Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR0199

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
04-07-2011
Zaaknummer
285883 / HA ZA 10-995
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

non-concurrentie- en realitebeding overeengekomen. Uitleg van die afspraak. Concurreren en benadering van relaties is op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken toegestaan en niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 285883 / HA ZA 10-995

Vonnis van 15 juni 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.J.G. Maas te Eindhoven,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMBA HOLDING B.V.,

gevestigd te Markelo,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DINNERWARE & CO B.V.,

gevestigd te Laren,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

advocaat mr. M.A.J. Vreeburg te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres], [gedaagde sub 1], AMBA Holding en Dinnerware & Co worden genoemd. Gedaagden gezamenlijk zullen worden aangeduid als [gedaagde sub 1] c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 juli 2010

- de conclusie van antwoord in reconventie (met producties)

- het proces-verbaal van comparitie van 21 december 2010

- de akte wijziging/vermeerdering van eis van [eiseres]

- de akte betreffende reactie op eiswijziging van [gedaagde sub 1] c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is een onderneming die zich onder meer richt op de ontwikkeling en distributie van diverse (promotionele) artikelen op het gebied van serviezen, textiel, accessoires en meubelen. De enig (indirect) aandeelhouder en bestuurder van [eiseres] is de heer [A] (verder: [A]).

2.2. Medio 1998 hebben [A] en [gedaagde sub 1] elkaar ontmoet. [gedaagde sub 1] was toen eigenaar en bestuurder van Brands & Barters B.V. (verder: “Brands & Barters”). Na deze eerste ontmoeting zijn [A][eiseres] en Brands & Barters intensief gaan samenwerken. In het kader van die samenwerking richtte Brands & Barters zich voornamelijk op (1) het verwerven van licenties op de Home & Living markt, welke licenties op naam van [eiseres] werden gesteld, en (2) op het vervolgens (onder de noemer van die licenties) ontwikkelen van productlijnen en de daarbij behorende artikelen. Eén van die productenlijnen waarvoor een licentie is verkregen en die door Brand & Barters verder is ontwikkeld betreft de Blond Amsterdam productlijn, bestaande onder meer uit aardewerk, textiel, badkameraccessoires en sieraden die alle voorzien zijn van vrolijke, felle en bonte kleuren in opvallende dessins. De exploitatie van deze gezamenlijke activiteiten vond plaats vanuit [eiseres] Tussen partijen werd ieder jaar afgerekend op basis van de door hen (gezamenlijk) behaalde omzet met de distributie/de verkoop van de (licentie)producten.

2.3. In oktober 2007 is een einde gekomen aan de samenwerking tussen [eiseres] en Brands & Barters B.V., maar om fiscale redenen is de samenwerking officieel per 1 januari 2008 geëindigd. Met het oog op deze beëindiging van de samenwerking heeft [gedaagde sub 1] op 2 november 2007 per e-mail aan [eiseres] een voorstel gedaan voor een brief aan alle relaties van hen met onder meer de navolgende inhoud:

“Na een intensieve samenwerking van meer dan 9 jaar is in overleg besloten dat [A] en [gedaagde sub 1] ieder hun eigen koers gaan varen naar de toekomst toe. (…)

[gedaagde sub 1] is bezig haar plannen vorm te geven en invulling te geven aan haar nieuwe bedrijfsactiviteiten.”

Op 7 november 2007 is vanuit [eiseres] het volgende (gewijzigde) voorstel voor de brief aan de relaties gedaan:

“Na een intensieve samenwerking van meer dan 9 jaar is in goed overleg besloten dat [A] en [gedaagde sub 1] ieder hun eigen koers gaan varen naar de toekomst toe.

Om haar creatieve inzet en passie voor conceptontwikkeling nog meer te kunnen gebruiken zal [gedaagde sub 1] zich dan ook terugtrekken uit het management en de operationele taken van [A]. (…)

[gedaagde sub 1] is bezig haar plannen vorm te geven en invulling te geven aan haar nieuwe bedrijfsactiviteiten.”

