Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR1097

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-07-2011
Datum publicatie
11-07-2011
Zaaknummer
16/600976-10; 16/601323-10 (gevoegd ttz); 16/511653-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere woninginbraken en heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600976-10; 16/601323-10 (gevoegd ttz); 16/511653-10 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 1 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [woonplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in PI Utrecht, HvB locatie Nieuwegein, Nieuwegein, De Liesbosch 100

raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaken zijn inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer: 16/600976-10

primair: een motor heeft gestolen

subsidiair: een motor heeft geheeld

parketnummer: 16/601323-10

feit 1: met een ander of anderen een woninginbraak heeft gepleegd en daarbij een laptop heeft gestolen

feit 2: primair:een woninginbraak heeft gepleegd en daarbij één of meer mobiele telefoons en een computer heeft gestolen

feit 2: subsidiair: één of meer mobiele telefoons heeft geheeld

feit 3: primair: een woninginbraak heeft gepleegd en daarbij een laptop heeft gestolen

feit 3: subsidiair: een laptop heeft geheeld

feit 4: met een ander of anderen een woninginbraak heeft gepleegd en daarbij een televisie heeft gestolen

feit 5: een woninginbraak heeft gepleegd en daarbij een laptop heeft gestolen

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

parketnummer 16/600976-10

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij parketnummer 16/600976-10 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, in de vorm van opzetheling. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de aangifte, de bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] en de verklaringen van verdachte. De officier van justitie vordert vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit.

parketnummer 16/601323-10

Voorts acht zij wettig en overtuigend bewezen de bij parketnummer 16/601323-10 onder feit 1, feit 2 subsidiair (schuldheling), feit 3 primair en feit 4 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de aangiftes, de bevindingen van de verbalisanten, de verklaringen van getuigen en de DNA-onderzoeken. De officier van justitie vordert vrijspraak voor de onder feit 2 primair en feit 5 ten laste gelegde feiten wegens gebrek aan bewijs.

4.2 Het standpunt van de verdediging

parketnummer 16/600976-10

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het bij parketnummer 16/600976-10 primair dan wel subsidiair ten laste gelegde feit.

Voor alles stelt de raadsman dat de eerste verklaring die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd d.d. 2 oktober 2010 om 19.05 uur niet voor het bewijs gebezigd mag worden, nu verdachte weliswaar gewezen is op zijn consultatierecht, maar onder druk van de politie van dit recht afstand heeft gedaan. Zo heeft de politie de verdachte medegedeeld dat indien verdachte wilde wachten op zijn raadsman, zij hem niet konden horen. Hierop heeft verdachte afstand gedaan van zijn consultatierecht. De raadsman heeft betoogd dat het vreemd is dat de politie dit zo tegen verdachte heeft gezegd en vraagt zich af wat er precies is gezegd over de mogelijke wachttijd, nu normaal gesproken een raadsman binnen zeer korte tijd op het politiebureau kan zijn. Uit het dossier blijkt bovendien dat de verdediging pas om 22.00 uur op de hoogte is gesteld van het verzoek tot rechtsbijstand van verdachte. Daarbij komt nog dat bij verdachte sprake is van een beperkt verstandelijk vermogen en dat de politie derhalve had moeten wachten op een raadsman.

De raadsman vervolgt zijn betoog en stelt dat er geen sprake is van diefstal, nu er geen enkel bewijs ligt tegen verdachte dat hij de motor gestolen zou hebben. Daarnaast kan volgens de raadsman ook de opzet- dan wel schuldheling niet bewezen worden. Nu de eerste verklaring van verdachte zijns inziens niet voor het bewijs gebruikt mag worden, blijft over slechts de tweede verklaring van verdachte dat hij van een vriend een draaiende motor aangeboden kreeg om een stukje er op te gaan rijden. Er kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de motor gestolen was. Immers, niet duidelijk is geworden of voor verdachte de beschadiging aan de motor dan wel aan het slot zichtbaar waren.

parketnummer 16/601323-10

Met betrekking tot het bij parketnummer 16/601323-10 onder feit 1 ten laste gelegde feit verzoekt de raadsman de rechtbank verdachte vrij te spreken, nu volgens de raadsman niet uit te sluiten valt dat er eventueel een derde persoon bij de inbraak betrokken was en ook het gestolen goed, te weten de laptop, niet bij verdachte is aangetroffen.

