Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR1371

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-05-2011
Datum publicatie
13-07-2011
Zaaknummer
16/600088-11 en 16/600254-10 (TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

12 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar ter zake poging zware mishandeling, bedreiging tegen het leven gericht en belediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600088-11 en 16/600254-10 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

gedetineerd in het Huis van bewaring Wolvenplein te Utrecht.

Raadsman mr. H.P. Verheijen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Primair:

op 26 januari 2011 te Amersfoort gepoogd heeft [benadeelde] zwaar te mishandelen;

Subsidiair:

op 26 januari 2011 te Amersfoort die [benadeelde] heeft mishandeld;

Feit 2:

op 26 januari 2011 te Amersfoort politieambtenaren heeft bedreigd met de dood, althans met zware mishandeling;

Feit 3:

op 26 januari 2011 te Amersfoort die politieambtenaren heeft beledigd.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het onder 1 primair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling) en het onder feit 2 en feit 3 tenlastegelegde (respectievelijk de bedreiging en de belediging van politieambtenaren) wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie baseert zich ten aanzien van feit 1 op de aangifte van [benadeelde], de medische rapportage en de foto’s met betrekking tot het letsel op het gezicht van [benadeelde]. Tevens acht de officier van justitie het proces-verbaal van bevindingen, waarin de politie aangeeft hoe zij verdachte hebben aangetroffen, van belang voor de bewijsvoering. De officier van justitie wijst voorts op de getuigenverklaring van [getuige 1] als belangrijk bewijsmiddel ter zake het onder 1 ten laste gelegde. De officier van justitie merkt op dat de signalementen van verdachte die in de verklaringen worden genoemd, overeenstemmen met verdachte.

De officier van justitie stelt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, mede omdat uit de getuigenverklaring van [getuige 1] blijkt dat verdachte de man sloeg alsof de man een boksbal was. De officier van justitie leidt hieruit af, dat dit slaan met veel kracht gepaard ging. De officier van justitie meent dat verdachte hiermee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde]. De officier van justitie merkt op dat het feit dat verdachte dronken was het opzet op het feit niet wegneemt.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 baseert de officier van justitie zich op de aangiftes en processen-verbaal van bevindingen van de betrokken politieambtenaren. Ten aanzien van feit 2 meent de officier van justitie dat er sprake was van redelijke vrees bij de politieambtenaren. Ten aanzien van feit 3 stelt de officier van justitie dat er geen klacht voor de belediging vereist is.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1:

Primair

De verdediging verzoekt de rechtbank – overeenkomstig de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnotities – verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling nu dit feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard. Zij verzet zich tegen het standpunt hieromtrent van de officier van justitie. De raadsman betoogt dat bij verdachte het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbrak. De raadsman voert aan dat zijn cliënt op het moment van de mishandeling onder invloed van alcohol was. De raadsman stelt dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak. De raadsman stelt dat het letsel dat [benadeelde] heeft opgelopen niet kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman stelt dat het handelen van verdachte evenmin het begin oplevert van een handeling die tot zwaar lichamelijk letsel had kunnen leiden, omdat verdachte de fietsende [benadeelde] met gestrekte armen heeft tegengehouden en in het gezicht heeft geslagen. Deze handelingen zijn naar het oordeel van de raadsman onvoldoende om zwaar lichamelijk letsel te veroorzaken.

Feit 2:

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging stelt de raadsman – overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnotities – dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende aanleiding was voor redelijke vrees bij de politieagenten dat zij werkelijk het leven konden verliezen, althans zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen. De raadsman komt tot dit standpunt omdat zijn cliënt evident dronken was ten tijde van dit feit. De raadman geeft aan dat de politieagenten verdachte ambtshalve kennen en op dat moment dus wisten dat verdachte niet vuurwapengevaarlijk was, zodat eventuele uitlatingen omtrent “schieten” niet serieus genomen dienden te worden.

