Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR0215

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
07-07-2011
Zaaknummer
284604 - HA ZA 10-798
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Advocaten persoonlijk aansprakelijk voor niet uitvoeren reservering op derdengeldenrekening

De eisende partij in deze procedure (hierna: de scheepswerf) heeft een advocaat gedagvaard die een vennootschap onder firma (hierna: de v.o.f.) heeft bijgestaan in een door de scheepswerf tegen de v.o.f. aangespannen bodemprocedure tot betaling van een geldsom. Deze advocaat heeft gedurende die bodemprocedure gelden op de derdengeldenrekening van zijn kantoor ontvangen en aan de scheepswerf toegezegd om een deel daarvan te reserveren voor de vordering van de scheepswerf op de v.o.f. Die reservering heeft niet plaatsgevonden. Aan de gestelde voorwaarden om tot uitbetaling van het gereserveerde bedrag over te gaan is vervolgens voldaan doordat het in de bodemprocedure tussen de scheepswerf en de v.o.f. gewezen vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. De advocaat heeft geweigerd om tot uitbetaling van het bedrag dat gereserveerd had moeten worden, over te gaan.

De scheepswerf stelt in de onderhavige procedure deze advocaat en twee andere advocaten (bestuursleden van de Stichting Derdengelden van hetzelfde advocatenkantoor) persoonlijk aansprakelijk voor de betaling van het bedrag dat gereserveerd had moeten worden.

De rechtbank is van oordeel dat de drie advocaten persoonlijk aansprakelijk zijn voor het bedrag dat voor de scheepswerf gereserveerd had moeten worden. De advocaat die de v.o.f. heeft bijgestaan, had de door hem gedane toezegging tot reservering moeten nakomen en ervoor zorg moeten dragen dat het gereserveerde bedrag aan de scheepswerf werd uitbetaald.

De twee collega-advocaten, die bestuursleden van de Stichting Derdengelden waren, hadden zich op de hoogte moeten stellen van de herkomst en de bestemming van de op de derdengeldenrekening ontvangen gelden en van de toezegging tot reservering die de advocaat van de v.o.f. aan de scheepswerf had gedaan.

De advocaat die de v.o.f. heeft bijgestaan, is daarnaast aansprakelijk voor de kosten die de scheepswerf voor het voeren van andere procedures heeft moeten maken. Deze advocaat heeft de scheepswerf nodeloos op kosten gejaagd en daarmee onrechtmatig gehandeld door de scheepswerf in de waan te laten dat de voor haar gereserveerde gelden nog steeds op de derdengeldenrekening stonden en vervolgens allerlei wisselende, onhoudbare standpunten in te nemen om niet tot betaling te hoeven overgaan, ter verhulling van het feit dat hij de toegezegde reservering niet had gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 284604 / HA ZA 10-798

Vonnis van 15 juni 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

voorheen [eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente De Ronde Venen,

eiseres,

advocaat mr. A.R. Jaarsma te Vinkeveen,

tegen

1. MR. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. MR. [gedaagde sub 2],

in zijn hoedanigheid van bestuurder van de stichting Stichting Beheer Derdengelden [Advocaten],

wonende te [woonplaats],

3. MR. [gedaagde sub 3],

in zijn hoedanigheid van bestuurder van de stichting Stichting Beheer Derdengelden [Advocaten],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. [gedaagde sub 1] te [woonplaats].

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] (en afzonderlijk [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]) genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 juni 2010

- het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 21 november 2007 heeft [eiseres] bij deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt, strekkende tot betaling van een bedrag van EUR 79.982,89, tegen de vennootschap onder firma V.O.F. [VOF] te [vestigingsplaats] (hierna te noemen: de vennootschap). [gedaagde sub 1] is in die procedure opgetreden als raadsman van de vennootschap.

2.2. Bij vonnis van 22 juli 2008 (zaaknrs. 08/272 F en 08/273 F) heeft deze rechtbank de vennoten van de vennootschap ([vennoot 1] en [vennoot 2]) failliet verklaard en de vennootschap ex artikel 7A:1683 sub 4 BW jo 16 WvK ontbonden.

2.3. Op 18 augustus 2008 heeft de curator van de vennoten aan (de raadsman van) [eiseres] een brief gezonden met, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“(…)

1. De vordering van uw cliënte [eiseres] b.v. heb ik voor de hoofdsom al in de crediteurenlijst opgenomen.

2. De vordering van uw cliënt [A] zal ik voor de hoofdsom € 11.500,00 in de crediteurenlijst opnemen (…)

3. De vordering van uw cliënt [B], h.o.d.n. [bedrijf] heb ik voor € 4.284,00 in de crediteurenlijst opgenomen.

(…)”

2.4. Bij arrest van 21 augustus 2008 heeft het Gerechtshof Amsterdam het onder 2.2 bedoelde vonnis vernietigd, en het verzoek tot faillietverklaring alsnog afgewezen.

2.5. In het kader van de afwikkeling van de boedel heeft de curator een bedrag van ongeveer EUR 530.000,-- overgemaakt naar de Stichting Beheer Derdengelden [Advocaten] (hierna te noemen: de Stichting). [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn de bestuurders van deze Stichting.

2.6. Op 22 augustus 2008 heeft de curator aan [eiseres] een brief gezonden met, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“(…)

Met de advocaat van de heer en mevrouw Zaal is afgesproken dat hij op zich neemt het totale crediteurenbestand van de heer en mevrouw Zaal af te wikkelen, dat wil zeggen erkende, dat wil zeggen niet betwiste crediteuren worden snel betaald en ter zake niet erkende/betwiste crediteuren wordt snel aan een geschilbeslechting gewerkt, al dan niet middels het bereiken van een regeling in der minne.