Wat betreft het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit, verzoekt de raadsman vrijspraak wegens gebrek aan bewijs. Voor het subsidiair ten laste gelegde feit stelt de raadsman dat op basis van de verklaring van [getuige 1] als vaststaand kan worden aangenomen dat verdachte de gestolen telefoon op enig moment in zijn handen heeft gehad. De vraag is volgens de raadsman echter of verdachte wist dan wel had kunnen weten dat de telefoon van diefstal afkomstig was. Wat de raadsman betreft is er geen sprake van opzetheling. Ten aanzien van het bewijs van schuldheling refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Tevens verzoekt de raadsman vrijspraak voor de onder feit 3 en 4 ten laste gelegde feiten. De raadsman betoogt hiertoe dat hoewel er DNA-materiaal van verdachte op de knopen van de touwen, welke bij het plegen van de delicten werden gebruikt, is aangetroffen, er niet valt vast te stellen dat dit DNA-materiaal daarop ook op de plaatsen delict is terecht gekomen. Vast staat dat een touw een verplaatsbaar voorwerp is en derhalve kan niet worden uitgesloten dat het DNA-materiaal elders op de touwen terecht is gekomen. Daarbij komt nog dat met betrekking tot feit 3 getuige [getuige 2] verdachte bij de Fosloconfrontatie niet heeft herkend en volgens zijn verklaring verdachte lang blond tot bruin haar had en een dikke volle baard. Dit signalement komt volgens de raadsman niet overeen met het signalement van verdachte.

Met betrekking tot zowel feit 3 als feit 4 betoogt de raadsman dat de modus operandi, te weten stoeptegelinbraken waarbij tevens een touw werd gebruikt, niet zomaar als bewijsmiddel kan gelden. Daarvoor moet eerst bewezen zijn dat verdachte deze modus operandi hanteert en bovendien is het een methode, die ook door anderen bedacht en uitgevoerd kan worden.

Wat betreft feit 5 volgt de raadsman de conclusie van de officier van justitie, te weten vrijspraak, nu getuige [getuige 3] na een Fosloconfrontatie duidelijk aangeeft dat verdachte niet de dader is en er overigens geen bewijs aanwezig is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

parketnummer 16/600976-10

Aangever [benadeelde 1] verklaart bij de politie dat tussen 29 en 30 september 2010 zijn motor, merk Honda met het kenteken [kenteken], gestolen is, terwijl hij deze aan de [adres] te [woonplaats] op slot had gezet door middel van een stuurslot, een schijfremslot en een kettingslot om het achterwiel.

Op 2 oktober 2010 wordt verdachte na een wilde achtervolging door de politie aangehouden terwijl hij op de gestolen motor, merk Honda met het kenteken [kenteken], te Utrecht rijdt. In zijn bevindingen concludeert verbalisant [verbalisant 1] dat hij na de aanhouding van verdachte ziet dat het contactslot van de motor verbroken is.

De rechtbank acht op grond van vorenvermelde bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de motor en spreekt verdachte hiervan vrij. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de opzetheling van de motor. Verdachte heeft enige tijd op de motor gereden en moet gezien hebben dat het contactslot was verbroken en dat de motor reed zonder sleutel in het slot. Derhalve moet de verdachte geweten hebben dat de motor van een misdrijf afkomstig was. Daar komt bij dat verdachte verschillende met elkaar tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de wijze waarop hij in het bezit van de motor is gekomen. Bij de politie geeft hij twee verschillende versies en ter zitting wordt het verhaal weer anders. Dit draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van verdachte. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de eerste verklaring van verdachte tegenover de politie d.d. 2 oktober 2010 om 19.05 uur voor de weging van de geloofwaardigheid van de verdachte niet gebruikt zou mogen worden, nu verdachte een en ander maal ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn consultatierecht en overigens niet is gebleken van omstandigheden die er op zouden kunnen duiden dat verdachte de strekking van het doen van afstand niet heeft begrepen.