2.4. Verder zijn tussen partijen - in het kader van de beëindiging van hun samenwerking - ontvlechtingsafspraken gemaakt. Deze afspraken zijn onder meer neergelegd in (1) een brief van 22 oktober 2007 van de adviseur van [gedaagde sub 1], de heer [B] (verder: “[B]”), aan [A], (2) een overeenkomst van 6 november 2008 en (3) een brief van [A] van 20 november 2008 aan de broer van [gedaagde sub 1]. In de brief van 22 oktober 2007 is onder meer het volgende geschreven:

“ (…) De activa behorende bij Brands & Barters B.V. zullen per 1/1/2008 worden overgedragen aan [eiseres] (…) Het personeel van Brands & Barters B.V., behoudens [gedaagde sub 1] zelf, zullen van rechtswege per 1/1/2008 overgaan naar [eiseres]

Middels overdracht van de onvoorwaardelijke bankgarantie c.q. de betalingen, de activa en de overdracht van het personeel zal de samenwerking tussen [eiseres] en Brands & Barters B.V. worden beëindigd. In concreto betekent dit dat [gedaagde sub 1] geen werkzaamheden vanaf heden meer zal verrichten voor [eiseres] en dat het haar vrij staat een eigen weg in te slaan. (…)”

In de overeenkomst van 6 november 2008, waarin Brands & Barters wordt aangeduid als “B&B”en [eiseres] als [A], is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

1. de activa, passiva en bedrijfsactiviteiten van B&B (…) zijn geleverd per 1 januari 2008 (“overdrachtsdatum”);

2. de koopprijs bedraagt EUR 1.000.000,00 (…);

(…)

9. Bij B&B waren op de Overdrachtsdatum 13 medewerkers in dienst (…). De arbeidsovereenkomsten, inclusief de daarbij behorende pensioenrechten, met alle medewerkers zoals opgenomen in bijlage 2, zijn van rechtswege overgegaan op [A]. [gedaagde sub 1] maakt geen aanspraak op overgang naar [A], is niet gebonden aan enig non-concurrentie- of relatiebeding en heeft daarbij op geen enkele wijze enige verplichting tot nakoming jegens [A];

(…)

13. Deze overeenkomst tezamen met de brief van 27 oktober jl. en het akkoord van [A] per memo van 6 november jl. terzake van de verrekening 2007, is een volledige weergave van alle eerdere tussen partijen gemaakte mondelinge en schriftelijke afspraken, welke hiervan een geïntegreerd onderdeel uitmaken. Enige afspraken die niet zijn verwoord in deze overeenkomst of de brief van 27 oktober jl. met akoord van 6 november jl. zijn hiermee komen te vervallen.

2.5. [gedaagde sub 1] is na de beëindiging van de samenwerking blijven werken vanuit Brands & Barters, in eerste instantie als adviseur voor opdrachtgevers in de Home & Living markt. De handelsnaam van Brands & Barters is dan inmiddels veranderd in Amba B.V. (verder: “Amba”). Op een bepaald moment is [gedaagde sub 1] (samen met haar zus) begonnen met de ontwikkeling van het merk Little Diva. Onder dit merk worden onder meer bed- en badtextiel en serviesgoed op de markt gebracht. Ten behoeve van de productie en distributie van het serviesgoed heeft [gedaagde sub 1] Dinnerware & Co opgericht.

2.6. Op 30 maart 2010 heeft de raadsman van [eiseres] onder meer het volgende aan AMBA Holding B.V. geschreven:

“Tot mij wendde zich [eiseres] (…) in verband met het navolgende.

Recentelijk is cliënte gebleken dat U op stelselmatige wijze nagenoeg alle klanten (waaronder V&D, Bijenkorf, Marskramer, Trendhopper, Nijhof en ook kleinere afnemers) en overige relaties, waaronder leveranciers, exclusieve agenten, personeel, freelancers, en andere business partners, benaderd en bewerkt. U maakt daarbij gebruik van de kennis en contacten die u heeft opgedaan tijdens uw samenwerking met cliënte. Daarmee handelt u onrechtmatig jegens cliënte en zij lijdt daardoor zeer aanzienlijk schade.

Bovendien hebben cliënte en u op 6 november 2008 een overeenkomst getekend waarmee de mondelinge afspraken tussen partijen met betrekking tot de overdracht van de activa en passiva van Brands &Barters zijn vastgelegd. Uit hoofde van deze overeenkomst heeft cliënte u het aanzienlijke badrag van EUR 1.000.000 betaald hetgeen voor het overgrote deel uit goodwillvergoeding bestond (EUR 1.000.000 – 14.225 = 985.775,-). Cliënte heeft dit bedrag voor de door u overgedragen goodwill betaald met het oog op de winstpotentie voor de toekomst.