Feit 3:

Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde belediging verzoekt de raadsman verdachte – overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitnotities – eveneens vrij te spreken, omdat niet uit het dossier blijkt dat er een klacht is ingediend door de betrokken politieagenten. De raadsman stelt dat verdachte ten tijde van het ten lastegelegde dronken was en meent dat het verweer dat hij hieromtrent heeft gevoerd ten aanzien van feit 2 mutatis mutandis geldt voor de belediging. De raadsman voegt nog toe dat de uitlatingen van verdachte in een roes zijn gedaan en niet de strekking hadden om de politieagenten daadwerkelijk aan te randen in hun eer en goede naam.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De bewijsmiddelen

De rechtbank stelt voorop dat de namens verdachte aangevoerde bewijsverweren – voor zover deze hierna niet uitdrukkelijk worden besproken - geen aanleiding geven tot een afzonderlijke bespreking daarvan. Zij vinden hun weerlegging in na te noemen bewijsmiddelen. De rechtbank heeft geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Feit 1:

De rechtbank acht de aangifte van [benadeelde] van belang als bewijsmiddel van de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. [benadeelde] verklaart dat hij op 26 januari 2011 in Amersfoort fietste en toen met kracht door een man werd geduwd, waardoor hij op de grond viel en pijn in zijn hoofd voelde. [benadeelde] verklaart dat hij met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen. Hij zag en voelde dat de man hem meerdere malen in zijn gezicht stompte en voelde een scherpe pijn in zijn gezicht. [benadeelde] weet niet meer precies hoe vaak de man hem heeft geslagen. Door de klappen is hij een stukje van zijn geheugen kwijt geraakt. [benadeelde] verklaart dat hij wel weet dat hij opnieuw is gevallen en dat hij zag en voelde dat de man boven op hem kwam zitten en hem daarbij wederom meerdere malen in het gezicht sloeg. [benadeelde] verklaart dat hij bij dat slaan pijn in zijn hoofd voelde.

Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt dat zij op een scootmobiel achter [benadeelde] reed en zag dat hij van zijn fiets werd geduwd. [getuige 1] verklaart dat [benadeelde] zonder aanleiding door een man met zijn beide gestrekte armen omver werd geduwd en op handen en voeten op de straat belandde. Toen [benadeelde] overeind kwam en liep, werd hij door de man op zijn rug gesprongen en kwam hij wederom ten val en belandde op straat. Vervolgens sloeg de man hem snel achter elkaar alsof hij op een boksbal stond in te slaan.

De rechtbank bezigt voorts de geneeskundige verklaring, met betrekking tot het letsel dat [benadeelde] heeft opgelopen, als bewijsmiddel. Hieruit volgt dat [benadeelde] bloeduitstortingen links boven het oor, onder zijn linkeroog en jukbeen en rechts op het voorhoofd had. Tevens is [benadeelde] een stukje van zijn geheugen kwijt als gevolg van een hersenschudding.

Verbalisant [verbalisant 4], die na een melding direct ter plaatse was gekomen, hoort van een getuige dat de dader was weggerend richting de Plus. De dader was, aldus de getuige, een blanke man, hij had kort licht gekleurd haar en ging gekleed in een groen gekleurde jas. Het signalement werd via de portofoon doorgegeven. Verbalisant [verbalisant 3] ging met haar collega’s richting supermarkt Plus en hoorde daar een vrouw schreeuwen: “Hij is hier net langs gerend, het is [verdachte].” Deze verbalisant hoorde van een getuige dat een jongen met een groene jas in de richting van de bibliotheek rende. Bij de bibliotheek werd vervolgens een man met een groene jas met korte donkerblonde stekels samen met brigadier [naam[]aangetroffen. Deze man bleek verdachte te zijn.

Feit 2:

Voor de bewezenverklaring van de bedreiging van de politieambtenaren acht de rechtbank de processen-verbaal van aangifte en de processen-verbaal van bevindingen van de drie politieambtenaren [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] van belang.

Na zijn aanhouding, op 26 januari 2011 te Amersfoort, werd verdachte in een politieauto gezet. In de politieauto zaten, afgezien van verdachte, verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], Verdachte heeft, aldus politieambtenaar [verbalisant 1], op 26 januari 2011 hen bedreigd met de dood door te roepen dat hij de politieambtenaren dood zou schieten en hen vol met lood zou pompen. Politieambtenaar [verbalisant 1]verklaart hiervan geschrokken te zijn. Verdachte voegde aan de bedreigende uitlatingen de naam van [naam 2] toe. De verdachte verklaart hierover ter zitting dat dit een onderwereld figuur is met wie hij ooit in detentie heeft gezeten. Uit het proces-verbaal van aangifte van politieambtenaar [verbalisant 2] blijkt ook dat verdachte de drie politieambtenaren met de dood heeft bedreigd. Aangever [verbalisant 2] verklaart dat verdachte naar de politieambtenaren riep dat hij hen dood zou schieten en vol lood zou pompen. Aangever [verbalisant 2] nam deze bedreiging serieus. Ook in het proces-verbaal van aangifte van politieambtenaar [verbalisant 3] worden de gebeurtenissen, zoals beschreven in de verklaringen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2], bevestigd. [verbalisant 3] verklaart dat verdachte riep: “ik pomp lood in jullie” en “als ik jullie tegen kom op straat hebben jullie een probleem.” [verbalisant 3] voegt nog toe dat verdachte heeft geroepen “ik verbouw je kop”.