parketnummer 16/601323-10

feit 1

Aangever [benadeelde 2] verklaart bij de politie dat er op 23 december 2010 in haar woning aan de [adres] te [woonplaats] is ingebroken. Het raam aan de zijde van de [adres] is met een stoeptegel ingegooid en er is een laptop van het merk Samsung weggenomen.

De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 4]. Hij verklaart dat hij op 23 december 2010 vanuit zijn woning opeens een harde knal en geluid van glasgerinkel hoorde. Vanuit zijn achterraam, gelegen aan de [adres], keek hij naar beneden en zag hij twee jongens staan. Een van de jongens stond bij een raam, had zijn armen door het raam gestoken en wilde kennelijk iets uit het raam trekken. Daarna renden de jongens weg. Volgens de getuige had de jongen bij het raam een zwarte jas met een zwarte capuchon, zwarte handschoenen en zwarte schoenen aan.

[verbalisant 2], hoofdagent bij de politie Utrecht, relateert middels het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat hij op 23 december 2010 dienst had met zijn collega [verbalisant 3]. Zij kregen van de centrale meldkamer het verzoek naar de [adres] te gaan in verband met een melding dat er zich in de buurt twee jongens ophielden die in woningen keken en aan deuren voelden. Van brigadier [verbalisant 4], die al ter plekke was, hoorde [verbalisant 2] dat het zou gaan om een jongen met een donkere jas en een donkere pet en een andere jongen met een kort donker jack met capuchon. Brigadier [verbalisant 4] beschrijft in een door haar opgemaakt proces-verbaal van bevindingen dat deze twee jongens (een grote forse jongen, gekleed in een zwarte glanzende halflange jas tot over de heup met een donkerkleurig petje op en een kleinere jongen, gekleed in een donker kort jack) zich verdacht gedroegen bij het flatgebouw aan de [adres], waarin, zo bleek later, zich woning nr. [nummer] bevindt. Wanneer de forse jongen zich naar de achterkant van het flatgebouw verplaatst, uit het zicht van [verbalisant 4], hoort zij een harde knal en glasgerinkel. Dan voegt de forse jongen zich weer bij de kleinere jongen en rennen zij samen weg. Op het moment dat zij het glasgerinkel hoorde heeft zij verder niemand in de directe omgeving van de flatwoning gezien, dan deze twee jongens. Later zag zij dat de jas die verdachte [verdachte] aanhad overeenkwam met de jas die de forse jongen aanhad bij de flatwoning waar was ingebroken.

Ook verbalisant [verbalisant 2] heeft de jongens zien staan, op het pad tussen de [adres] en de [adres], ongeveer 10 meter van wat later als plaats delict wordt aangemerkt en ook hij hoort een harde knal en glasgerinkel uit de richting waar de jongens eerst stonden. Hij ziet dat de jongens hierna wegrennen en zet met zijn collega’s de achtervolging in. Verdachte kan na een achtervolging worden aangehouden, waarbij hij tot het moment van aanhouding niet uit het zicht is geweest van deze [verbalisant 2]. Verdachte wordt door [verbalisant 2] omschreven als een man, ongeveer 1.80 meter lang, een normaal tot iets gezet postuur met een donkere jas en pet. De andere verdachte (niet aangehouden) is een man, ongeveer 1.65 meter lang met slank postuur, gekleed in een donkere jas.

Op de vluchtroute worden in totaal 3 handschoenen aangetroffen. De handschoenen zijn door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen NFI) onderzocht op biologische contactsporen. Aan de binnenzijde van één van de handschoenen is een DNA-mengprofiel aangetroffen van tenminste twee personen. Het DNA-profiel van verdachte matcht met dit aangetroffen DNA-mengprofiel.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd en dat verdachte dit tezamen met een ander heeft gepleegd. Het is daarbij verdachte geweest die het raam heeft ingegooid.