(…)”

2.7. Bij fax van 21 augustus 2008 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiseres] - voor zover relevant - het volgende medegedeeld:

“(…)

Met referte aan ons telefonisch onderhoud in opgemelde kwestie bevestig ik u hierdoor een bedrag ter grootte € 94.584,89 te reserveren voor de door cliënten betwiste vorderingen van een drietal schuldeisers, te weten [eiseres] B.V., [A] en [B] voor wie u als raadsman optreedt. Dit bedrag zal net zo lang worden gereserveerd totdat er middels een tot stand gekomen schikking tussen partijen dan wel middels een onherroepelijke uitspraak het geschil definitief is beslecht.

(…)”

2.8. Bij vonnis van 30 september 2009 (zaaknr./rolnr. 240174 HA ZA 07-2176) heeft deze rechtbank in de onder 2.1 bedoelde procedure de vennootschap veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van EUR 77.804,26 vermeerderd met rente en kosten.

2.9. Bij brief van 7 oktober 2009 heeft [eiseres] [gedaagde sub 1] persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van het op de derdengeldenrekening van de Stichting gereserveerde bedrag.

2.10. Op 8 oktober 2009 heeft [gedaagde sub 1] aan één van de vennoten ([vennoot 2]) een e-mail gezonden met - voor zover relevant - de volgende inhoud:

“(…) I have big probems with Jaarsma [raadsman [eiseres]; toevoeging rechtbank] inzake [eiseres].

Jaarsma already contacted de Deken. So personally, I am in big troube because there is no money on the derdengeldenrekening to pay [eiseres]. I am very pissed that I am in trouble because there is no money. (…)”

2.11. Bij fax van 9 oktober 2009 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiseres] - voor zover relevant - het volgende medegedeeld:

“(…)

Hoe het ook zij, het is juist dat ik u op 21 augustus 2008 schriftelijk heb bevestigd een bedrag van € 94.584,89 te reserveren voor de een drietal door cliënten betwiste vorderingen van cliënten waarvoor u optreedt.

Voorts wordt in dit faxbericht aan deze reservering de voorwaarde verbonden dat dit bedrag net zo lang op de derdengeldenrekening gereserveerd zal blijven totdat er middels een tot stand gekomen schikking tussen partijen dan wel middels een onherroepelijke uitspraak het geschil definitief is beslecht.

Welnu, van de totstandkoming van een schikking tussen partijen is tot op heden geen sprake en van een onherroepelijke uitspraak evenmin. Hieruit volgt dat Stichting Derdengelden thans nog niets hoeft uit te keren ten behoeve van uw cliënte.

(…)”

2.12. Op 12 oktober 2009 heeft [eiseres] ten laste van de commanditaire vennootschap [CV] (hierna te noemen: de commanditaire vennootschap) executoriaal derdenbeslag laten leggen onder de Stichting.

2.13. Bij brief van 28 oktober 2009 heeft [eiseres] [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiseres] zou leiden ten gevolge van het ontbreken van verhaalsmogelijkheden op de derdengeldenrekening van de Stichting.

2.14. Op 14 december 2009 heeft [gedaagde sub 2] namens de Stichting aan [eiseres] (in het kader van het gelegde executoriale derdenbeslag) verklaard dat er tussen de commanditaire vennootschap en de Stichting geen rechtsverhouding heeft bestaan.

2.15. Bij fax van 5 januari 2010 (ten onrechte gedateerd op 5 januari 2009) heeft [gedaagde sub 1] aan de Deken, in verband met een door de raadsman van [eiseres] tegen hem ingediende klacht, het volgende bericht:

“(…)

Mr. Jaarsma kan namens zijn cliënte niets verhalen op de reservering die er in augustus 2008 uit hoofde van de overwaarde van de verkoop van de aan de heer en mevrouw Zaal in privé in eigendom toebehorende echtelijke woning op derdenrekening van kantoor is gestort nu zijn cliënte middels het vonnis van 30 september 2009 geen executoriale titel heeft op de heer en mevrouw Zaal in hoedanigheid van vennoten van de vennootschap onder firma die opgehouden is te bestaan doch uitsluitend op deze niet bestaande vennootschap onder firma, waarvan de activiteiten naar verluidt zouden zijn overgenomen door een commanditaire vennootschap. (…)”

2.16. Op 10 januari 2010 heeft [vennoot 2] een e-mail gezonden aan (de raadsman van) [eiseres] met, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“(…)

Please take the ship: Charlize 1 towards any payments regarding a VONNIS: Euro 113.000,00.

(…)

p.s. mr. [gedaagde sub 1] is NOT my lawyer nor that of the formal and previous companies [VOF].

Should you have questions please mail,

Otherwise you will find materieel vaste activa worth and valued at Euro 800.000,00 at [adres], please take whatever is owed.

(…)”

2.17. Op 16 maart 2010 (en nadien nogmaals op 14 juni 2010 en 10 september 2010) heeft [eiseres] ten laste van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] conservatoire beslagen doen leggen onder de Raad voor de Rechtsbijstand.

2.18. Bij verstekvonnis van 28 april 2010 (zaaknr./rolnr. 284199 HA ZA 10-719) heeft deze rechtbank - op vordering van [eiseres] - voor recht verklaard dat de vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de vordering van [eiseres] op de vennootschap zoals bij vonnis van 30 september 2009 is bepaald.

2.19. Bij vonnis in kort geding van 29 april 2010 (zaaknr./rolnr. 284170/KG ZA 10-253) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vordering van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot opheffing van de gelegde beslagen afgewezen. Hij heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“(…) [gedaagde sub 2] heeft ter zitting meegedeeld dat hij wist van de in 4.3 bedoelde betalingen aan derden en dat hij tevens kennis droeg van de toezegging die door [gedaagde sub 1] in zijn brieven van 21 augustus 2008 en 9 oktober 2009 aan de raadsman van [eiseres] was gedaan, maar heeft daaraan toegevoegd dat hij, gelet op de formulering van die toezegging te weten de voorwaarde van een schikking of een onherroepelijk vonnis, niet gehouden was om die gelden te reserveren.