Door uw concurrerende activiteiten, waarbij u niet schroomt om stelselmatig de klanten en relaties van cliënte te benaderen, heeft u de goodwill die samenhangt met de inspanningen die door Brands & Barters en [A] zijn gedaan om met name het merk Blond Amsterdam tot een succes te maken op zeer ernstige wijze geschaad. U treedt immers met het uitrollen en commercialiseren van het Little Diva-concept in directe concurrentie met de onderneming waar u tegen ruime betaling afstand van heeft gedaan. Deze handelswijze is regelrecht in strijd met de afspraken van partijen die op 6 november 2008 zijn vastgelegd. Bovendien handelt u daardoor onrechtmatig jegens [A].

Nu de nakoming van uw verplichting om u te onthouden van concurrentie blijvend onmogelijk is geworden, ontbind ik namens cliënte hierbij van rechtswege en met onmiddellijke ingang de overeenkomst tussen partijen die op 6 november 2008 schriftelijk is vastgelegd.

In het kader van de uit de ontbinding voortvloeiende ongedaanmakingsverbintenissen sommeer ik u om binnen twee dagen na heden het bedrag van EUR 1.000.000,- over te maken (…).”

Aan deze sommatie heeft [gedaagde sub 1] niet voldaan.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert - na wijziging van eis en uitvoerbaar bij voorraad -:

Primair:

1. te verklaren voor recht dat de op 6 november 2008 door partijen getekende overeenkomst met betrekking tot de overdracht van de activa en passiva van Brands & Barters door Amba Holding aan [A] is ontbonden;

2. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te veroordelen tot het onmiddellijk na het wijzen van dit vonnis terugbetalen van de door [A] aan [gedaagde sub 1] c.s. betaalde koopsom van EUR 1.000.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, een en nader vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

3. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te gebieden om zich onmiddellijk na het wijzen van dit vonnis voor de duur van vijf jaar te onthouden van het direct of indirect benaderen en bewerken van leveranciers, partners, freelancers en de klanten van [A], zulks op straffe van een dwangsom van EUR 100.000,00 per overtreding dan wel voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij in gebreke blijven aan het gebod te voldoen;

Subsidiair

4. te verklaren voor recht dat [gedaagde sub 1] c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens [A] op de wijze zoals in de dagvaarding uiteen is gezet in concurrentie te treden met de onderneming die zij aan [A] hebben overgedragen;

5. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijke, althans gezamenlijk, te veroordelen tot vergoeding van de door [A] geleden en nog te lijden schade, op te maken bij Staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, een en nader vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

6. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te veroordelen, tot het onmiddellijk na het wijzen van dit vonnis aan [A] te betalen van een bedrag groot EUR 300.000,00 ten titel van algemeen voorschot op de door [A] wegens het onrechtmatige handelen zijdens [gedaagde sub 1] c.s. geleden en nog te lijden schade en gemaakte kosten;

Primair en subsidiair

7. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te veroordelen tot een bedrag van EUR 4.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten ex artikel 6:96 lid 2 sub c BW, een en nader conform het rapport Voorwerk II, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW, althans artikel 6:119 BW, een en ander vanaf de dag van de dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

8. [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk, althans gezamenlijk, te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te berekenen vanaf 14 dagen na dit vonnis.

3.2. [gedaagde sub 1] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde sub 1] c.s. vordert - uitvoerbaar bij voorraad -:

1. veroordeling van [eiseres] tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van [gedaagde sub 1] c.s. in conventie, welke kosten in iedere stand van het geding door de advocate van [gedaagde sub 1] c.s., Mr. M.A.J. Vreeburg, kunnen worden opgegeven;

2. veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijk rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.5. [eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Stellingen van [eiseres]