Het verweer van de raadsman dat een derde persoon mogelijk de inbraak gepleegd zou hebben gepleegd, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu door verbalisanten steeds wordt gesproken over twee jongens. Bovendien is verdachte op heterdaad aangehouden, heeft een getuige verklaard dat de dader handschoenen droeg ten tijde van het inbreken en is er op de vluchtroute een handschoen aangetroffen met daarin het DNA-materiaal van verdachte, zodat kan worden aangenomen dat deze handschoen door verdachte is gedragen.

feit 2

Aangever [benadeelde 5] wordt op 19 augustus 2010 ’s nachts wakker van gestommel in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats]. Beneden gekomen ziet aangever dat het grote schuifraam aan de voorzijde van de woning uit de scharnieren is gebroken, waardoor dit los hing en makkelijk te openen was. Uit de woning zijn twee computers van het merk Apple gestolen en twee mobiele telefoons van het merk Apple Iphone.

Op 26 oktober 2010 werd [getuige 1] door de politie verhoord inzake heling van een telefoon, die was weggenomen bij een inbraak aan de [adres] te [woonplaats]. [getuige 1] verklaart dat hij de telefoon, een Iphone van Apple, aan de deur van zijn woning in [woonplaats] had gekocht van [naam] voor een bedrag van € 225,00. De telefoon zag er als nieuw uit, alsof hij zo uit de verpakking kwam en was volgens [naam] wel € 800,00 à €900,00 waard. De telefoon was volgens [naam] niet gestolen. [naam] mocht de telefoon van zijn zus hebben en had geld nodig. [naam] is volgens [getuige 1] niet de echte naam, maar een bijnaam. [naam] is een flinke gezette Hollandse jongen, ongeveer 1.80 tot 1.85 meter lang met donkerblond haar. [getuige 1] heeft [naam] ontmoet bij [leerinstelling], een leerinstelling op de [adres]. Volgens [getuige 1] woont de moeder van [naam] in [wijk],in de [buurt]. De verbalisanten herkennen in de jongen die [getuige 1] beschrijft voor honderd procent de verdachte, die als bijnaam [naam] heeft.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor d.d. 26 december 2010 aangegeven dat hij vroeger [naam] werd genoemd , dat hij anderhalf jaar geleden bij [leersinstelling] heeft gewerkt en dat zijn moeder aan de [adres] te [woonplaats] woont (naar de rechtbank begrijpt een straat in de [buurt]).

De rechtbank acht op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit en spreekt verdachte hiervan vrij. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de opzetheling van de telefoon, zoals subsidiair ten laste is gelegd.

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat met de bijnaam [naam] onmiskenbaar verdachte wordt aangeduid en dat de verklaring van [getuige 1], inhoudende details met betrekking tot het leven van verdachte, dusdanig overeenkomt met wat verdachte over zichzelf heeft verklaard, dat de rechtbank met zekerheid kan stellen dat verdachte degene is waarover [getuige 1] verklaart. Tevens is duidelijk geworden dat de aan [getuige 1] verkochte Iphone een gestolen goed betreft, weggenomen bij een inbraak in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Verdachte heeft deze kennelijk nog nieuwe telefoon voor een luttel bedrag met een ongeloofwaardig verhaal verkocht aan [getuige 1], wetende dat de aanschafprijs van een dergelijk nieuw product vele malen hoger ligt. Hieruit leidt de rechtbank af het hier een handeltje betrof, waarbij verdachte wist dat het een gestolen goed betrof die hij op enig moment heeft verkregen, voorhanden had en vervolgens heeft overgedragen.

feit 3 en feit 4

Aangever [benadeelde 3] zit op 19 september 2010 in zijn woonkamer in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] televisie te kijken. Opeens hoort hij een harde knal en ziet dat de ruit aan de voorzijde van de woning met een stoeptegel is ingegooid. Hij ziet dat de dader met twee handen naar binnen reikt en de laptop van het merk Apple wegpakt. Aangever wil daarop de voordeur openen, maar krijgt deze niet open omdat er een touw is gespannen tussen zijn voordeur en de regenpijp.