Aldus miskent [gedaagde sub 2] dat door zijn medewerking aan de betalingen aan derden, de zekerheid voor de nakoming door [gedaagde sub 1] van zijn verplichting jegens [eiseres], namelijk het gereserveerde bedrag van EUR 94.584,89, “verdampte”, en daarom is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn medewerking aan die betalingen onrechtmatig jegens [eiseres].(…)”

2.20. Bij dagvaarding van 31 mei 2010 heeft één van de vennoten ([vennoot 1]) verzet ingesteld tegen het verstekvonnis van 28 april 2010. In die dagvaarding is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Nu [vennoot 1] zich op het standpunt stelt dat [eiseres] op 30 september 2009 uitsluitend een executoriale titel heeft verkregen tegen een op dat moment reeds geruime tijd niet meer bestaande ontbonden vennootschap onder firma, kon hij niet tegen dit vonnis in appèl gaan omdat dat appel naar zijn oordeel alsdan niet-ontvankelijk zou worden verklaard door het Gerechtshof Amsterdam, nevenvestigingsplaats Arnhem.

(…)”

2.21. Bij vonnis van 29 september 2010 (zaaknr./rolnr. 281988/HA ZA 10-363) heeft deze rechtbank de door [eiseres] tegen de Stichting ingediende vorderingen afgewezen. Deze vorderingen strekten onder meer tot een verklaring voor recht dat de Stichting

EUR 94.584,89 houdt voor de vennootschap of de commanditaire vennootschap.

2.22. Bij arrest van 2 november 2010 heeft het Gerechtshof Amsterdam het tegen het kort gedingvonnis van 29 april 2010 ingestelde hoger beroep afgewezen. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

“(…)

In een door [eiseres] tegen de v.o.f. aangespannen bodemprocedure heeft de rechtbank Utrecht bij (eind)vonnis van 30 september 2009 de v.o.f. veroordeeld tot betaling van een bedrag van (in hoofdsom) € 77.804,26, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 33.904,81 vanaf 1 april 2007 en over een bedrag van € 43.899,45 vanaf 9 juni 2007. Tussen de partijen staat als gesteld en niet weersproken vast dat dit vonnis inmiddels onherroepelijk is geworden.

(...)

[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben in hoger beroep aangevoerd dat [gedaagde sub 2] pas achteraf, nadat in opdracht van [eiseres] onder voornoemde stichting executoriaal beslag was gelegd, op de hoogte is geraakt van de gedane toezegging van [gedaagde sub 1] aan de raadsman van [eiseres] en zodoende niet bewust (zoals de voorzieningen had geoordeeld) heeft meegewerkt aan de verdamping van de reserveringen ten gunste van [eiseres]. Het hof is evenwel van oordeel dat [gedaagde sub 2] in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Stichting Derdengelden [Advocaten] op de hoogte had moeten zijn respectievelijk zich op de hoogte had moeten stellen van de herkomst en de bestemming van het medio 2008 door de curator op de derdengeldenrekening gestorte bedrag van € 530.000,-- en zich er niet achter kan verschuilen dat hij pas achteraf door [gedaagde sub 1] op de hoogte is gesteld van de toezegging die [gedaagde sub 1] jegens [eiseres] had gedaan. Nu [gedaagde sub 1] deze toezegging niet kan nakomen omdat het door hem (mede) ten behoeve van [eiseres] gereserveerde bedrag inmiddels aan derden is uitbetaald (van welke uitbetaling [gedaagde sub 2] ook volgens zijn eigen verklaring op de hoogte was), heeft de medewerking van [gedaagde sub 2] aan de betalingen van derden vooralsnog als onrechtmatig jegens [eiseres] te gelden.

(…)”

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een bedrag van EUR 94.584,89 aan hoofdsom en EUR 14.666,45 wegens gemaakte kosten, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagden] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De vordering tot betaling van een bedrag van EUR 94.584,89

4.1. Aan haar vordering tot betaling van een bedrag van EUR 94.584,89 heeft [eiseres] ten grondslag gelegd:

- dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de toezegging, althans onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiseres] door mee te werken aan verduistering van gelden op de derdengeldenrekening, althans hoofdelijk aansprakelijk is voor betaling van dit bedrag op grond van de Boekhoudverordening,

- dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] de Stichting onbehoorlijk hebben bestuurd in de zin van artikel 2:9 BW althans in strijd hebben gehandeld met de Boekhoudverordening door mee te werken aan de verduistering van gelden op de derdengeldenrekening middels het (mee-) ondertekenen van betaalopdrachten,

- dat [gedaagde sub 2] de Stichting onbehoorlijk heeft bestuurd door een onjuiste verklaring af te leggen over het bestaan van een rechtsverhouding tussen de Stichting en de commanditaire vennootschap, alsmede dat [gedaagde sub 2] uit hoofde van zijn werkgeverschap van [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor diens handelwijze.

Toerekenbare tekortkoming [gedaagde sub 1]

4.2. De kern van het geschil tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] betreft het antwoord op de vraag of [gedaagde sub 1] gehouden was tot reservering van een bedrag ten behoeve van de vordering van [eiseres] op de vennootschap en vervolgens tot uitbetaling van de gereserveerde gelden aan [eiseres] over te gaan.

[eiseres] beantwoordt die vraag bevestigend met de stelling dat de toezegging was gedaan ten behoeve van een vordering van [eiseres] op de vennootschap en dat door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis van de rechtbank Utrecht van 30 september 2009, dat in dat geschil is gewezen, de voorwaarde waaronder tot uitbetaling onder de reservering moest worden overgegaan, was vervuld.

[gedaagde sub 1] stelt zich op het standpunt dat de vordering van [eiseres] op de vennootschap niet onder de gedane toezegging tot reservering valt, omdat de reservering werd gedaan uit het privé-vermogen van de vennoten en niet uit het vermogen van de vennootschap, zodat het vonnis van 30 september 2009, dat slechts ten behoeve van de vennootschap strekt, geen in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing betreft in de zin van de voorwaarden van de toezegging. Voorts voert [gedaagde sub 1] aan dat de vennootschap ten tijde van het wijzen van het vonnis van 30 september 2009 niet meer bestond, maar was omgezet in een eenmanszaak en vervolgens in een commanditaire vennootschap, zodat ook om die reden niet tot uitbetaling onder de reservering hoefde te worden overgegaan.