4.1. [eiseres] grondt haar onder 3.1. omschreven vorderingen op de volgende feiten en omstandigheden en daarop gebaseerde stellingen. Tussen partijen is op 6 november 2008 een overeenkomst gesloten, waarbij de activa en passiva van Brands & Barters zijn verkocht aan [eiseres] De koopprijs van EUR 1.000.000,00 had men name betrekking op een vergoeding voor de goodwill die samenhangt met de door Brands & Barters en [eiseres] verrichte inspanningen om (onder meer) het merk Blond Amsterdam tot een succes te maken. Snel na de overdracht is [gedaagde sub 1] c.s. met [eiseres] concurrerende werkzaamheden gaan ontplooien. Zo heeft zij Dinnerware & Co opgericht. Deze (nieuwe) onderneming verricht precies dezelfde bedrijfsactiviteiten als [eiseres] (de handel in aardewerk en porselein). Verder staat vast dat de productlijn Little Diva, die door [gedaagde sub 1] c.s. is ontwikkeld, opvallend veel overeenkomsten vertoont (qua look en feel) met de productlijn van Blond Amsterdam, die in het verleden is groot gemaakt door Brands & Barters en [eiseres] gezamenlijk. Deze gelijkenis is niet toevallig, omdat [gedaagde sub 1] c.s. bij het (doen) ontwerpen van de Little Diva-producten gebruik heeft gemaakt van de belangrijkste freelancer van [eiseres], die in het verleden ook bij de ontwikkeling van de productlijn Blond Amsterdam betrokken is geweest. Ook de verkoop van de Little Diva-producten gebeurd op dezelfde wijze als de producten van Blond Amsterdam, namelijk binnen een zogenaamd shop-in-shop concept. Deze shop-in-shops worden in opdracht van [gedaagde sub 1] c.s. gebouwd door [bedrijf 4], te weten een onderneming waar [eiseres] al een langjarige relatie mee onderhoudt.

4.2. Verder - zo stelt [eiseres] - heeft [gedaagde sub 1] c.s. inmiddels ook een verkoopmedewerkster van [eiseres] benaderd, die vervolgens naar Amba is overgestapt. Daarnaast benadert [gedaagde sub 1] c.s. stelselmatig klanten van [eiseres], zoals V&D, de Bijenkorf, Douwe Egberts, Trendhopper en Marskramer. Ten slotte maakt [gedaagde sub 1] c.s. bij de uitvoering van haar bedrijfsactiviteiten gebruik van dezelfde producent van producten (Grand Slam China Co. Ltd.) en dezelfde vervoerder (Dutch Freight Services) als waarmee [eiseres] al jaren zaken doet. Gegeven al deze omstandigheden staat vast dat [gedaagde sub 1] c.s. rechtstreeks met [eiseres] concurreert en daarbij gebruik maakt van de contacten die zij in het verleden - ten tijde van de samenwerking met [eiseres] - heeft opgedaan. Met het oog hierop en gegeven het feit dat de destijds betaalde kooprijs voor de activa van EUR 1.000.000,00 met name ziet op goodwill, is de conclusie dat [gedaagde sub 1] c.s. door aldus te handelen tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst van 6 november 2008. Deze overeenkomst is daarom terecht ontbonden met als gevolg dat [gedaagde sub 1] c.s. het bedrag van EUR 1.000.000,00 dient (terug) te betalen. Mocht de beschreven handelwijze van [gedaagde sub 1] c.s. geen wanprestatie opleveren, dan heeft [gedaagde sub 1] c.s. in ieder geval onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld met de verplichting de als gevolg daarvan geleden schade te vergoeden.

Stellingen van [gedaagde sub 1] c.s.

4.3. [gedaagde sub 1] c.s. heeft zich tegen de hiervoor omschreven stellingen van [eiseres] als volgt verweerd. De koopprijs van EUR 1.000.000,00 is niet te bestempelen als een goodwillvergoeding. Deze koopsom had namelijk met name betrekking op een vergoeding voor het aandeel in de licenties, die voor 50% aan Brands & Barters toebehoorde. Dit wordt door [A] zelf ook bevestigd in een voorstel van hem uit oktober 2007, waarin hij schrijft: “Tot de activa die wordt overgedragen behoort met name het aandeel in de huidige licenties.” Verder blijkt uit een door [bedrijf 5] in 2007 uitgevoerd onderzoek dat de opgebouwde waarde van de samenwerking toen tussen de EUR 6 miljoen en EUR 11 miljoen bedroeg, afhankelijk van de berekeningswijze. In het licht van deze waardebepaling en gegeven het feit dat [eiseres] niet meer wenste te betalen dan EUR 1 miljoen, heeft [gedaagde sub 1] geweigerd om zich aan enigerlei concurrentie- of relatiebeding te verbinden, terwijl [eiseres] daar wel om vroeg. Deze weigering had succes, omdat partijen uiteindelijk expliciet zijn overeengekomen dat met betrekking tot [gedaagde sub 1] geen concurrentie- of relatiebeding gold. Dit is ook met zoveel woorden in artikel 9 van de overeenkomst van 6 november 2008 terecht gekomen en de strekking daarvan wordt bevestigd door de inhoud van de conceptbrieven aan de relaties, die door partijen zijn uitgewisseld (zie 2.3.). Het stond [gedaagde sub 1] dus volledig vrij om na de beëindiging van de samenwerking met [eiseres] concurrerende bedrijfsactiviteiten te ontplooien. Van een tekortschieten en/of onrechtmatig handelen aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. is dan ook geen sprake.