Feit 3:

Voor de bewezenverklaring van de belediging van de politieambtenaren acht de rechtbank de processen-verbaal van aangifte van [verbalisant 1], [verbalisant 3] en [verbalisant 2] van belang. Tevens acht de rechtbank in dit verband de processen-verbaal van bevindingen van diezelfde politieambtenaren van belang. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1], aspirant van de Politie Utrecht, blijkt dat verdachte tijdens zijn aanhouding de politieambtenaren ‘klootzakken’ heeft genoemd. Uit het proces-verbaal van [verbalisant 3], agent van Politie Utrecht, blijkt dat verdachte de politieambtenaren heeft uitgescholden voor ‘kankerlijers’. In het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2], hoofdagent van Politie Utrecht, wordt aangegeven dat verdachte de politieambtenaren ‘kankerlijers’ noemt en hen tevens uitscheldt met de woorden: “vuile kankerhond.”

4.3.2 De bewijsoverwegingen

Feit 1:

De rechtbank acht het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [benadeelde]. Verdachte heeft [benadeelde], nadat hij die [benadeelde] van zijn fiets had geduwd en op hem was gaan zitten, met beide vuisten in het gezicht gestompt, als ware het gezicht van [benadeelde] een boksbal. Nadien is bij die [benadeelde] door een arts amnesie als gevolg van een hersenschudding gediagnosticeerd alsmede diverse bloeduitstortingen op het hoofd. Het hoofd is een zeer kwetsbaar gedeelte van het lichaam. Door [benadeelde] van zijn fiets te duwen en vervolgens op voorrnoemde wijze meermalen in het gezicht te stompen, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Dat het feitelijk toegebrachte letsel – zoals de raadsman van verdachte heeft gesteld – niet als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Wetboek van Strafrecht is te kwalificeren, doet daar niet aan af. Verdachte is immers slechts de poging tot het toebrengen van dergelijk letsel ten laste gelegd.

Voor zover de raadsman van verdachte het verweer heeft gevoerd dat verdachte door overmatig alcoholgebruik ten tijde van het ten laste gelegde helemaal van de wereld was en daardoor bij hem ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan ontbrak, wordt dit verweer door de rechtbank verworpen. Van een zodanig uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank wijst daarbij op verdachtes eigen verklaring, inhoudende: “Ik kan niet tegen drank. Dat is mijn probleem. Zuipen daar kan ik niet tegen. Als ik geen drank aanraak is er niets aan de hand.” Door voorafgaand aan het ten laste gelegde grote hoeveelheden alcohol tot zich te nemen – terwijl verdachte wist dat hij daardoor in de problemen zou kunnen raken – heeft hij zich vrijwillig gebracht in de toestand als in het verweer bedoeld.

Feit 2:

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van de politieambtenaren met enig misdrijf tegen het leven gericht. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigden de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen. Hoewel de woorden die de verdachte heeft gebezigd op zichzelf al voldoende kunnen zijn om die redelijke vrees te doen ontstaan, heeft verdachte – die op dat moment net was aangehouden en zich in de politieauto op weg naar het politiebureau zeer agressief gedroeg – zijn bedreigingen kracht bijgezet door de verbalisanten mee te delen dat hij een bekende is van een persoon die berucht is in het criminele circuit. Verdachte stond bij de verbalisanten te boek als geweldpleger en het was bekend dat hij zeer agressief kon zijn. De politieambtenaren waren geschrokken van de bedreigingen en namen de bedreigingen serieus. Uit deze omstandigheden – in onderling verband en samenhang beschouwd – volgt naar het oordeel van de rechtbank dat bij verbalisanten de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zouden kunnen verliezen.

De stelling van de raadsman dat de politieambtenaren de bedreiging van verdachte niet serieus konden nemen, omdat hij dronken was, acht de rechtbank onjuist, temeer nu verdachte zelf heeft aangegeven extra agressief te worden na het innemen van alcohol.

Feit 3:

De rechtbank acht het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van de ambtenaren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening. De rechtbank stelt vast dat de uitlatingen van verdachte die hij tijdens zijn aanhouding tegen de politieambtenaren heeft gedaan, een beledigend karakter hadden. Dat die beledigingen – zoals de raadsman van verdachte stelt – onder invloed van alcohol zijn gedaan, doet daar niet aan af.