4.3. Voor het bepalen aan wie van partijen het gelijk in deze is, is de inhoud van belang van de fax van [gedaagde sub 1] van 21 augustus 2008 (productie 2 van [eiseres]), waarop [eiseres] zijn vordering baseert. In die fax heeft [gedaagde sub 1] het volgende aan [eiseres] medegedeeld:

“Met referte aan ons telefonisch onderhoud in opgemelde kwestie bevestig ik u hierdoor een bedrag ter grootte € 94.584,89 te reserveren voor de door cliënten betwiste vorderingen van een drietal schuldeisers, te weten [eiseres] B.V., [A] en [B] voor wie u als raadsman optreedt. Dit bedrag zal net zo lang worden gereserveerd totdat er middels een tot stand gekomen schikking tussen partijen dan wel middels een onherroepelijke uitspraak het geschil definitief is beslecht.”

4.4. In zijn fax van 9 oktober 2009 (productie 6 van [eiseres]) bevestigt [gedaagde sub 1] deze reservering en geeft hij nog eens uitdrukkelijk aan dat deze reservering ziet op de door zijn kantoor (via de Stichting) aangehouden derdengeldenrekening.

4.5. De rechtbank constateert dat [gedaagde sub 1] in deze faxen toezegt om een bedrag van

EUR 94.584,89 te reserveren op de derdengeldenrekening van zijn kantoor voor “door cliënten betwiste vorderingen” van onder meer [eiseres]. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde sub 1] deze toezegging aldus uitlegt dat deze alleen strekt ten behoeve van de vennoten en niet ten behoeve van de vennootschap. Afgezien van het feit dat deze uitleg van [gedaagde sub 1] niet bevestigd wordt door (een redelijke uitleg van) de inhoud van de fax van 21 augustus 2008 waarin hij de toezegging heeft gedaan, geldt dat de vennoten van een vennootschap onder firma op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel met hun gehele privé-vermogen aansprakelijk zijn voor de schulden van de vennootschap. Of de toezegging is gedaan ten behoeve van de vennoten of ten behoeve van de vennootschap maakt derhalve geen verschil. In dit licht is evenmin de door [gedaagde sub 1] aangevoerde omstandigheid relevant dat ([eiseres] wist dat) de gelden waarop de beoogde reservering zag, afkomstig waren uit het privévermogen van de vennoten en dat de Stichting deze gelden daarmee niet hield voor de vennootschap.

4.6. Het voorgaande betekent dat [gedaagde sub 1] gehouden was om op de derdengeldenrekening van zijn kantoor een bedrag voor de vordering van [eiseres] te reserveren. Nu hij dat heeft nagelaten, heeft hij in zoverre onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld.

4.7. [eiseres] heeft ten gevolge van deze onrechtmatige handeling alleen op dit moment al schade geleden, als de voorwaarden van de toezegging in vervulling zijn gegaan. In dat geval was [gedaagde sub 1] immers gehouden om voor uitbetaling aan [eiseres] van de gelden op de derdengeldenrekening zorg te dragen.

4.8. De aan uitbetaling onder de reservering gestelde voorwaarden houden in dat er tussen [eiseres] en de vennootschap sprake moet zijn van een schikking of een onherroepelijke uitspraak over het tussen partijen bestaande geschil. Bij eindvonnis van 30 september 2009 heeft deze rechtbank beslist op de door [eiseres] tegen de vennootschap aanhangig gemaakte bodemprocedure door toewijzing van (een deel van) de vordering van [eiseres]. Tegen dit vonnis heeft de vennootschap geen hoger beroep ingesteld (zie onder 2.20 en overweging 4.6 van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 2 november 2010). Nu de appeltermijn inmiddels ruimschoots is verstreken, moet geoordeeld worden dat in het geschil tussen [eiseres] en de vennootschap sprake is van een “onherroepelijke uitspraak” waarin “het geschil definitief is beslecht”, zodat aan de in de fax van 21 augustus 2008 gestelde voorwaarden voor uitbetaling onder de reservering is voldaan. De stelling van [gedaagde sub 1] dat voor het in vervulling gaan van deze voorwaarden een executoriale titel jegens de vennoten vereist was, brengt hierin geen verandering, nu deze stelling geen bevestiging vindt in (een redelijke uitleg van) de fax van 21 augustus 2008 waarin de toezegging is gedaan.

4.9. Het verweer van [gedaagde sub 1] dat de vennootschap ten tijde van het wijzen van het vonnis van 30 september 2009 niet meer bestond, nu deze op dat moment al was omgezet in een eenmanszaak en vervolgens in een commanditaire vennootschap, kan hem niet baten. De schulden van een vennootschap worden niet van rechtswege overgedragen op één van de vennoten of op een andere vennootschap die de activiteiten voortzet. Daarvoor is toestemming van een schuldeiser nodig of een overgang onder algemene titel. Niet gesteld of gebleken is dat van een dergelijke schuldoverneming of overgang sprake is geweest. Gelet hierop moet worden aangenomen dat de schuld van de vennootschap aan [eiseres] in de vennootschap is gebleven, zodat de vennootschap in zoverre is blijven voortbestaan. Afgezien daarvan geldt dat - behoudens schuldoverneming of overgang onder algemene titel, waarvan in casu niet is gebleken - een op een vennootschap onder firma rustende betalingsverplichting na ontbinding in ieder geval (ook) blijft rusten op de vennoten, zodat [gedaagde sub 1] ook om die reden niet op deze grond heeft mogen weigeren om tot betaling onder de reservering over te gaan.