4.4. Overigens - zo stelt [gedaagde sub 1] c.s. - kan van haar activiteiten niet worden gezegd dat deze een voortzetting zijn van de activiteiten van Brands & Barters. Bij het Little Diva concept is Amba namelijk bedenker, merkgerechtigde en licentiegever. Ten tijde van de samenwerking waren [eiseres]/Brands & Barters slechts licentienemer met het recht om bepaalde merkproducten te mogen produceren en verkopen. Daarnaast geldt dat in de branche - anders dan door [eiseres] wordt gesteld - niet wordt ervaren dat de Little Diva-lijn opmerkelijk veel overeenkomsten vertoont met de producten van Blond Amsterdam. Verder is het Little Diva concept slechts te beschouwen als een aanvulling op vele andere - al bestaande - concepten op de Home & Living markt, die door de aanbieders van die producten bovendien naast elkaar aan het publiek worden aangeboden. Dat daarbij gebruik wordt gemaakt van het shop-in-shop concept is niet vreemd. Deze wijze van presenteren van producten bestaat namelijk al 20 jaar en is erg populair. Ook is het niet verwijtbaar dat [gedaagde sub 1] c.s., althans haar opdrachtgevers, dezelfde klanten bediend als [eiseres] Binnen de Home & Living markt zijn er namelijk maar een paar partijen en daar komt men met een goed concept al snel terecht. Die klanten zijn natuurlijk niet exclusief van [eiseres] Evenmin heeft [gedaagde sub 1] c.s. het netwerk van [eiseres] misbruikt. Dutch Freight Services is een vervoerder en daar is niets bijzonders aan. Door de inschakeling van dat bedrijf lijdt [eiseres] geen schade. Met Grand Slam China Co. Ltd. doet [gedaagde sub 1] c.s. geen zaken. Zij heeft enkel een licentienemer van haar naar die producent doorverwezen. De door [eiseres] genoemde verkoopmedewerkster, die door [gedaagde sub 1] c.s. zou zijn overgenomen, betreft een freelancer die nooit bij [eiseres] in dienst is geweest. Bovendien werkt zij ook voor concurrenten van [eiseres], zodat [gedaagde sub 1] c.s. niet inziet waarom zij haar niet heeft mogen inschakelen.

4.5. Verder stelt [gedaagde sub 1] c.s. dat de ontwikkeling van het Little Diva concept pas in 2009 is aangevangen, na daartoe benaderd te zijn door de onderneming “Beddinghouse”. In augustus 2010, derhalve bijna drie jaar nadat de samenwerking met [eiseres] feitelijk was beëindigd, is de uiteindelijke verkoop van Little Diva producten begonnen. De Europese commissie heeft bepaald dat een concurrentieverbod na overdracht van een onderneming aangaande goodwill maximaal twee jaar mag duren. Met andere woorden: mocht aangenomen worden dat het [gedaagde sub 1] c.s. - ondanks artikel 9 van de overeenkomst - toch niet vrij stond om [eiseres] te beconcurreren, dan had dit verbod tot uiterlijk oktober 2009 geduurd, welke termijn [gedaagde sub 1] c.s. in acht heeft genomen. Dit een en ander leidt ook tot de conclusie dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgwezen.

Strekking non-concurrentie en relatiebeding

4.6. Voor de beoordeling van de hiervoor omschreven stellingen van partijen dient eerst te worden vastgesteld wat de strekking is van het hetgeen tussen partijen (schriftelijk) is overeengekomen. Voor de beantwoording van de vraag hoe een schriftelijk contract, waarin de verhouding van partijen is geregeld, moet worden uitgelegd komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de op schrift gestelde afspraken hebben toegekend en hieraan redelijkerwijs mochten toekennen alsmede op hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, LJN: AG4158). Het gaat dus om de tekst en de (verdere) context, waarin alle omstandigheden van het concrete geval vóór en ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van belang zijn (en waarop latere omstandigheden nog hun licht kunnen werpen).