Het voornoemde touw is door het NFI onderzocht op biologische sporen. Het touw is bij de knoop en bij de stukken aan weerszijden van de knoop bemonsterd. Van het DNA in de bemonsteringen van het touw zijn DNA-profielen verkregen en deze profielen zijn zowel met elkaar als met het DNA-profiel van verdachte vergeleken. Volgens het NFI kan het celmateriaal in het onderzochte sporenmateriaal, verkregen uit de bemonstering van de stukken touw aan weerszijden van de knoop, van verdachte afkomstig zijn. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig persoon matcht met dit DNA-profiel is daarbij kleiner dan een op een miljard.

Aangever [benadeelde 3] heeft een week na de diefstal op zijn Gmail account gezien dat zijn gestolen computer was ingelogd via het IP-adres [nummer] Dit IP-adres bleek op naam te staan van [getuige 2] . Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij begin oktober 2010 is benaderd door een jongen die hem een Apple laptop te koop aanbood voor € 175,--. Hij heeft de laptop opgestart en vervolgens besloten hem niet te kopen. Genoemde jongen wordt door hem ondermeer omschreven als een Hollandse jongen met een beetje dik/mollig figuur en een tatoeage op zijn rechteronderarm. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij een tatoeage op zijn rechteronderarm heeft.

Aangever [benadeelde 4] zit op 28 november 2010 met zijn vrouw televisie te kijken in de woonkamer in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats]. Opeens horen zij een harde knal en glasgerinkel en zien zij dat er een stoeptegel door de ruit is gegooid. Aangever ziet dat iemand de televisie van het merk LG van het televisiemeubel wegtrekt. Aangever rent naar de gang om naar buiten te kunnen, maar krijgt de voordeur niet open omdat er een touw is gespannen tussen de voordeur en zijn auto.

Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij op 28 november 2010 in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] was, toen hij een harde klap hoorde. Hij keek daarop naar buiten en zag twee personen op een zwarte scooter wegrijden. Hij zag dat de persoon achterop een TV in zijn handen hield.

Het voornoemde touw is door het NFI onderzocht op biologische sporen. Het touw is bij drie knopen bemonsterd. Uit één van deze bemonsteringen is een DNA-mengprofiel verkregen. Uit dit mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid dat matcht met het DNA-profiel van verdachte. Dit betekent dat de bemonstering van deze knoop van het touw een relatief grote hoeveelheid celmateriaal bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig persoon matcht met dit DNA-profiel is daarbij kleiner dan een op een miljard.

Verbalisant [verbalisant 5] relateert in haar bevindingen dat de touwen die zijn gebruikt bij voornoemde woninginbraken en die later zijn veiliggesteld voor onderzoek soortgelijk waren.

Op grond van bovenvermelde bewijsmiddelen, ook in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 primair en feit 4 ten laste gelegde feiten, te weten telkens een woninginbraak waarbij er telkens een goed werd weggenomen. Het onder 4 ten laste gelegde feit is tezamen en in vereniging met een ander gepleegd.

Het is vaste jurisprudentie dat het resultaat van een deugdelijk uitgevoerd vergelijkend DNA-onderzoek in de regel zonder nadere motivering voor het bewijs mag worden gebezigd. Gelet op de kans dat een willekeurig individu tot tweemaal toe hetzelfde DNA-profiel heeft als hetwelk is gevonden in het onderzochte sporenmateriaal, verwaarloosbaar klein is, en in aanmerking genomen dat het sporenmateriaal van verdachte tot tweemaal toe is aangetroffen op soortgelijke touwen, waarvoor verdachte geen verklaring heeft gegeven, terwijl deze touwen op soortgelijke wijze werden gespannen aan de voordeur van beide woningen alwaar op soortgelijke wijze een diefstal met braak werd gepleegd, maakt dat de rechtbank – in weerwil van de ontkenning van verdachte ter zake – van oordeel is dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte degene is geweest die op 19 september 2010 en 28 november 2010 te Utrecht de voornoemde woninginbraken heeft gepleegd, op 28 november 2010 tezamen met een ander.