4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de toezegging om een bedrag ten behoeve van [eiseres] op de derdengeldenrekening te reserveren en niet tot uitbetaling aan [eiseres] van het gereserveerde bedrag over te gaan. Hij is verplicht de dientengevolge door [eiseres] geleden schade te vergoeden. Deze schade dient te worden berekend aan de hand van een vergelijking van de huidige situatie van [eiseres] met die waarin [eiseres] zou hebben verkeerd, indien [gedaagde sub 1] zijn toezegging wel was nagekomen. In dat geval zou er een reservering ten behoeve van [eiseres] op de derdengeldenrekening hebben plaatsgevonden en zou tot uitbetaling van het gereserveerde bedrag zijn overgegaan, zodat aan [eiseres] in beginsel het bedrag van de beoogde reservering als schadevergoeding toekomt.

4.11. Volgens [eiseres] bestaat de door haar geleden schade (per 13 augustus 2010) uit een bedrag van EUR 88.784,--. Zij baseert dit op de berekening die zij bij akte overlegging stukken op 8 november 2010 heeft overgelegd.

4.12. [gedaagde sub 1] heeft in dit kader aangevoerd dat de toegezegde reservering niet alleen zag op een vordering van [eiseres] op de vennootschap, maar ook op vorderingen van een tweetal andere schuldeisers waarvoor mr. Jaarsma als raadsman optrad, zodat de reservering ten behoeve van [eiseres] beperkt zou zijn geweest tot de destijds bestaande vordering van [eiseres] (ad EUR 78.880,87--). Op dit bedrag dient voorts, aldus [gedaagde sub 1], in mindering te strekken een bedrag van EUR 35.376,90, dat [eiseres] in mei 2010 via haar deurwaarder van de Stichting heeft ontvangen.

4.13. De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] in dit verweer. Met de fax van 21 augustus 2008 heeft [gedaagde sub 1] toegezegd dat hij op de derdengeldenrekening een bedrag zou reserveren terzake van vorderingen van drie schuldeisers: [eiseres], [A] en [B]. Daarmee hebben deze drie schuldeisers individueel een aanspraak gekregen op reservering en vervolgens uitbetaling (onder de geformuleerde voorwaarden) van hun respectievelijke vorderingen. Deze vorderingen bedroegen blijkens de als productie 21 overgelegde brief van de curator van 18 augustus 2008:

- voor crediteur [A]: EUR 11.500,--

- voor crediteur [B]: EUR 4.284,--

- voor [eiseres]: “de hoofdsom”, waarmee kennelijk wordt gedoeld op de hoofdsom van de in de bodemprocedure tussen [eiseres] en de vennootschap ingediende vordering. Volgens [gedaagde sub 1] betreft dit een bedrag van EUR 78.880,87. De juistheid van de hoogte van dit bedrag wordt bevestigd door de vorderingen van de overige crediteuren van het totale bedrag van

EUR 94.584,89 af te trekken. Voorts komt dit bedrag vrijwel overeen met de hoogte van de door [eiseres] ingediende vordering in de bodemprocedure (ad EUR 79.982,89) die heeft geleid tot het vonnis van 30 september 2009, zodat de rechtbank van het door [gedaagde sub 1] gestelde bedrag uitgaat. De omstandigheid dat twee van de crediteuren geen vordering meer op de vennootschap pretenderen te hebben, betekent dan ook niet dat [eiseres] zich kan verhalen op het daardoor vrijgevallen deel van de toegezegde reservering. Dit leidt ertoe dat de toegezegde uitbetaling onder de reservering slechts voor een bedrag van EUR 78.880,87 ten voordele van [eiseres] kon strekken. Dit betekent dat de vordering van [eiseres] niet tot het door hem gevorderde bedrag (ad EUR 94.584,89) of het per 13 augustus 2010 verschuldigde bedrag (ad EUR 88.784,--) toewijsbaar is, maar maximaal tot het bedrag van de toegezegde reservering (ad EUR 78.880,87).

4.14. Voor zover het verweer van [gedaagde sub 1] ziet op een door [eiseres] ontvangen bedrag van

EUR 35.376,90 overweegt de rechtbank dat [eiseres] ter comparitie - zo begrijpt de rechtbank - weliswaar heeft gesteld dat de betreffende betaling zag op een andere procedure, maar uit het feit dat zij dit bedrag in de door haar overgelegde berekening op haar vordering in de onderhavige procedure in mindering heeft gebracht, moet worden afgeleid dat een deel van de onderhavige vordering daarmee is betaald. Het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, de aanspraak van [eiseres] op uitbetaling onder de reservering een bedrag van maximaal

EUR 78.880,87 omvatte, brengt mee dat de betaling van EUR 35.376,90 niet, zoals [eiseres] heeft gedaan, in mindering strekt op de gemaakte kosten en verschenen rente, maar dat dit bedrag in mindering dient te worden gebracht op het bedrag dat ten behoeve van [eiseres] gereserveerd had moeten worden. Immers, anders zou [eiseres] als schadevergoeding meer ontvangen dan waarop hij krachtens de aan hem toegezegde reservering aanspraak had. Het voorgaande betekent dat [gedaagde sub 1] jegens [eiseres] aansprakelijk is voor een bedrag van

EUR 43.503,97.

4.15. Nu een deel van de vordering van [eiseres] jegens [gedaagde sub 1] wordt afgewezen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de overige door [eiseres] voor zijn vordering aangevoerde grondslagen. Deze overige grondslagen kunnen echter niet tot toewijzing van meer leiden dan reeds in het voorgaande toewijsbaar wordt geacht. Immers, deze grondslagen zijn gebaseerd op de stelling dat [gedaagde sub 1] ten onrechte zijn medewerking heeft verleend aan het overmaken van gelden van de derdengeldenrekening aan derden zonder rekening te houden met de jegens [eiseres] gedane toezegging. Nu de toezegging (na betaling) niet meer omvat dan hetgeen hiervoor al toewijsbaar is geoordeeld, kunnen de overige grondslagen [eiseres] niet baten.

Onbehoorlijk bestuur [gedaagde sub 2]

4.16. [eiseres] heeft haar vordering jegens [gedaagde sub 2] uit hoofde van onbehoorlijk bestuur gebaseerd op artikel 2:9 BW. Dit artikel luidt als volgt:

“Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak.”