4.7. Partijen zijn in artikel 9 van de overeenkomst van 6 november 2008 overeengekomen dat “[gedaagde sub 1] geen aanspraak maakt op overgang naar [A], niet is gebonden aan enig non-concurrentie- of relatiebeding en daarbij op geen enkele wijze enige verplichting tot nakoming jegens [A] heeft.”. [A] legt deze afspraak aldus uit dat het uitsluitend [gedaagde sub 1] in persoon vrij stond als werknemer in dezelfde creatieve branche actief te blijven. Deze beperkte uitleg van het overeengekomen non-concurrentie- of relatiebeding volgt de rechtbank niet en daartoe is het volgende redengevend. Vast staat dat [gedaagde sub 1] haar (creatieve) werkzaamheden gedurende een lange periode heeft verricht vanuit Brands & Barters, haar eigen onderneming, en dat zij ook vanuit die onderneming met [eiseres] heeft samengewerkt. Daarnaast wist [A] dat deze onderneming - na de beëindiging van de samenwerking - van [gedaagde sub 1] zou blijven. Uit artikel 1 van de overeenkomst volgt immers dat niet de aandelen in Brands & Barters zijn overgedragen, maar dat van een activa / passiva-transactie sprake is geweest. Met het oog op deze omstandigheden lag het in de lijn der verwachting, althans kon zeker niet worden uitgesloten, dat [gedaagde sub 1] na de beëindiging van de samenwerking met [eiseres] wederom (binnen haar eigen onderneming) bedrijfsactiviteiten zou ontwikkelen. Dat ook [A] met die mogelijkheid rekening hield, blijkt uit de namens hem op 7 november 2007 aan [gedaagde sub 1] toegezonden e-mail, waarin een voorstel wordt gedaan voor een brief aan de relaties van [eiseres] (zie 2.3.). Daarin schrijft hij namelijk: “[gedaagde sub 1] is bezig haar plannen vorm te geven en invulling te geven aan haar nieuwe bedrijfsactiviteiten.” Nu hieruit volgt dat het voor iedereen duidelijk was, althans had moeten zijn, dat [gedaagde sub 1] als ondernemer actief zou blijven, moet de inhoud van artikel 9 van de overeenkomst ook in dit licht te worden bezien en uitgelegd. Dit brengt mee dat partijen over en weer aan het bepaalde in artikel 9 de betekenis hebben moeten toekennen dat het [gedaagde sub 1] vrij stond, ook binnen haar eigen onderneming, om [eiseres] concurrentie aan te doen en reeds bestaande relaties te benaderen. De duidelijke tekst van artikel 9 geeft geen aanleiding tot een andere uitleg.

4.8. De door [eiseres] in haar dagvaarding aangehaalde jurisprudentie, waaronder het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 1997 (LJN: ZC2410), leidt niet tot een andere conclusie. In die zaak was er namelijk sprake van een situatie waarin partijen niets over “concurrentie” hadden afgesproken. Dan kan volgens de Hoge Raad niet worden aangenomen dat de verkoper een vrijbrief heeft om zijn wederpartij (de koper) concurrentie aan te doen. Zoals hiervoor is overwogen, hebben [A] en [gedaagde sub 1] - anders dan in de zaak die is beoordeeld door de Hoge Raad - juist wel een expliciete afspraak gemaakt over concurreren, namelijk dat dit mag. Ook in het geval aangenomen zou worden dat de koopprijs van EUR 1 miljoen hoofdzakelijk betrekking heeft op betaling van goodwill, hetgeen [eiseres] stelt en [gedaagde sub 1] c.s. betwist, brengt dat geen verandering in de uit artikel 9 van de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen. Feit blijft immers dat partijen - ondanks deze omstandigheid - hebben afgesproken dat [gedaagde sub 1] met [eiseres] mag concurreren en bestaande relaties mag bedienen. Daar komt bij dat de waarde van de samenwerking tussen [eiseres] en Brands & Barters, afhankelijk van de berekeningsmethode die wordt toegepast, in een rapport van 1 oktober 2007 door [bedrijf 5] wordt begroot in de range van EUR 6 miljoen tot EUR 11 miljoen. Deze waardebepaling is niet gemotiveerd door [eiseres] weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan uitgaat. Dit betekent dat [eiseres] voor een bedrag van EUR 1 miljoen het aandeel van Brands & Barters in de samenwerking heeft gekocht, terwijl de waarde van dat aandeel volgens het rapport van [bedrijf 5] tenminste EUR 3 miljoen bedroeg (50% van 6 miljoen). Met het oog hierop is het belang gegeven dat [gedaagde sub 1] had bij het mogen blijven werken op de markt waarop zij al jaren actief was en is de daarop gerichte afspraak in artikel 9 van de overeenkomst niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid te achten.