feit 5

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de ten laste gelegde inbraak heeft gepleegd, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Parketnummer: 16/600976-10

Subsidiair

op 2 oktober 2010 te Utrecht een motor (merk Honda, kenteken [kenteken]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die motor wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Parketnummer: 16/601323-10

1.

op 23 december 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning (gelegen

aan [adres]) heeft weggenomen een laptop (merk Samsung), toebehorende aan [benadeelde 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een ruit van die woning;

2.

Subsidiair

op of omstreeks 19 augustus 2010 te Utrecht, één mobiele telefoon (merk Apple) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

Primair

op 19 september 2010 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een laptop (merk Apple), toebehorende aan [benadeelde 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een ruit van die woning;

4.

op 28 november 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een televisie (merk LG) toebehorende aan [benadeelde 4], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en het weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op een ruit van die woning.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

parketnummer: 16/600976-10

subsidiair: opzetheling;

parketnummer: 16/601323-10

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2: subsidiair: opzetheling;

feit 3: primair: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Uit het rapport van drs. L. Assa (gz-psycholoog) d.d. 21 december 2011 komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een gedragsstoornis NAO, welke, indien onbehandeld, gemakkelijk kan overgaan in een antisociale persoonlijkheidsstoornis met kenmerken als spanningsbehoefte, extraversie, impulsiviteit en onvoldoende remmingen om hier tegenwicht aan te geven. Bovendien is verdachte zwakbegaafd, heeft hij weinig scholing gekend en is er sprake van cannabismisbruik. Al deze factoren maken volgens de psycholoog dat verdachte vast loopt in zijn leven en telkens verkeerde keuzes maakt waardoor hij veelvuldig in aanraking komt met politie en justitie. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar, nu zijn gedragskeuzemogelijkheden worden beperkt door zijn problematiek.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

Gelet op de problematiek die bij verdachte aan de orde is, merkt de rechtbank verdachte aan als verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank constateert evenwel dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast vordert zij een proeftijd van 3 jaar met betrekking tot de bijzondere voorwaarden, te weten, een verplicht reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt het meewerken aan Wrap Around Care en opname in een instelling voor begeleid wonen of een vergelijkbare instelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman vraagt de rechtbank een onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest. Volgens de raadsman is de eis van de officier van justitie onredelijk zwaar. Hij voert hiertoe aan dat het feit, dat verdachte zich beroept op zijn zwijgrecht er niet toe doet, nu dit een recht is dat aan iedere verdachte toekomt. Daarbij komt dat blijkens het rapport van drs. L. Assa d.d. 21 december 2010 sprake is van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling bij verdachte. De gevangenis is derhalve allerminst een geschikte plaats voor verdachte om te verblijven. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beperkte verstandelijke vermogens van verdachte en met zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Bewezen is verklaard dat verdachte in een relatief korte periode meerdere vermogensdelicten heeft gepleegd, te weten woninginbraken en het helen van goederen. Hij heeft hierbij waardevolle goederen buitgemaakt of geheeld. Verdachte heeft kennelijk uitsluitend gedacht aan zijn eigen financiële behoefte en heeft zich er niet om bekommerd dat hij door zijn handelwijze de benadeelden en/of hun verzekeraars veel schade en overlast heeft berokkend. Het is voorts een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van woninginbraken vaak nog lange tijd daarna zich niet meer veilig voelen in hun eigen woning en daarom nog lange tijd psychische en/of lichamelijke gevolgen kunnen ondervinden. Bovendien dragen dergelijke feiten bij aan het ontstaan van gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Een en ander geldt temeer voor zogenoemde stoeptegelinbraken. Door een stoeptegel door de ruiten van woningen te gooien heeft verdachte onaanvaardbare risico’s genomen. De bewoners van deze woningen hadden immers door de stoeptegel of door rondvliegend glas geraakt kunnen worden en hierdoor ernstig letsel kunnen oplopen. Dat dit niet is gebeurd is geenszins aan verdachte te danken.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het volgende.

