Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR0340

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-02-2011
Datum publicatie
05-07-2011
Zaaknummer
16-601051-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijk in vereniging geweld plegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601051-09[P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 februari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek),

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsvrouwe mr. R.E.H. Jager, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 januari 2011, waarbij de officier van justitie haar standpunten kenbaar heeft gemaakt.

De verdachte is ter terechtzitting van 31 januari 2011 niet verschenen. Voornoemde raadsvrouwe was niet uitdrukkelijk gemachtigd.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: deel heeft uitgemaakt van een groep die op de [adres] te Amersfoort geweld heeft gepleegd tegen vier personen;

feit 2: samen met (een) andere(n) een nabootsing van een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

4.2. Het oordeel van de rechtbank

4.3. Bewijsoverweging feiten 1 en 2

4.3.1. De bevindingen van verbalisanten

Op 16 augustus 2009 kregen twee verbalisanten de melding van een ruzie op de [adres] te Amersfoort. Ter plaatse gekomen zagen zij een tweetal blanke meisjes en een tweetal lichtgetinte jongens. Een van de jongens, genaamd [betrokkene 1] (hierna [betrokkene 1]), stond volgens de verbalisanten telkens in zijn ogen te wrijven. Deze jongen verklaarde dat hij in zijn gezicht was gespoten met een bijtende stof. De vier personen kwamen op de verbalisanten aangeslagen over. Door [betrokkene 2] (hierna [betrokkene 2]) werd toen verklaard dat zij alle vier waren belaagd door een drietal personen, waarvan één man en twee vrouwen. Deze personen zouden bewapend zijn geweest met honkbalknuppels. De man hield ook nog een vuurwapen vast en dreigde daar mee.[betrokkene 2] verklaarde dat er eerder die avond ruzie was geweest tussen deze man (die zij kent als [verdachte]) en [betrokkene 1], vanwege het feit dat zij eerder in een supermarkt lastig zou zijn gevallen door die [verdachte].

Door de politie is in de omgeving van aangevers een zogenaamde BB-gun aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat het ging om een speelgoedpistool waarmee middels luchtdruk zogenaamde “balletjes” verschoten kunnen worden. Dit pistool heeft echter wel een realistische vorm gelijkend op een echt pistool en is voor bedreiging en afdreiging geschikt. Het voorwerp is derhave een wapen in de zin van categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie.

4.3.2. De verklaring van [betrokkene 2]

Dezelfde dag nog heeft [betrokkene 2] tegenover de politie verklaard dat zij na afloop van een festival samen met haar man [betrokkene 1], [betrokkene 3] (hierna [betrokkene 3]) en [betrokkene 4] (hierna [betrokkene 4]) naar huis is gefietst. Toen zij op de [adres] reden hoorde [betrokkene 2] het geluid van een auto die met hoge snelheid achter hun reed. Zij herkende deze auto als de auto van [verdachte] (hierna [verdachte]). Het betrof een Ford Escort, bordeauxrood van kleur. Deze auto haalde hen in, sneed hen af en remde hard voor hen. [betrokkene 2] zag dat er drie personen uit deze auto stapten en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] (de vriendin van [verdachte]) een knuppel vasthielden. Ze zag dat [medeverdachte 1] [betrokkene 4] aan de haren naar de grond trok en dat zij [betrokkene 4] begon te slaan met de honkbalknuppel. [betrokkene 4] werd daarbij hard op haar benen geslagen. Ook zag ze dat [betrokkene 1] met veel kracht door [verdachte] met een honkbalknuppel in zijn buik werd geslagen. [betrokkene 2] hoorde [medeverdachte 1] nog zeggen dat [verdachte][betrokkene 1] moest slaan en zag ze dat [medeverdachte 1] [betrokkene 1] met een honkbalknuppel met kracht op zijn arm sloeg. Ook maakte [medeverdachte 1] nog een krabbende beweging in de richting van [betrokkene 2] en raakte zij haar daarbij op borsthoogte. Als gevolg hiervan scheurde haar shirt.

4.3.3. De verklaring van [getuige]

[getuige] heeft tegenover de politie verklaard dat zij omstreeks 1.30 uur op het balkon stond van de woning aan de [adres]. Zij hoorde een hoop tumult en zij zag een bordeauxrode auto op het plein staan, met deuken aan de bestuurderszijde. Uit deze auto zag zij ongeveer 5 mensen stappen. Deze mensen liepen naar een groepje van 4 personen. Een van de vrouwen die uit voornoemde auto was gestapt had volgens deze getuige een lang voorwerp bij zich, waarvan ze dacht dat het een hockeystick was. Hierna zag ze wat geruzie nabij de garages en ook dat er een voorwerp over de garages werd gegooid. Op de plek waar dit voorwerp terecht is gekomen heeft ze samen met de politie een pistool aangetroffen.

4.3.4. De verklaring van [betrokkene 4]

Door [betrokkene 4] is verklaard dat zij zag dat [medeverdachte 1] met een opgeheven honkbalknuppel op [betrokkene 3] afliep. [betrokkene 4] wilde [medeverdachte 1] tegenhouden en heeft de honkbalknuppel vastgepakt. Ze zag en voelde vervolgens dat [medeverdachte 1] haar met de honkbalknuppel sloep op haar linkerbeen, werd ze aan haar haar getrokken waardoor ze ten val kwam. Even later hoorde ze een sissend geluid alsof iemand werd bespoten met een spuitbus. Later zag ze dat [betrokkene 1] besproeid was met een vloeistof.