De raadsman voert in zijn verweer aan dat er geen klacht is ingediend door de politieambtenaren. De rechtbank stelt vast dat belediging in beginsel een klachtdelict is, maar dat een dergelijke klacht in het geval de belediging ambtenaren gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening betreft, gelet op artikel 269 Wetboek van Strafrecht, geen vereiste is en gaat dan ook voorbij aan dit verweer.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

Primair

hij op 26 januari 2011 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde],

- met kracht heeft geduwd terwijl deze op een fiets reed en waardoor deze [benadeelde] van die fiets viel en onder meer met het hoofd op de grond terecht kwam en

- vervolgens meermalen met kracht heeft gestompt in het gezicht en

- vervolgens, nadat die [benadeelde] op de grond lag, op die [benadeelde] heeft gezeten en terwijl hij, verdachte, op die [benadeelde] zat meermalen met kracht heeft gestompt in het gezicht,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

2.

hij op 26 januari 2011 te Amersfoort [verbalisant 3] en [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 3] en [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dreigend toegevoegd de woorden:

“Ik pomp lood in jullie. Ik verbouw je kop” en “als ik jullie tegen kom op straat hebben jullie een probleem” en “ik schiet jullie kapot”.

3.

hij op 26 januari 2011 te Amersfoort, opzettelijk beledigend ambtenaren, te weten [verbalisant 1], aspirant van politie Utrecht en [verbalisant 3], agent van de politie Utrecht en [verbalisant 2], hoofdagent van politie Utrecht, ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, die van [verbalisant 1] en [verbalisant 3] en [verbalisant 2] in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden “Klootzakken” en “Kankerlijers”en “Vuile kankerhond”.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

- Feit 1 primar: Poging tot zware mishandeling;

Voortgezette handeling van:

- Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

en

- Feit 3: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan ambtenaren ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen 12 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Volgens de officier van justitie moet de straf voor de verdachte zwaar zijn, omdat verdachte een volledig willekeurige persoon van zijn fiets heeft geduwd en geslagen. De officier wijst erop dat verdachte een enorm strafblad heeft en al eerder gevangenisstraf ten aanzien van soortgelijke feiten heeft opgelegd gekregen en ondergaan. Ook is aan verdachte in het verleden de maatregel tot plaatsing in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD-maatregel) opgelegd. De officier van justitie meent dat de feiten die verdachte heeft gepleegd een grote impact hebben gehad op het slachtoffer. Zo kon het slachtoffer niet meer werken.

Ook voor de politieagenten hebben de ten laste gelegde feiten een grote impact gehad. De officier van justitie merkt op dat verdachte weliswaar berouw toont, maar dat hij weet wat alcohol met hem doet. De officier van justitie acht de kans op recidive groot en het overmatig alcoholgebruik van verdachte draagt daaraan bij. Daarom acht de officier van justitie het noodzakelijk dat verdachte behandeld wordt voor zijn alcoholprobleem. De officier van justitie is teleurgesteld dat de reclassering weinig informatie heeft toegevoegd. De officier van justitie is van mening dat er bijzondere voorwaarden gesteld moeten worden en doelt daarmee met name op alcoholcontroles. De officier van justitie deelt mede dat een maatregel tot ter beschikkingstelling (TBS) nu nog niet aan de orde is, maar dat verdachte wel op de drempel naar TBS staat.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman stelt dat tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, de mishandeling, kan worden gekomen en refereert zich met betrekking tot de strafoplegging aan het oordeel van de rechtbank waarbij hij opmerkt dat het feit niet volledig aan verdachte kan worden toegerekend.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in beschouwing genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een (deels) onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden.