Uit de voornoemde rapportage d.d. 21 december 2010 van drs. L. Assa komt naar voren dat de kans op herhaling van een soortgelijk delict sterk aanwezig is. Geadviseerd wordt het jeugdstrafrecht toe te passen en aan verdachte een voorwaardelijke PIJ maatregel op te leggen. Als bijzondere voorwaarde zou dan een intensieve klinische behandeling moeten worden opgelegd bij Altrecht Wier of een soortgelijke instelling.

Reclasseringswerker dhr. L. van Os heeft ter terechtzitting het reclasseringsadvies d.d. 16 juni 2011 toegelicht. Volgens Van Os is een PIJ maatregel zeer ongeschikt voor jeugdigen, die de leeftijd van 20 jaar hebben bereikt, nu bij de PIJ instellingen deze jeugdigen niet meer worden behandeld, zelfs niet wanneer door zwakbegaafdheid de feitelijke leeftijd veel lager ligt dan 20 jaar. De reclassering adviseert de rechtbank af te zien van het opleggen van een PIJ maatregel, maar verdachte een traject in te laten gaan waarbij, in het kader van een reclasseringscontact, verdachte begeleid zal worden volgens het Wrap Around Care-model, terwijl er wordt toegewerkt naar opname binnen een 24-uurs woonvoorziening, waarbij de reclassering in het kader van de bijzondere voorwaarde een proeftijd van 3 jaar adviseert om voornoemd traject te laten slagen.

Het Wrap Around Care programma is volgens Van Os vergelijkbaar met de Multisysteemtherapie. Het grijpt in op verschillende levensgebieden, terwijl één contactpersoon alles coördineert. Het richt zich op contactgroei en kent een outreachende benadering. Bij de 24-uurs woonvoorziening zal verdachte deel moeten nemen aan programma’s op het gebied van woonvaardigheden, maar daarnaast ook moeten werken aan onder andere zijn agressieproblematiek, impulscontrole en urinecontroles moeten ondergaan. Evenwel richt dit traject zich meer op praktische zaken en niet zo zeer op de aanpak van psychische problematiek.

De rechtbank zal bij de strafbepaling de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen niet toepassen. Verdachte heeft ter terechtzitting op zeer duidelijk wijze aangegeven dat hij niet zal meewerken aan een intensieve behandeling, zoals door de psycholoog is geadviseerd. Gelet bovendien op de huidige leeftijd van verdachte acht de rechtbank het opleggen van een PIJ-maatregel op grond van het jeugdstrafrecht niet zinvol.

De rechtbank volgt de conclusies van de reclassering, in die zin dat de rechtbank het belangrijk vindt dat verdachte werkt aan structuur in het dagelijks leven en binnen het voornoemde traject zich leert te houden aan geldende regels, een normaal dag en nacht ritme leert kennen en daarnaast ook werkt aan zijn psychische problematiek. Voor met name dat laatste acht de rechtbank het noodzakelijk dat ook de mogelijkheid van een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling binnen de hulpverleningsmogelijkheden van de reclassering valt, nu het Wrap Around Care programma en de voorgestelde woonvoorziening daarin niet in eerste instantie voorzien.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van

van 20 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten. Daarnaast zal de rechtbank een proeftijd bepalen van 3 jaar, waarbinnen de verdachte zich moet houden aan voorschriften en aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook indien dat inhoudt het volgen van het Wrap Around Care traject en een behandeling van De Waag of een soortgelijke instelling en daarnaast het verblijven in een 24-uurs woonvoorziening of een soortgelijke voorziening.