4.3.5. De verklaring van [betrokkene 3]

Door [betrokkene 3] is verklaard dat de man (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) heel erg snel uit de auto stapte en een pistool op hem richtte. Vervolgens ontstond er een korte worsteling waarbij het pistool op de grond viel en door deze getuige werd opgepakt. De vrouw van deze man (de rechtbank begrijpt:[medeverdachte 1]) liep met een bat in haar handen en wilde hem daarmee slaan. Hierna is deze getuige weggerend en heeft hij ondertussen het pistool weggegooid. Hij zag dat de Cubaanse vrouw (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1]) zijn vrouw (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 4]) twee keer tegen haar been heeft geslagen. [betrokkene 1] was ondertussen nog steeds met die man vechten.

4.3.6. De verklaring van [betrokkene 1]

Door [betrokkene 1] is verklaard dat hij is weggerend toen [verdachte] uit de auto stapte. Toen hij echter zag dat [verdachte] in gezelschap was van twee vrouwen is hij teruggelopen. Hij zag dat [verdachte] met zijn vriend [betrokkene 3] aan het worstelen was en zag een pistool op de grond liggen. Hij heeft toen tegen [betrokkene 3] gezegd dat hij het pistool moest pakken. Ook zag hij dat [medeverdachte 1] een baseballknuppel in haar handen hield en dat zij [betrokkene 2] wilde slaan. Op het moment dat hij [medeverdachte 1] wilde tegenhouden, zag hij dat [verdachte] naar zijn auto liep en een andere baseballknuppel pakte. Met deze knuppel heeft [verdachte] hem ook geslagen op zijn arm. Ook voelde hij later dat iemand een vloeistof tegen zijn lichaam en gezicht spoot. Hij kreeg hierdoor een branderig gevoel in zijn gezicht en ogen.

4.3.7. De bevindingen van de politie

Uit onderzoek is gebleken dat op naam van [verdachte] een rode Ford Escort staat geregistreerd. Op 25 september 2010 werd bovendien geconstateerd dat deze auto diverse deukjes heeft, waaronder twee op het bestuurdersportier. Volgens verklaring van de medeverdachte, tevens partner van verdachte, [medeverdachte 1] is de auto van verdachte wijnrood van kleur.

De rechtbank acht -gelet op de vorenstaande verklaringen en bevindingen- wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De hiervoor genoemde verklaringen van de slachtoffers komen immers grotendeels met elkaar overeen voor wat betreft het door verdachte en medeverdachte uitgeoefende geweld, maar ook voor wat betreft de aanleiding en de beschrijving van de auto en het pistool. De verklaringen vinden bovendien steun in de bevindingen van de verbalisanten die kort na de geweldpleging ter plaatse komen. Zij constateerden dat de vier aangetroffen personen aangeslagen waren, zien verwondingen bij de slachtoffers die passen bij het in hun verklaringen genoemde geweld en zien [betrokkene 1] wrijven in zijn ogen, hetgeen past bij de verklaring dat met een vloeistof zou zijn gespoten die een branderig gevoel tot gevolg had. Daarnaast vindt de verklaring van de slachtoffers op belangrijke punten steun in de verklaring van de (niet partijdige) getuige [getuige]. Aan de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte, dat zij na het festival direct naar huis gegaan zijn en aangevers derhalve niet op de [adres] getroffen hebben, gaat de rechtbank gezien het voorgaande voorbij.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 16 augustus 2009 te Amersfoort met een ander, op de openbare weg, aan de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 2] en [betrokkene 4] en [betrokkene 3] en [betrokkene 1], welk geweld bestond uit het

- met een honkbalknuppel, althans enig slagvoorwerp, met kracht slaan

tegen het been van die [betrokkene 4] enmet kracht slaan in

in de richting van het lichaam van die [betrokkene 3]

en met kracht slaan tegen de arm, althans het lichaam van die [betrokkene 1] en

- het met een bijtende spray/stof in de ogen en het gezicht spuiten van

die [betrokkene 1] en

- het krabben van die [betrokkene 2] en

- het aan de haren trekken van die [betrokkene 4];

2.

op 16 augustus 2009 te Amersfoort, een wapen van categorie I onder

7°, te weten een nabootsing van een vuurwapen, dat door zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoond met een pistool, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

feit 1: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis

- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 2] toe te wijzen, alsmede de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de hiervoor genoemde openlijke geweldpleging.

Na eerder onenigheid met de slachtoffers te hebben gehad tijdens een festival hebben verdachte en zijn mededader bewust de confrontatie gezocht met deze slachtoffers. Voorafgaand aan deze laatste confrontatie hebben zij zich bewapend met knuppels, een pistool en een bijtende spray. Door verdachte en zijn mededader is vervolgens excessief geweld uitgeoefend tegen de slachtoffers, waardoor ook letsel is veroorzaakt.

De slachtoffers is door deze daad van verdachte leed aangedaan. Daarnaast roept een dergelijke openlijke geweldpleging bij passanten, en ook in de samenleving, gevoelens van onrust en onveiligheid op.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De persoon van verdachte

De inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 21 september 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. De officier van justitie heeft ter terechtzitting verklaard dat zij van de politie heeft vernomen dat zich tussen de verdachte en de slachtoffers geen nieuwe incidenten hebben plaatsgevonden.

De rechtbank acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de officier van justitie is gevorderd passend en geboden.

7. De benadeelde partij [betrokkene 2]

De benadeelde partij [betrokkene 2] vordert een schadevergoeding van € 20,- aan materiële schade, vanwege een kapotgescheurd t-shirt.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.De rechtbank zal bepalen dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. Het beslag

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Dit voorwerp is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [betrokkene 2] van € 20,-, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [betrokkene 2], € 20,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 1 dag hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, mr. M.J. Grapperhaus en mr. J. Schwillens, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 februari 2011.

Mr. Schwillens is buiten staat om mede te ondertekenen.