het wenselijk en noodzakelijk geacht om het opleggen van de ISD-maatregel te adviseren.

Uit het Pro Justitia rapport van drs. A.D. Wallace d.d. 19 mei 2011 blijkt dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van alcoholafhankelijkheid. Verdachte lijdt al jarenlang aan deze alcoholafhankelijkheid en pogingen om hem middels begeleiding en behandeling zijn overmatig alcoholgebruik te doen staken zijn niet succesvol geweest. Indien verdachte zijn alcoholafhankelijkheid niet staakt, is de kans op herhaling van soortgelijke strafbare feiten beslist aanwezig. De enige overgebleven optie die een kans biedt op het significant terugdringen van het recidivegevaar is het opleggen van de ISD-maatregel, aldus de deskundige.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de eisen die artikel 38m, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht stellen aan de plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders. Immers, het door verdachte begane misdrijf betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van goederen en personen eist het opleggen van de maatregel.

Met betrekking tot de door de verdediging gevoerde verweren, overweegt de rechtbank het volgende.

De wenselijkheid en de noodzaak van het opleggen van de ISD-maatregel zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd met voornoemde rapportages en de toelichting ter terechtzitting door E.R. Jap-A-Joe. Verdachte houdt zich moeilijk aan voorschriften en aanwijzingen. Eerdere pogingen om verdachte te behandelen zijn door toedoen van verdachte mislukt, mede omdat verdachte nimmer gemotiveerd is geweest. Gelet hierop ziet de rechtbank thans geen andere mogelijkheid dan de door de reclassering en drs. Wallace voorgestelde maatregel.

Het plegen van winkeldiefstal(len) zorgt voor veel overlast voor de winkeliers. Het levert de middenstand jaarlijks een forse schadepost op. Ter bestrijding van winkeldiefstallen is de intensiviteit van beveiliging en bewaking verhoogd. De kosten daarvan worden ook gedragen door de samenleving. De maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte. Van contra-indicaties voor het opleggen van de ISD-maatregel is de rechtbank niet gebleken noch zijn die door de verdediging gesteld.

Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van nog niet geëxecuteerde vrijheidsstraffen, wordt, zo heeft de officier van justitie ter terechtzitting uiteengezet, als volgt gehandeld. Vrijheidsstraffen van korter dan 4 maanden worden met het opleggen van de ISD-maatregel opgeschort. Na afloop van de ISD-maatregel, wordt gratie gevraagd voor de onherroepelijk geworden straffen. De officier van justitie heeft aldus de in de richtlijn vereiste nadere informatie, zoals door de raadsman bedoeld, ter terechtzitting voldoende verschaft.

De door de verdediging gevoerde verweren treffen, gelet op het vorenstaande, geen doel.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank ter bescherming van de maatschappij - in het bijzonder de veiligheid van goederen - de gevorderde ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaren opleggen. Om de recidive te beëindigen en tot een zo goed mogelijke oplossing van de problematiek van verdachte te komen, zal de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

Wel zal de rechtbank, met het oog op een tussentijdse beoordeling van de noodzakelijkheid van de voorzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel, bepalen dat de officier van justitie binnen 9 maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis de rechtbank hieromtrent dient te berichten.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe evenwel niet besluiten. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ISD-maatregel die zal worden opgelegd, een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf niet opportuun is.

De rechtbank zal de vordering om die reden afwijzen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal

- verklaart verdachte strafbaar;

Maatregel

- gelast de plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar;

- bepaalt dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel tussentijds dient te worden beoordeeld en dat het Openbaar Ministerie de rechtbank daarover binnen negen maanden na het onherroepelijk worden van dit vonnis bericht;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 juli 2011.

Mr. Van Doorn en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.