Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR0674

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-07-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
308284 / HA RK 11-266
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

wrakingsverzoek. Afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummer / rekestnummer: 308284 / HA RK 11-266

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

van 7 juli 2011

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verder te noemen [verzoeker],

verzoeker,

tegen:

mr.[X]

rechter in de sector familie en toezicht van deze rechtbank,

verder te noemen mr. [X]

verweerster.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij brief, ter griffie ingekomen op 15 juni 2011, heeft [verzoeker] mr. [X] gewraakt naar aanleiding van de beschikking die door haar op 1 juni 2011 is gegeven in de zaak (zaaknummer 305907 / JE RK 11-1153) met betrekking tot de drie minderjarige kinderen van hem en mevrouw [A].

1.2. Mr. [X] heeft niet in de wraking berust.

1.3. Partijen zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 5 juli 2011. De griffier heeft ook mevrouw [A] voornoemd en Bureau Jeugdzorg Utrecht van de behandeling in kennis gesteld.

1.4. Op 1 juli 2011 heeft mr. [X] haar schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de rechtbank doen toekomen. De griffier heeft hiervan diezelfde dag een afschrift gezonden aan [verzoeker], mevrouw [A] en Bureau Jeugdzorg Utrecht. [verzoeker] heeft de reactie van mr. [X] op zijn woonadres ontvangen en daarvan kennis genomen.

1.5. Bij fax van 4 juli 2001, ter griffie ingekomen op 5 juli 2011, heeft [verzoeker] de gronden van zijn wrakingsverzoek nader toegelicht.

1.6. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 5 juli 2011 plaats gevonden. Daarbij waren [verzoeker] en mevrouw [A] aanwezig. Mr. [X] is niet verschenen. In haar schriftelijke reactie van 1 juli 2011 had zij laten weten verhinderd te zijn. Bureau Jeugdzorg Utrecht is evenmin verschenen.

1.7. Ter zitting heeft [verzoeker] het wrakingsverzoek nader toegelicht. Mevrouw [A] heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid het woord te voeren.

1.8. De uitspraak is hierna bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. De hoofdprocedure (onder bovengenoemd zaaknummer) heeft betrekking op de minderjarige kinderen van [verzoeker] en mevrouw [A], te weten [B] (geboren op [geboortedatum] 1994), [C] (geboren op [geboortedatum] 1995) en [D] (geboren op [geboortedatum] 1998). Bij beschikking van deze rechtbank van 22 juni 2010, gegeven door mr[X]] zijn deze kinderen onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Utrecht gesteld voor de duur van een jaar (tot 22 juni 2011).

2.2. Op 26 april 2011 heeft Bureau Jeugdzorg Utrecht een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de drie kinderen ingediend. Bij brief van 11 mei 2011 heeft de rechtbank [verzoeker] en mevrouw [A] in de gelegenheid gesteld hun mening hierover binnen twee weken kenbaar te maken. Deze brief is gezonden naar hun beider woonadres aan de [adres] te [woonplaats] en aldaar ook aangekomen. Op deze brief heeft de rechtbank van [verzoeker] of mevrouw [A] geen reactie ontvangen.

2.3. Bij beschikking van 1 juni 2011 heeft mr. [X] als kinderrechter de termijn waarvoor de minderjarige kinderen onder toezicht van Bureau Jeugdzorg Utrecht waren gesteld met één jaar, tot 22 juni 2012, verlengd. Aan [verzoeker] en mevrouw [A] is een afschrift van deze beschikking gezonden.

3. Het verzoek en de grondslagen daarvan

3.1. Het wrakingsverzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat mr. [X] wordt vervangen door een andere rechter.

3.2.[verzoeker] heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat hij van de brief van de rechtbank van 11 mei 2011 pas op 14 juni 2011 kennis heeft genomen, direct nadat hij was teruggekeerd van een verblijf in het buitenland in verband met het onverwachte overlijden van zijn broer. Toen was de ondertoezichtstelling van zijn kinderen reeds verlengd, derhalve zonder dat hij daarover zijn mening heeft kunnen geven.[verzoeker] is het niet eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij meent dat daarvoor onvoldoende reden bestaat. Hij wil dat de verlenging van de ondertoezichtstelling wordt heroverwogen, nadat hij daarover is gehoord.[verzoeker] verlangt tevens vergoeding van de schade die hij door het optreden van de rechtbank, Bureau Jeugdzorg en het AMK heeft geleden. Ter zitting heeft [verzoeker] er zijn onvrede over uitgesproken dat mr. [X] niet de moeite heeft willen nemen bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig te zijn.