Uit de inhoud van deze bepaling blijkt dat deze alleen ziet op de interne aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de rechtspersoon waarvan hij bestuurder is en niet op diens externe aansprakelijkheid (jegens schuldeisers van de rechtspersoon). Voor het onderhavige geval betekent dit dat alleen de Stichting deze bepaling jegens [gedaagde sub 2] kan inroepen. Voor zover [eiseres] derhalve haar vordering op artikel 2:9 BW heeft gebaseerd, kan deze niet worden toegewezen.

Onrechtmatige daad [gedaagde sub 2]

4.17. Een bestuurder kan wel jegens derden aansprakelijk zijn voor handelingen die hij namens de vennootschap heeft verricht. In het arrest Ontvanger/Roelofsen (LJN: AZ0758, Hoge Raad, 08-12-2006) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat ingeval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zal zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).

Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.

4.18. Hetgeen de Hoge Raad in het voorgaande ten aanzien van een bestuurder van een vennootschap heeft overwogen, geldt eveneens voor een bestuurder van een stichting zoals [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], zodat de rechtbank deze jurisprudentie in het navolgende op het onderhavige geval zal toepassen.

4.19. [eiseres] verwijt [gedaagde sub 2] kort gezegd dat hij toestemming heeft gegeven voor het overmaken van diverse bedragen van de derdengeldenrekening aan anderen dan [eiseres], ten laste van de gelden die daarop door de curator waren geboekt, zonder daarbij rekening te houden met de ten behoeve van [eiseres] toegezegde reservering. Volgens [eiseres] is thans van het door de curator overgeboekte bedrag niets meer op de derdengeldenrekening aanwezig, zodat zij haar vordering niet meer kan verhalen op de Stichting.

4.20. [gedaagde sub 2] heeft niet betwist dat hij - door het plaatsen van zijn handtekening op de betalingsopdrachten - zijn medewerking heeft verleend aan de overboeking van de door [eiseres] bedoelde bedragen en evenmin dat van het door de curator destijds overgeboekte bedrag thans niets meer aanwezig is. Hij heeft zich in dit kader beroepen op overmacht en daartoe aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van de door [gedaagde sub 1] gedane toezegging en dat hij op het moment waarop hij daarvan wel op de hoogte raakte, geen betalingen meer ten laste van de betreffende gelden op de derdengeldenrekening heeft verricht. Voorts heeft hij, aldus [gedaagde sub 2], pas toestemming voor de betalingen gegeven na controle van de onderliggende bescheiden en derhalve gehandeld als een zorgvuldig bestuurder. Daarnaast voert [gedaagde sub 2] aan dat hij toestemming voor de betreffende betalingen altijd heeft verleend op basis van een opdracht daartoe van de vennoten, voor wie de Stichting de gelden hield. Ten slotte betwist [gedaagde sub 2] dat de verklaring die hij in het kader van het gelegde derdenbeslag namens de Stichting heeft gedaan, inhoudende dat er geen rechtsverhouding tussen [eiseres] en de commanditaire vennootschap bestond, onjuist is.

4.21. De rechtbank stelt voorop dat op [gedaagde sub 2] als bestuurder van de Stichting de taak rustte om te zorgen dat het beheer en het betalen van gelden van de derdengeldenrekening van de Stichting op een juiste wijze plaatsvond. Dit brengt mee dat [gedaagde sub 2] voorafgaande aan het geven van toestemming voor betalingsopdrachten diende te controleren of deze gelden toekwamen aan de beoogde ontvanger en voorts of het aanwezige saldo op de derdengeldenrekening, rekening houdende met bestaande aanspraken daarop, de overmaking daarvan kon rechtvaardigen. Dit betekent dat indien [gedaagde sub 2] wist dan wel behoorde te weten van de reservering die [gedaagde sub 1] aan [eiseres] had toegezegd, aan [gedaagde sub 2] een ernstig verwijt valt te maken ten aanzien van het geven van toestemming voor betalingen ten laste van de derdengeldenrekening (althans het deel van de derdengeldenrekening dat van de curator was ontvangen voor het voldoen van vorderingen van crediteuren van de vennootschap en haar vennoten) zonder dat een bedrag zou resteren ter hoogte van de reservering ten behoeve van [eiseres]. Uit het feit dat [gedaagde sub 2] niet betwist dat van het totale door de curator naar de derdengeldenrekening overgemaakte gelden thans niets meer resteert om aan de reservering ten behoeve van [eiseres] te voldoen, blijkt dat [gedaagde sub 2] met die reservering geen rekening heeft gehouden.

4.22. Het komt derhalve neer op het antwoord op de vraag of [gedaagde sub 2] wist dan wel behoorde te weten dat [gedaagde sub 1] aan [eiseres] een reservering op de derdengeldenrekening had toegezegd (tot een bedrag van EUR 78.880,87). [gedaagde sub 2] heeft die wetenschap in zijn conclusie van antwoord ontkend. Die wetenschap kan naar het oordeel van de rechtbank evenwel in het midden blijven. [gedaagde sub 2] had in zijn hoedanigheid van bestuurder op de hoogte moeten zijn dan wel had zich op de hoogte moeten stellen van de herkomst en de bestemming van het door de curator op de derdengeldenrekening gestorte bedrag van

EUR 530.000,-- en van de afspraken die [gedaagde sub 1] in dat kader maakte. Hij kan zich er derhalve niet achter verschuilen dat hij pas achteraf door [gedaagde sub 1] op de hoogte is gesteld van de toezegging die [gedaagde sub 1] jegens [eiseres] had gedaan.