4.9. Met betrekking tot de uitleg van artikel 9 van de overeenkomst en de bedoeling die partijen daarbij hadden, heeft [A] ter comparitie nog verklaard dat [gedaagde sub 1] en later haar broer hebben gezegd dat [gedaagde sub 1] niet in dezelfde branche werkzaamheden zou gaan ontplooien. Deze door [A] ter comparitie ingenomen stelling, die overigens gemotiveerd door [gedaagde sub 1] is betwist, staat haaks op hetgeen partijen schriftelijk zijn overeengekomen. In de overeenkomst is immers expliciet opgenomen dat [gedaagde sub 1] wel in dezelfde branche actief mag blijven, in die zin dat ze [eiseres] concurrentie mag aandoen en zelfs dezelfde relaties mag benaderen en dat zij daarbij op geen enkele wijze enige verplichting tot nakoming jegens [A] heeft (zie tekst artikel 9). Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is deze strijdigheid tussen een gestelde mondelinge toezegging en hetgeen uiteindelijk op papier terecht is gekomen niet te verklaren. Reeds daarom gaat de rechtbank aan de verklaring van [A] ter comparitie voorbij. De schriftelijk verklaring van Cindy Scheper, die door [eiseres] als productie 20 is overgelegd, maakt dit niet anders. Zij verklaart weliswaar dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen was dat [gedaagde sub 1] een concurrerend concept in de markt zou gaan zetten en dat dit door [gedaagde sub 1] en haar adviseurs ook is bevestigd, maar wanneer en onder welke omstandigheden deze gestelde afspraak precies zou zijn gemaakt, blijkt niet uit haar verklaring. Mocht - ondanks het vorenstaande - worden aangenomen dat [A] en (de adviseurs van) [gedaagde sub 1] tijdens de onderhandelingen een afspraak hebben gemaakt over het niet mogen concurreren door [gedaagde sub 1], dan hebben partijen die afspraak later kennelijk gewijzigd. In de uiteindelijke overeenkomst is immers het tegenovergestelde afgesproken (artikel 13, geciteerd in 2.4.).

4.10. Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat [gedaagde sub 1] c.s. niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseres] Als gevolg hiervan is de overeenkomst zonder rechtsgrond door [eiseres] ontbonden, zodat [gedaagde sub 1] c.s. geen verplichting heeft de koopprijs van EUR 1.000.000,00 (terug) te betalen. De onder 3.1. sub 1, 2 en 3 omschreven vorderingen worden daarom afgewezen.

Onrechtmatig handelen?

4.11. Nu de conclusie is dat [gedaagde sub 1] door de voortzetting van haar bedrijfsactiviteiten na de beëindiging van de samenwerking met [eiseres] niet tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst, moet de vraag worden beantwoord of [gedaagde sub 1] door haar handelwijze (wel) onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld (de subsidiaire grondslag van de vorderingen). Ook deze vraag wordt ontkennend beantwoord. Indien namelijk als uitgangspunt wordt genomen dat (1) [gedaagde sub 1] met haar bedrijfsactiviteiten rechtstreeks in concurrentie met [eiseres] is getreden, hetgeen [gedaagde sub 1] overigens gemotiveerd betwist, en (2) [gedaagde sub 1] met verschillende relaties van [eiseres] samenwerkt, dan handelt zij binnen het kader van de tussen partijen in artikel 9 van de overeenkomst gemaakte afspraken. Dat is niet onrechtmatig. Dat [gedaagde sub 1] daarbij profiteert van de kennis en contacten opgedaan ten tijde van de samenwerking met [eiseres], maakt deze conclusie niet anders.