3.3. Mr. [X] heeft zich tegen het wrakingsverzoek verweerd. Naar haar mening is [verzoeker] is in zijn verzoek niet-ontvankelijk, omdat het verzoek is ingediend nadat de beschikking tot verlenging van de ondertoezichtstelling is gegeven. Inhoudelijk is het verzoek ongegrond, aldus mr. [X] omdat van enige vooringenomenheid geen sprake is. Zoals te doen gebruikelijk, is op het verzoek van Bureau Jeugdzorg eerst beslist nadat de belanghebbenden schriftelijk in de gelegenheid zijn gesteld hun mening daarover kenbaar te maken. Toen binnen de daartoe gestelde termijn van twee weken niet van [verzoeker] of mevrouw [A] was vernomen, is op grond van het verzoek en het rechtbankdossier beslist.

4. De beoordeling van het verzoek

4.1. De rechtbank stelt voorop dat het in het algemeen wenselijk is dat de gewraakte rechter bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig is. Dit is echter niet onder alle omstandigheden mogelijk. Mr. [X] heeft tijdig te kennen gegeven verhinderd te zijn ter zitting van de wrakingskamer te verschijnen. Een wettelijke verplichting om te verschijnen bestaat niet.

4.2. Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De strekking van deze bepaling is dat de rechtzoekende aldus kan bereiken dat in zijn zaak wordt beslist door een onpartijdige rechter en dat een rechter die van vooringenomenheid heeft blijk gegeven wordt vervangen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om, wanneer de behandeling van de zaak is geëindigd door het wijzen van een einduitspraak, wraking te verzoeken van de rechter die deze uitspraak heeft gedaan (Hoge Raad 18 december 1998 NJ 1999, 271, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AD2977).

4.3. Een wrakingsverzoek dat, zoals hier, na de einduitspraak is ingediend, wordt daarom niet inhoudelijk behandeld en de verzoeker, in dit geval [verzoeker], is in zijn verzoek niet-ontvankelijk, tenzij blijkt van feiten of omstandigheden die maken dat de te late indiening van het wrakingsverzoek hem niet kan worden toegerekend. Deze uitzondering doet zich hier niet voor, omdat het voor rekening en risico van [verzoeker] blijft dat hij niet tijdig van de brief van 11 mei 2011 heeft kennis genomen. Hij heeft nagelaten ervoor te zorgen dat gedurende zijn afwezigheid de binnenkomende post werd behandeld. Daartoe had hij de benodigde maatregelen moeten nemen, óók indien hij - zoals kennelijk het geval was - onverwacht en onverwijld moest vertrekken, hoe triest de reden daarvan ook moge zijn geweest. Dat hij een ander de kennisneming van zijn post niet toevertrouwt, maakt dit niet anders. De rechtbank neemt mede in aanmerking dat [verzoeker] er, gezien het aanstaande einde van de termijn van de lopende ondertoezichtstelling van zijn kinderen, rekening mee moest houden dat Bureau Jeugdzorg om een verlenging ervan zou verzoeken.

4.4. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat ook een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek [verzoeker] niet zou hebben kunnen baten. Een wrakingsverzoek dat zich richt tegen de inhoud van een rechterlijke beslissing, en niet is gegrond op de vooringenomenheid van de rechter jegens een procespartij, is niet toewijsbaar. Voorts wordt [verzoeker] erop gewezen dat voor toewijzing van een schadevergoeding, waarop hij heeft aangedrongen, in een wrakingszaak geen plaats is.

4.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [verzoeker] in zijn verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank Utrecht:

5.1. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;

5.2. draagt de griffier op deze beslissing aan verzoeker en mr. [X] aan mevrouw [A] en Bureau Jeugdzorg Utrecht, alsmede aan de president en de voorzitter van de sector familie & toezicht van deze rechtbank toe te zenden.

Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven (voorzitter), mr. A.C. van den Boogaard en mr. G. Perrick en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2011, in aanwezigheid van de griffier, mr. L.J.A. Holtus.