4.23. Het voorgaande betekent dat er in het kader van deze procedure van moet worden uitgegaan dat [gedaagde sub 2] had behoren te weten dat [gedaagde sub 1] een toezegging voor reservering van een bepaald bedrag op de derdengeldenrekening ten behoeve van [eiseres] had gedaan. Door desondanks toestemming te geven voor betalingen ten laste van het gestorte bedrag zonder rekening te houden met deze reservering, heeft [gedaagde sub 2] als bestuurder onzorgvuldig gehandeld en kan hem ter zake dit handelen een ernstig verwijt worden gemaakt. Dit betekent dat [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, zodat hij gehouden is de dientengevolge door [eiseres] geleden schade te vergoeden. De omvang van deze schadevergoeding dient te worden vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de huidige situatie met de situatie die er zou zijn geweest indien [gedaagde sub 2] wel met de toegezegde reservering voor [eiseres] rekening had gehouden. In dat geval zou [eiseres] in totaal een bedrag van maximaal EUR 78.880,87 van de derdengeldenrekening hebben ontvangen, zodat dat bedrag (verminderd met de onder 4.14 bedoelde betaling), derhalve tot een bedrag van EUR 43.503,97, als schadevergoeding toewijsbaar is.

4.24. De overige ten aanzien van [gedaagde sub 2] aangevoerde grondslagen kunnen zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet leiden tot toewijzing van een hoger bedrag dan in het voorgaande toewijsbaar is geoordeeld, zodat de rechtbank de gegrondheid van die grondslagen in het midden laat.

Onbehoorlijk bestuur [gedaagde sub 3]

4.25. Voor zover de vordering jegens [gedaagde sub 3] is gegrond op artikel 2:9 BW, geldt daarvoor hetzelfde als onder 4.16 is overwogen.

Onrechtmatige daad [gedaagde sub 3]

4.26. De rechtbank begrijpt dat het verwijt van [eiseres] aan [gedaagde sub 3] ziet op hetzelfde verwijt als aan [gedaagde sub 2], namelijk diens medewerking aan het geven van toestemming voor betalingsopdrachten ten laste van de derdengeldenrekening zonder met de reservering ten behoeve van [eiseres] rekening te houden. Voor het aannemen van een ernstig verwijt van [gedaagde sub 3] ten aanzien van diens handelen als bestuurder van de Stichting moet, zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen, vaststaan dat [gedaagde sub 3] wist dan wel behoorde te weten dat door [gedaagde sub 1] een toezegging aan [eiseres] was gedaan terzake van de reservering van een deel van de gelden op de derdengeldenrekening. Ook hier geldt dat op [gedaagde sub 3] als bestuurder van de Stichting mede de taak rustte om zich op de hoogte te stellen van de herkomst en de bestemming van het gestorte bedrag van EUR 530.000,-- en van de afspraken die [gedaagde sub 1] in dat kader maakte, zodat ook hem terzake een ernstig verwijt valt te maken. Ook [gedaagde sub 3] kan zich er derhalve niet achter verschuilen dat [gedaagde sub 1] hem geen mededeling heeft gedaan van de toezegging aan [eiseres]. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering ook ten aanzien van [gedaagde sub 3] toewijsbaar is tot een bedrag van EUR 43.503,97.

4.27. Ten aanzien van de overige door [eiseres] voor zijn vordering jegens [gedaagde sub 3] aangevoerde grondslagen geldt - mutatis mutandis - hetzelfde als onder 4.24 is overwogen.

De wettelijke rente

4.28. [eiseres] heeft de wettelijke rente over de hoofdsom gevorderd vanaf 21 augustus 2008. Nu [gedaagden] de vordering op dit punt niet heeft weersproken, zal deze worden toegewezen als gevorderd.

De vordering tot betaling van kosten voor zover ingesteld tegen [gedaagde sub 1]

4.29. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vordering tot betaling van een bedrag van EUR 14.666,45 aangevoerd dat zij door ‘het gemanipuleer’ van [gedaagde sub 1] kosten heeft moeten maken in de vorm van (zo begrijpt rechtbank uit productie 21 van [eiseres]):

- het sturen van diverse brieven aan [gedaagde sub 1] waarin deze aansprakelijk werd gesteld voor het niet in acht nemen van de toegezegde reservering,

- het sturen van correspondentie over de klacht aan de deken met betrekking tot [gedaagde sub 1],

- het sturen van verdere correspondentie,

- het voorbereiden van het verweer in de door [gedaagde sub 1] namens één van de vennoten van de vennootschap aangespannen kort gedingprocedure tot schorsing van het vonnis van 30 september 2009, dat door [gedaagde sub 1] niet is doorgezet,

- het leggen van een derdenbeslag ten laste van de Stichting,

- het voeren van een bodemprocedure tegen de Stichting wegens het afleggen van een onjuiste verklaring als derde-beslagene,

- het voeren van een bodemprocedure tegen de vennoten van de vennootschap ter verkrijging van een verklaring voor recht dat de vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen die voortvloeien uit het tegen de vennootschap gewezen vonnis van 30 september 2009,

- diverse deurwaarderskosten.

4.30. [gedaagde sub 1] heeft zich tegen deze vordering verweerd met de stelling dat deze kosten niet aan zijn handelwijze zijn toe te schrijven, maar uitsluitend aan beroepsfouten van de raadsman van [eiseres], nu deze heeft verzuimd in de dagvaarding die heeft geleid tot het vonnis van 30 september 2009, ook de vennoten mee te dagvaarden, waardoor een probleem met de executie van het vonnis ontstond. Het gelegde executoriale beslag onder de Stichting betrof voorts de commanditaire vennootschap, die geen rechtsverhouding heeft gehad met de Stichting, waardoor dit beslag geen doel heeft getroffen. Ten slotte is aan de voorwaarden waaronder tot uitbetaling onder de reservering zou worden overgegaan, niet voldaan, zodat de vordering van [eiseres] op dit punt voor afwijzing gereed ligt.

4.31. De rechtbank stelt vast dat de vordering van [eiseres] op dit punt neerkomt op een vergoeding van de volledige kosten die [eiseres] heeft moeten maken in andere procedures dan de onderhavige, alsmede dat daarvoor de raadsman aansprakelijk wordt gesteld van de partij die de betreffende procedures heeft gevoerd. Voor een dergelijke aansprakelijkheid is slechts in uitzonderlijke omstandigheden plaats.

