Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR1270

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-03-2011
Datum publicatie
12-07-2011
Zaaknummer
16-712434-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben gasalarmpistool en feiten uit Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712434-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 maart 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1983] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 maart 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in het bezit was van 2,43 gram cocaïne;

feit 2: samen met (een) ander(en) een gasalarmpistool en 2 patronen voorhanden heeft gehad;

feit 3: samen met (een) ander(en) in het bezit was van 5,76 gram cocaïne en 4,48 gram amfetamine.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de drie ten laste gelegde feiten.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit heeft de raadsman bepleit dat de aangetroffen drugs in de woning van verdachte op onrechtmatige wijze zijn verkregen. Als gevolg hiervan dienen de in de woning gevonden drugs ingevolge artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uitgesloten te worden van het bewijs. Dit brengt met zich dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel dat de doorzoeking in de woning waar verdachte woonachtig was, gelegen aan de [adres] te Utrecht, rechtmatig heeft plaatsgevonden.

Gegeven de omstandigheid dat onder verdachte op 29 november 2010 een vuurwapen met munitie is aangetroffen en dat verdachte in 2008 door het Gerechtshof Arnhem is veroordeeld voor een misdrijf op grond van de Wet wapens in munitie, was naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin de politie redelijkerwijs konden vermoeden dat in de woning wapens of munitie aanwezig was. Derhalve kon op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie een doorzoeking van die woning plaatsvinden.

Dit betekent dat de bij de doorzoeking aangetroffen drugs rechtmatig zijn verkregen en de bewijsmiddelen hieromtrent gebezigd kunnen worden in de bewijsconstructie.

De rechtbank acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (aantreffen vuurwapen en ponypacks met vermoedelijk drugs) ;

- de bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] (aantreffen drugs in de slaapkamer van verdachte) ;

- de bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (onderzoek aan vuurwapen en patronen) ;

- het rapport Opiumwet van verbalisant [verbalisant 4] (onderzoek van aangetroffen drugs in de de slaapkamer) ;

- het proces-verbaal Opiumwet van verbalisant [verbalisant 5] (onderzoek van aangetroffen drugs bij fouillering) ;

- twee rapporten van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 februari 2011 ;

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 15 maart 2011.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 29 november 2010 te Utrecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 2,43 gram, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

2.

op 29 november 2010 te Utrecht, een vuurwapen van categorie III, te weten een gasalarmpistool (merk Umarex, model Walther P99) en munitie van categorie II, te weten 2 patronen (kaliber 9 mm, merk PTS), voorhanden heeft gehad.

3.

op 30 november 2010 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad

- (ongeveer) 5,76 gram cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I,

en

- (ongeveer) 0,21 gram amfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie II;

feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het onder 3 ten laste gelegde. Voor de overige feiten kan volgens de raadsman volstaan worden met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van de tijd doorgebracht in voorarrest.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een gasalarmpistool en 2 bijbehorende patronen. Hoewel het gasalarmpistool dat verdachte voorhanden heeft gehad niet het gevaarlijkste soort vuurwapen betreft, kan het ongecontroleerde bezit hiervan in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich meebrengen en een gevoel van onveiligheid in de maatschappij veroorzaken.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een hoeveelheid harddrugs in de vorm van cocaïne en amfetamine. Deze harddrugs zijn drugs waarvan de Nederlandse overheid vindt dat ze een onaanvaardbaar risico met zich meebrengen. Het risico ligt met name op het gebied van de gezondheid, het verslavende effect en de openbare orde. Met betrekking tot dit laatste is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden in de regel vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien.

De persoon van verdachte

Uit het uittreksel justitiële documentatie d.d. 7 februari 2011 betreffende de verdachte blijkt dat verdachte in het verleden al vele malen is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en hij op 6 maart 2008 door het Gerechtshof Arnhem onder meer is veroordeeld voor een misdrijf uit de Wet wapens en munitie. Voorts blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is gekomen in verband met drugsdelicten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. Het voorwaardelijk strafdeel dient verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10 van de Opiumwet en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie II;

feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. P.M.E. Bernini, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 maart 2011.