De rechtbank legt aldus een gevangenisstraf op waarvan het onvoorwaardelijk deel hoger is dan door de officier van justitie is gevorderd. De reden hiervoor is dat de rechtbank de verdachte, anders dan de officier van justitie, schuldig acht aan de onder feit 2 ten laste gelegde opzetheling in plaats van schuldheling en de rechtbank daarnaast van oordeel is dat met een kortere onvoorwaardelijke straf niet kan worden volstaan gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten .

7 De benadeelde partij

De benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] vorderen een schadevergoeding van € 2.150,00 betreffende materiële schade voor feit 2.

De rechtbank zal de benadeelde partijen [benadeelde 5] en [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in hun vordering verklaren, nu het onder feit 2 primair ten laste gelegde feit niet bewezen kan worden en de schade niet rechtstreeks is toegebracht door het subsidiair bewezen verklaarde feit. De benadeelde partijen kunnen de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 1749,00 betreffende materiële schade voor feit 3.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toewijzen, aangezien deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder feit 3 gepleegde feit en verdachte aansprakelijk is voor die schade. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en zal worden toegewezen met de wettelijke rente over dat bedrag en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel zoals opgenomen in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De benadeelde partij [benadeelde 4] vordert een schadevergoeding van € 229,50 betreffende materiële schade voor feit 4.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] toewijzen, aangezien deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder feit 4 gepleegde feit en verdachte aansprakelijk is voor die schade. Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en zal hoofdelijk worden toegewezen, met de wettelijke rente over dat bedrag en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel zoals opgenomen in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

8 Het beslag

Met betrekking tot de in beslag genomen voorwerpen, te weten de kleren van verdachte en zijn mobiele telefoon, alsmede 4 schroevendraaiers en een stuk gereedschap (blauw), respectievelijk de nummers 1 tot en met 7 en 8, alsmede 13 en 10 op de beslaglijst, zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte, bij wie deze voorwerpen in beslag zijn genomen.

De overige inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 1 touw en 3 handschoenen, respectievelijk de nummers 14 en 9, 11 en 12 op de beslaglijst, zullen worden verbeurd verklaard, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf (in de zaak met parketnummer 16/511653-10) van 40 dagen jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van 5 oktober 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman verzoekt de vordering af te wijzen, opdat verdachte niet nog langer in detentie zit.

De rechtbank oordeelt dat de vordering ten aanzien van de voorwaardelijke opgelegde jeugddetentie voor de duur van 40 dagen, die bij vonnis d.d. 5 oktober 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/511653-10, voor toewijzing vatbaar is, nu verdachte tijdens de proeftijd een strafbaar feit heeft begaan. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te zien.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 33, 33a, 36f, 57, 63, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder parketnummer 16/600976-10 primair ten laste gelegde feit;

- spreekt de verdachte vrij van de onder parketnummer 16/601323-10 feit 2 primair en feit 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

parketnummer: 16/600976-10

subsidiair: opzetheling

parketnummer: 16/601323-10

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 2: subsidiair: opzetheling;

feit 3: primair: diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk;

- stelt een proeftijd vast van twee jaren:

en bepaalt daarbij dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.;

- stelt een proeftijd vast van drie jaren:

en bepaalt daarbij dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde (een van) na te melden bijzondere voorwaarde(n) niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dat inhoudt meewerken aan het Wrap Around Care Model of een vergelijkbaar programma en ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- dat de veroordeelde mee zal werken aan toegeleiding naar en zal verblijven in een 24-uurs woonvoorziening of een andere vorm van maatschappelijke opvang zodra deze voor hem beschikbaar is, en zich dan zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen die in deze woonvoorziening dan wel opvang gelden en/of worden gegeven.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] en [benadeelde 6] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte en de benadeelde partij ieder in de eigen kosten;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 1749,00 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 3] € 1749,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 27 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] € 229,50 ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 4] € 229,50 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd onder 1 tot en met 8, 10 en 13;

- verklaart verbeurd de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd onder 9, 11, 12 en 14;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 5 oktober 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/511653-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten: 40 dagen jeugddetentie;

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Berkouwer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 1 juli 2011.