4.32. De rechtbank begrijpt dat [eiseres] met ‘het gemanipuleer’ van (onder meer) [gedaagde sub 1] doelt op de omstandigheid dat [gedaagde sub 1] telkens wisselende standpunten heeft ingenomen ten aanzien van de vraag waarom niet tot uitkering van het gereserveerde bedrag kon worden overgegaan. Die enkele omstandigheid is op zichzelf onvoldoende om aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] voor de gemaakte kosten te rechtvaardigen. Dat wordt evenwel anders indien deze wisselende stellingname niet zou hebben plaatsgevonden ter behartiging van enkel de belangen van zijn cliënten maar ter verhulling van zijn eigen onrechtmatig handelen. Daarvan is in het onderhavige geval sprake.

4.33. Op 30 september 2009 is het vonnis gewezen waarbij de vennootschap is veroordeeld om aan [eiseres] haar vordering te voldoen. Vervolgens heeft [eiseres] nakoming door [gedaagde sub 1] gevorderd van de toezegging tot betaling van het voor hem gereserveerde bedrag. In zijn fax van 9 oktober 2009 (productie 6 van [eiseres]) heeft [gedaagde sub 1] in reactie daarop het standpunt ingenomen dat niet tot betaling van het gereserveerde bedrag kon worden overgegaan, omdat van een schikking of een onherroepelijke uitspraak geen sprake was. Dit, terwijl [gedaagde sub 1] op dat moment wist dat er geen reservering had plaatsgevonden en er geen gelden meer op de derdengeldenrekening aanwezig waren om (uiteindelijk) het verschuldigde aan [eiseres] te betalen. Die wetenschap blijkt uit het door [eiseres] als productie 9 overgelegde e-mailbericht van 8 oktober 2009 aan één van de vennoten waarin het volgende is opgenomen:

“(…) I have big probems with Jaarsma [raadsman [eiseres]; toevoeging rechtbank] inzake [eiseres].

Jaarsma already contacted de Deken. So personally, I am in big troube because there is no money on the derdengeldenrekening to pay [eiseres]. I am very pissed that I am in trouble because there is no money. (…)”

Nadat het vonnis van 30 september 2009 onherroepelijk was geworden, is [gedaagde sub 1] zich op het standpunt gaan stellen dat de voorwaarden waaronder tot betaling zou worden overgegaan, niet waren vervuld, omdat de toezegging niet ten behoeve van de vennootschap zou zijn gedaan en vervolgens dat de vennootschap niet meer zou bestaan althans haar activa zou hebben overgedragen.

4.34. Met het afwijzen door [gedaagde sub 1] van betaling van het gereserveerde bedrag op steeds wisselende (en, gezien het oordeel van de rechtbank, onhoudbare) standpunten heeft [gedaagde sub 1] niet (louter) het belang van zijn cliënten (de vennootschap/de vennoten) gediend, maar (mede) zijn eigen belang, namelijk om te verhullen dat hij ten onrechte geen zorg had gedragen voor reservering van het betreffende bedrag voor [eiseres]. Door [eiseres] in de waan te laten dat de voor haar gereserveerde gelden nog steeds op de derdengeldenrekening stonden en vervolgens allerlei wisselende, onhoudbare standpunten in te nemen om niet tot betaling te hoeven overgaan, ter verhulling van het feit dat hij de toegezegde reservering niet had gehandhaafd, heeft [gedaagde sub 1] [eiseres] nodeloos op kosten gejaagd en daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld. Immers, indien [eiseres] op dat moment (8 oktober 2009) reeds van het ontbreken van gelden op de derdengeldenrekening op de hoogte was geweest, had zij zich de diverse hiervoor genoemde kosten kunnen besparen. Zij had alsdan geen reden gehad om een klacht bij de deken in te dienen, beslag ten laste van de Stichting te leggen, de daaruit voortvloeide bodemprocedure te voeren, alsmede om de vennoten te dagvaarden teneinde hun aansprakelijkheid zeker te stellen. In dat geval had [eiseres] kunnen volstaan met het instellen van de onderhavige procedure. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert zijn, gezien het voorgaande, niet toe te schrijven aan beroepsfouten van de raadsman van [eiseres], maar aan de handelwijze van [gedaagde sub 1].

De vordering tot betaling van kosten voor zover ingesteld tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]

4.35. [eiseres] heeft onvoldoende onderbouwd op basis van welke door [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] gepleegde feiten deze gedaagden aansprakelijk zijn voor de kosten die [eiseres] buiten de onderhavige procedure heeft gemaakt, zodat de vordering voor zover deze tegen deze gedaagden is ingesteld, niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Beslagkosten

4.36. [eiseres] vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv ten aanzien van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toewijsbaar. Het betaalde vast recht voor de beslagrekesten is met het verschuldigde vast recht in de hoofdzaak verrekend, zodat dat als onderdeel van de proceskosten wordt toegewezen. De beslagkosten worden begroot op EUR 1.087,15 voor verschotten en EUR 1.421,00 voor salaris advocaat (1 rekest x EUR 1.421,00). Omdat het beslagverzoek bij één verzoekschrift had kunnen en moeten worden gedaan, worden de salariskosten voor de overige beslagrekesten als nodeloos gemaakt aangemerkt, zodat daarvoor geen extra punten salaris worden toegekend.

Proceskosten

4.37. [gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 73,89

- vast recht 2.565,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 5.480,89

4.38. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet mede kunnen wijzen, omdat hij inmiddels werkzaam is in een andere sector van deze rechtbank.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 43.503,97 (drieënveertig duizendvijfhonderddrie euro en zevenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 augustus 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 14.666,45 (veertienduizend zeshonderdzesenzestig euro en vijfenveertig eurocent) aan gemaakte kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 maart 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op EUR 2.508,15,

5.4. veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 5.480,89,

5.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens, mr. Y. Sneevliet en mr. L.A.C. de Vaan, bijgestaan door mr. W.A. Visser als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2011.?