Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR0819

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-07-2011
Datum publicatie
08-07-2011
Zaaknummer
SBR 11-1932
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot treffen van een voorlopige voorziening na een besluit van de burgemeester van Amersfoort om op grond van de wet Bibob aan verzoekster geen vergunning te verlenen voor het exploiteren van een seksinrichting. Nu aannemelijk is dat een persoon met wie verzoekster een zakelijke samenwerking heeft betrokken is bij mensenhandel, moet worden geconcludeerd dat verzoekster in een relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob. Gelet hierop heeft verweerder de conclusie mogen trekken dat er ernstig gevaar bestaat dat de door verzoekster gevraagde exploitatievergunning (mede) zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.Verweerder was dan ook bevoegd de gevraagde vergunning te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/1932

uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster,

gemachtigde: mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat te Hoofddorp,

over een besluit van

de burgemeester van de gemeente Amersfoort, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. van Eyck, werkzaam bij de gemeente Amersfoort.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 6 april 2011 heeft verweerder geweigerd op grond van artikel 3, eerste

lid, onder b, van de Wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (hierna: Wet Bibob) aan verzoekster een vergunning te verlenen voor het exploiteren van een seksinrichting op het perceel [adres] te [plaatsnaam] (hierna: het perceel). Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2 Verzoekster heeft bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend (procedurenummer SBR 11/1283). Het verzoek is bij uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter van 19 mei 2011 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

1.3 Op 8 juni 2011 heeft verzoekster een nieuw verzoek om voorlopige voorziening ingediend en de voorlopige voorzieningrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij, totdat op het bezwaarschrift is beslist, wordt behandeld als ware zij in het bezit van de gevraagde exploitatievergunning, alsmede te bepalen dat verweerder een onafhankelijke commissie ter beoordeling van het bezwaarschrift instelt.

1.4 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en daarbij met een beroep op artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) meegedeeld dat de kennisneming van het aanvullende Bibob-advies van 14 juni 2011 alsmede het in de procedure SBR 11/1283 overlegde Bibob-advies van 2 februari 2011 om gewichtige redenen tot de rechtbank beperkt dient te blijven.

1.5 De rechtbank heeft op 29 juni 2011 beslist dat de beperking van de kennisneming van deze adviezen gerechtvaardigd wordt geacht. Op 1 juli 2011 is namens verzoekster toestemming verleend om mede op grond van deze adviezen uitspraak te doen.

1.6 Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 juli 2011, waar verzoekster in persoon is verschenen. Verzoekster en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep

is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank

in een (eventuele) bodemprocedure niet.

2.3 De voorzieningenrechter stelt in de eerste plaats vast dat verzoekster haar verzoek om een voorlopige voorziening, voor zover dat ziet op het instellen van een onafhankelijke bezwarencommissie, niet langer handhaaft, zodat dit onderdeel van het verzoek geen verdere bespreking behoeft.

2.4 Het verzoek is gedaan tijdens de bezwaarprocedure. De reikwijdte van een voorlopige voorziening in deze fase is beperkt, in die zin dat een voorziening in beginsel komt te vervallen met het nemen van de beslissing op bezwaar. Bij de belangenafweging betrekt de voorzieningenrechter dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de beslissing op bezwaar een termijn van twee weken zal worden genomen en bekendgemaakt.

2.5 Bij de vraag of er aanleiding bestaat om bij wijze van een voorlopige voorziening te bepalen dat verzoekster behandeld wordt als ware zij in het bezit van de gevraagde exploitatievergunning, betrekt de voorzieningenrechter voorts dat voor het treffen van een dergelijke verstrekkende voorziening slecht plaats is indien op grond van de beschikbare gegevens met een grote mate van waarschijnlijkheid moet worden aangenomen dat bij de nieuw te nemen beslissing op bezwaar de exploitatievergunning verleend zou moeten worden. In dat kader wordt overwogen als volgt.

2.6 Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Bibob kunnen bestuursorganen voorzover zij daartoe bij of krachtens de wet de bevoegdheid hebben gekregen, weigeren een aangevraagde beschikking te geven dan wel een gegeven beschikking in te trekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Op grond van het derde lid, wordt de mate van het gevaar, voorzover het ernstig gevaar als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b betreft, vastgesteld op basis van:

a. feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten die zijn gepleegd bij activiteiten die overeenkomen of samenhangen met activiteiten waarvoor de beschikking wordt aangevraagd dan wel is gegeven,

b. ingeval van vermoeden de ernst daarvan,

c. de aard van de relatie en

d. het aantal van de gepleegde strafbare feiten.