De verdachte heeft zich op de openbare weg schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van een toevallige voorbijganger, de 53-jarige heer [benadeelde]. Hij heeft deze [benadeelde] achteloos van zijn fiets geduwd waardoor deze op grond is gevallen, waarna hij die [benadeelde] meermalen in het gezicht heeft gestompt, als ware dat gezicht een boksbal. [benadeelde] heeft hierdoor onder meer een hersenschudding opgelopen hetgeen amnesie tot gevolg had. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden maar ook algemene gevoelens van onveiligheid op straat binnen de samenleving vergroot. Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde] blijkt dat hij nog steeds angstig is op straat, juist omdat de aanval zonder aanleiding kwam. Verdachte weet dat hij door het gebruik van alcohol agressief wordt en heeft desondanks veel alcohol genuttigd. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan. Een feit als het onderhavige wordt door het slachtoffer en ook door de omgeving als bedreigend en beangstigend ervaren. Wat betreft de ernst van het feit neemt de rechtbank in het bijzonder in aanmerking dat verdachte [benadeelde] meermalen in het gezicht heeft gestompt, terwijl deze weerloos op de grond lag en hij bovenop hem zat.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan bedreiging en belediging van drie politieambtenaren. Verdachte heeft na zijn aanhouding op weg naar het politiebureau de politieagenten bedreigd met een ernstig misdrijf, waardoor hij bij deze politieambtenaren gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt. Door deze verbalisanten daarbij tevens te beledigen, heeft hij de goede eer en goede naam van de politieambtenaren geschaad.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

Verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten. In een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 maart 2011 staat onder meer vermeld dat verdachte is veroordeeld ter zake poging tot zware mishandeling en bedreiging en dat hem in het verleden onder meer de ISD-maatregel is opgelegd. Voorts blijkt uit verdachtes documentatie dat hij eerder is veroordeeld voor bedreiging en belediging.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich bewust is van het feit dat hij agressief wordt van alcohol, maar desondanks alcohol blijft drinken en daardoor geweldsdelicten pleegt. De rechtbank is van oordeel dat verdachte ter zake van zijn alcoholprobleem dient te worden behandeld en heeft daarbij mede gelet op het advies omtrent verdachte van de ter terechtzitting aanwezige reclasseringswerker L. van Os, inhoudende dat de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel oplegt, met als bijzondere voorwaarden het zich gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als deze inhouden een verblijf bij en begeleiding door stichting AanZien te Twello of een soortgelijke instelling, en hulpverlening gericht op zijn alcohol- en agressieproblematiek, alsmede een alcoholverbod, verplichte alcohol- en urinecontroles en een meldplicht.

De rechtbank acht, alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal daarbij, gelet op het advies van Van Os voornoemd, de door die Van Os geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen. Met betrekking tot deze op te leggen bijzondere voorwaarden heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij bereid is medewerking te verlenen aan begeleiding door en een verplicht verblijf bij stichting AanZien te Twello en gemotiveerd is zijn alcoholproblematiek aan te pakken.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 17 maart 2010 van de politierechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken waarvan 1 week voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 1 week, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 17 maart 2010, ten uitvoer zal worden gelegd. De officier van justitie voert daarvoor aan dat verdachte de bijzondere voorwaarde heeft overtreden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich binnen de proeftijd van 1 april 2010 tot 1 april 2012 heeft schuldig gemaakt aan nieuwe strafbaar feiten, te weten poging tot zware mishandeling, bedreiging met een ernstig misdrijf en eenvoudige belediging, als bewezen verklaard in de onderhavige zaak en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij, [benadeelde], vordert een schadevergoeding van € 523,00 voor feit 1, bestaande uit € 8,00 ter zake van materiële schade en € 515,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De officier van justitie is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij volledig dient te worden toegewezen en verzoekt voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de vordering door de verdediging niet is weersproken. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering geheel zal worden toegewezen. De rechtbank ziet – anders dan door de raadsman van de verdachte wordt voorgestaan – in de draagkracht van verdachte geen reden om het bedrag van de betalingsverplichting te matigen. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 45, 56, 57, 266, 267, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- Feit 1 primair: Poging tot zware mishandeling;

Voortgezette handeling van:

- Feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

en

- Feit 3: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaren ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als deze inhouden een verblijf bij en begeleiding door stichting AanZien, Rijksstraatweg 34 te Twello of een soortgelijke instelling, en hulpverlening gericht op zijn alcohol- en agressieproblematiek. Daartoe moet de verdachte zich melden bij stichting AanZien op het volgende adres: Rijksstraatweg 34 te Twello;

* dat verdachte zich onthoudt van het gebruik van alcohol. De naleving van dit verbod zal worden gecontroleerd aan de hand alcohol- en urinecontroles;

*dat verdachte te allen tijde medewerking verleent aan deze alcohol- en urinecontroles indien gevraagd;

* dat verdachte zich meldt bij Reclassering Nederland locatie Utrecht zo frequent als de reclassering dat nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 17 maart 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600254-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 1 week gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] schadevergoeding van € 523,00, waarvan € 8,00 ter zake van materiële schade en € 515,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde], € 523,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 mei 2011.

Mr. R.G.A. Beaujean is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.