4.12. In de dagvaarding heeft [eiseres] ter onderbouwing van haar subsidiaire grondslag nog gesteld dat de handelwijze van [gedaagde sub 1] erop is gericht om de klanten van [eiseres] hun contractuele relaties met laatstgenoemde te (doen) beëindigen. Deze stelling, die gemotiveerd door [gedaagde sub 1] is betwist, heeft [eiseres] niet nader onderbouwd. Zo blijkt nergens uit dat een of meer klanten als gevolg van de handelwijze van [gedaagde sub 1] niet meer bij [eiseres] bestellingen plaatsen. Kennelijk hebben de concepten van [eiseres] (Blond Amsterdam) en [gedaagde sub 1] (Little Diva) op de markt naast elkaar een bestaansrecht, zoals ook door [gedaagde sub 1] is gesteld. [eiseres] door de nieuwe bedrijfsactiviteiten van [gedaagde sub 1] (in de toekomst) mogelijk minder verkoopt, maakt de handelwijze van [gedaagde sub 1] niet onrechtmatig, doordat [gedaagde sub 1] op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken bevoegd is met [eiseres] te concurreren. Dit alles betekent dat ook de subsidiaire grondslag de vorderingen niet kunnen dragen, zodat de onder 3.1. sub 4 tot en met 8 omschreven vorderingen worden afgewezen.

Proceskosten

4.13. Nu gelet op het vorenstaande de conclusie is dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen, zal [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op:

- griffierecht EUR 4.951,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief EUR 3.211,00)

Totaal EUR 11.373,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

4.14. De nakosten en de wettelijke rente daarover, waarvan [gedaagde sub 1] c.s. betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot/toegewezen.

in reconventie

4.15. Aan de vordering in reconventie legt [gedaagde sub 1] de volgende stellingen ten grondslag. [eiseres] wist al geruime tijd voor het uitbrengen van de dagvaarding dat [gedaagde sub 1] het Little Diva concept aan het ontwikkelen was. In plaats van het ondernemen van actie (kort geding) is [eiseres] welbewust stil blijven zitten. Pas op het moment dat grote investeringen in het Little Diva concept waren gedaan, slaat [eiseres] toe, echter (wederom) niet door middel van een kort geding maar door het starten van een bodemprocedure, opdat [gedaagde sub 1] nog lange tijd in onzekerheid zal verkeren over de uitkomst van het geschil. [eiseres] gedraagt zich aldus in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarnaast maakt [eiseres] misbruik van zijn principale bevoegdheid om een procedure tegen [gedaagde sub 1] te starten. De aantijgingen in de procedure zijn namelijk evident en aantoonbaar ongegrond. Hierdoor is [eiseres] gehouden de daadwerkelijk door [gedaagde sub 1] gemaakte proceskosten te vergoeden.

4.16. Met betrekking tot deze stellingen van [eiseres] wordt vooropgesteld dat in Nederland eenieder het recht heeft een procedure tegen een wederpartij te starten. Dit uitgangspunt brengt mee dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden geoordeeld kan worden dat misbruik wordt gemaakt van dit recht en/of dat onrechtmatig wordt gehandeld door een procedure te starten. Van deze uitzonderlijke situatie kan sprake zijn als de ingestelde vordering(en) op voorhand als volstrekt kansloos moeten worden aangemerkt. Van die situatie is in het onderhavige geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verder geldt dat het iedere partij in beginsel vrijstaat om voor het soort procedure te kiezen (kort geding of bodem) dat hem het beste lijkt. Dit is mogelijk alleen anders als (1) het voor de eiser niet uitmaakt welke procedure hij volgt en (2) hij bewust voor de procedure kiest die het meeste schade aan zijn wederpartij teweeg brengt. Van beide omstandigheden is geen sprake. [eiseres] heeft namelijk gemotiveerd gesteld dat hij voldoende belangen had bij het kiezen voor een (latere) bodemprocedure, bijvoorbeeld om aldus zoveel mogelijk bewijzen tegen [gedaagde sub 1] te verzamelen. Daarnaast is niet gebleken dat [gedaagde sub 1] door die keuze (meer) schade heeft geleden dan in de situatie dat een kort geding procedure zou zijn gevolgd noch dat [eiseres] bewust erop heeft aangestuurd [gedaagde sub 1] zoveel mogelijk schade toe te brengen. De in reconventie ingestelde vordering wordt daarom afgewezen.

4.17. [gedaagde sub 1] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 904,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.

4.18. De nakosten, waarvan [eiseres] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. tot op heden begroot op EUR 11.373,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

5.3. veroordeelt [eiseres], indien niet binnen 14 dagen vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

- te vermeerderen, indien de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling,

5.4. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling (5.2. en 5.3.) uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.5. wijst de vorderingen af,

5.6. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op EUR 904,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

5.7. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s., indien niet binnen 14 dagen vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat,

- te vermeerderen, indien de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.8. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling (5.6. en 5.7.) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, mr. R.J. Verschoof en mr. L.A.C. de Vaan en in het openbaar uitgesproken op 15 juni 2011.?