Op grond van het vierde lid staat de betrokkene in relatie tot strafbare feiten als bedoeld in het tweede en derde lid, indien:

a. hij deze strafbare feiten zelf heeft begaan,

b. hij direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over of vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan een rechtspersoon in de zin van artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht die deze strafbare feiten heeft begaan, of

c. een ander deze strafbare feiten heeft gepleegd en deze persoon direct of indirect leiding geeft dan wel heeft gegeven aan, zeggenschap heeft dan wel heeft gehad over, vermogen verschaft dan wel heeft verschaft aan betrokkene, of in een zakelijk samenwerkingsverband tot hem staat.

2.7 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder aan zijn besluit tot weigering van de gevraagde exploitatievergunning, welk besluit mede is gebaseerd op het door het Landelijk Bureau Bibob gegeven Bibob-advies van 2 februari 2011, ten grondslag heeft gelegd dat er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dit gevaar heeft verweerder enerzijds gebaseerd op het vermoeden dat de heer [X] (hierna: [X]) bij het faillissement van zijn onderneming opzettelijk schuldeisers heeft benadeeld en anderzijds op het vermoeden dat de heer [Y] (hierna: [Y]) in verband is te brengen met het plegen van mensenhandel. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat verzoekster zowel tot [X] als tot [Y] in een zakelijk samenwerkingsverband staat en om die reden in relatie staat tot de door hen gepleegde strafbare feiten.

2.8 Anders dan verzoekster betoogt, is het bij de beantwoording van de vraag of de strafbare feiten bij de beoordeling van het gevaar mogen worden betrokken, niet vereist dat de dader van die strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld dan wel is vervolgd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 8 juli 2009 (LJN BJ1892) geoordeeld dat het aannemelijk moet zijn dat de strafbare feiten zijn gepleegd, willen die feiten betrokken kunnen worden in de beoordeling. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat, gelet op de beschikbare informatie, voldoende aannemelijk is geworden dat [Y] in verband gebracht kan worden met vrouwenhandel. De voorzieningenrechter wijst in dat kader op het vonnis van de rechtbank Utrecht van

13 november 2010, waaruit blijkt dat twee slachtoffers van de veroordeelden te werk zijn gesteld in de massagesalon van [Y] en dat de rechtbank in één geval expliciet heeft geoordeeld dat sprake is geweest van medeplegen van [Y]. Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat het Openbaar Ministerie inmiddels het besluit heeft genomen [Y] te vervolgen, hetgeen blijkt uit het feit dat op 8 juni 2011 de dagvaarding aan [Y] is betekend en dat op korte termijn een regiezitting staat gepland.

2.9 De vraag of er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoekster en [Y] beantwoordt de voorzieningenrechter bevestigend. Verweerder heeft in het bestreden besluit een opsomming gegeven van een zestal omstandigheden, waaronder de huurovereenkomst tussen verzoekster en [Y], het feit dat [Y] boven de seksinrichting woont, het gegeven dat [Y] samen met verzoekster een voorlopige voorziening heeft ingediend tegen het besluit van verweerder de seksinrichting te sluiten en de aanwezigheid van [Y] in de seksinrichting tijdens diverse politiecontroles, die - in samenhang bezien - voldoende aanknopingspunten geven voor oordeel dat er sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoekster en [Y].

2.10 Nu aannemelijk is dat [Y] betrokken is bij mensenhandel en dat sprake is van een zakelijk samenwerkingsverband tussen verzoekster en [Y], moet worden geconcludeerd dat verzoekster in een relatie staat tot strafbare feiten als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob. Gelet hierop heeft verweerder de conclusie mogen trekken dat er ernstig gevaar bestaat dat de door verzoekster gevraagde exploitatievergunning (mede) zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

2.11 Verweerder was dan ook bevoegd de gevraagde vergunning te weigeren. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder van zijn bevoegdheid in dit geval geen gebruik heeft mogen maken. Dit betekent dat de vergunning reeds hierom kon en mocht worden geweigerd. Aan de bespreking van de andere weigeringsgrond en de daartegen gerichte bezwaren komt de voorzieningenrechter niet toe.

2.12 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk dat de heroverweging in bezwaar moet leiden tot herroeping van het primaire besluit en tot het alsnog verlenen van de gevraagde vergunning. Nu niet wordt voldaan aan het onder 2.5 vermelde criterium bestaat er, gelet op de betrokken belangen, geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening. Evenmin is er aanleiding een andere, minder verstrekkende, voorziening te treffen.

2.13 Het verzoek zal daarom worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen plaats.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2011.

De griffier: De voorzieningenrechter:

mr. E.C.J. Mulder mr. B.J. van Ettekoven

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.