Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR0013

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
01-07-2011
Zaaknummer
290732 / HA ZA 10-1680
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

zaaknummer / rolnummer: 290732 / HA ZA 10-1680

Vonnis van 29 juni 2011

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. A. de Snoo te Amsterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. L.W.B. Devillers te Den Haag.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagde c.s.]. (enkelvoud) genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

1.1. het tussenvonnis van 25 augustus 2010, waarbij de zaak is verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 5 november 2010.

1.2. Ter zitting van 5 november 2010 van de meervoudige kamer van deze rechtbank heeft [gedaagde c.s.]. een akte overlegging producties (12 tot en met 30) genomen. De rechtbank heeft ter zitting bepaald dat productie 12 buiten beschouwing wordt gelaten nu dat stuk is te beschouwen als een nadere conclusie en [gedaagde c.s.]. niet is toegelaten tot het nemen van een dergelijke nadere conclusie.

1.3. Partijen hebben voorts ter zitting van 5 november 2010 hun standpunten toegelicht aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.

1.4. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Voor de feiten, waarvan de rechtbank bij de beoordeling uitgaat, verwijst de rechtbank naar hetgeen onder: “2. De overwegingen” in het tussenvonnis van

25 augustus 2010 is vastgesteld. Dit kopje dient te worden gelezen als: “2. De Feiten”.

2.2. In aanvulling op de genoemde feiten stelt de rechtbank voorts het volgende vast.

Bij beschikking van 21 juli 2010 (290261/HA RK 10-280) zijn door deze rechtbank op verzoek van de gemeente deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. De opneming door de deskundigen van de ligging en de gesteldheid van de perceelsgedeelten waarop de onderhavige onteigening betrekking heeft, als bedoeld in artikel 54a Onteigeningswet (hierna: Ow), heeft plaatsgevonden op 29 september 2010. Van de plaatsopneming is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Blijkens de daarvan opgemaakte akte (nummer 2010/179) zijn de bescheiden als bedoeld in artikel 23 jo. 54h Ow tijdig ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd.

3. De verdere beoordeling

3.1. Naar aanleiding van het door [gedaagde c.s.]. gevoerde verweer tegen de vordering van de gemeente om de vervroegde onteigening uit te spreken, heeft de rechtbank partijen bij voormeld tussenvonnis in de gelegenheid gesteld hun standpunten ter zitting nader toe te lichten.

3.2. [gedaagde c.s.]. stelt zich op het standpunt dat de Kroon in redelijkheid niet tot goedkeuring van het onteigeningsbesluit respectievelijk tot aanwijzing van de te onteigenen zaak heeft kunnen komen. [gedaagde c.s.]. legt daaraan het volgende ten grondslag.

1) Het bestemmingsplan dat aan de onteigening ten grondslag ligt is nog niet onherroepelijk, omdat de Raad van State het goedkeuringsbesluit op 20 februari 2008 gedeeltelijk heeft vernietigd. De gemeente dient in dat geval ingevolge artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) een nieuw bestemmingsplan vast te stellen en moet voldoen aan de ingevolge artikel 31 WRO geldende publicatieverplichtingen. Aan die vereisten is niet voldaan. Aan het onteigeningsbesluit hadden derhalve opschortende en ontbindende voorwaarden moeten zijn verbonden, die ontbreken. De Kroon is ten onrechte aan dit verweer voorbij gegaan.

2) De gemeente heeft niet voldaan aan artikel 79 Ow door niet inzichtelijk te maken voor welk werk het perceel van [gedaagde c.s.]. wordt onteigend. Een inrichtingsplan of tekening ontbreekt. Het bestemmingsplan is dermate vaag dat zowel groen als maatschappelijke voorzieningen, woningbouw, horeca en voorzieningen met betrekking tot verkeer en parkeren gerealiseerd kunnen worden op de te onteigenen percelen. De gemeente gaat telkens voorbij aan het verzoek van [gedaagde c.s.]. toe te lichten welke uitvoering haar voor ogen staat. Dit alles heeft ook gevolgen voor [gedaagde c.s.]. indien zij in de toekomst een beroep wenst te doen op artikel 61 Ow. Bovendien is er sprake van strijd met de Onteigeningswet nu de omvang van het te onteigenen perceel niet duidelijk is. De gemeente spreekt immers steeds van “circa” 6.109 m2 en tijdens de descente op 29 september 2010 ontbraken nog piketpaaltjes en was onduidelijk of de bestemming “water” aan de zuidzijde van het perceel van [gedaagde c.s.]. in de onteigening betrokken was.

3) De huidige inrichting van het te onteigenen perceel is reeds conform de bestemming en de daarvoor geldende voorschriften van het bestemmingsplan, dit geldt in ieder geval voor fase I van het bestemmingsplan.

4) Er is geen noodzaak tot onteigening. De zone “parkmuur” heeft ter hoogte van het perceel van [gedaagde c.s.]. een niet benodigde breedte van 100 meter, zodat ook zonder het te onteigenen perceelsgedeelte van [gedaagde c.s.]. voldoende ruimte voor de aanleg van die muur resteert. De Kroon heeft voorts ten onrechte voor de noodzaak van onteigening van belang geacht dat de op het perceel van [gedaagde c.s.]. aangelegde groenvoorziening niet openbaar is, omdat dit “openbaar” zijn geen vereiste is op grond van het bestemmingsplan. De Kroon heeft ten onrechte onteigening noodzakelijk geoordeeld omdat een weg op het perceel van [gedaagde c.s.]. mogelijk is. Nu voorts niet duidelijk is wat er gerealiseerd gaat worden op grond van het bestemmingsplan, kan geen noodzaak voor de onteigening worden vastgesteld. Artikel 22 van de voorschriften “algemene wijzigingsbevoegdheid” maakt het vrij eenvoudig om wijzigingen te realiseren, zoals op te richten muurwoningen in de (zone) Parkmuur. De gemeente is tot slot kennelijk voornemens om in een later stadium (fase II) nieuwe (aanvullende) beslissingen te nemen omtrent de invulling van het te onteigenen gebied zodat de onteigening thans prematuur is en de uitschakeling van artikel 61 Ow tot gevolg heeft.

5) De gemeente heeft niet aan haar onderhandelingsplicht voldaan en kan om die reden niet in haar vordering worden ontvangen. Niet duidelijk is hoe het aanbod in geld is opgebouwd en welk bedrag daarvan aan wie van de beide eigenaren toekomt. Alleen eigenaar [A] heeft het aanbod van de gemeente van 26 oktober 2007, dat toen nog zag op verwerving van een groter perceel, verworpen. De Kroon is er ten onrechte van uit gegaan dat [A] alleen bereid was de volledige eigendom te verkopen. Het finaal aanbod van 6 mei 2010 is alleen door [A] ontvangen, mede eigenaar [B] heeft nimmer een (finaal) aanbod ontvangen.

6) [gedaagde c.s.]. is bereid tot zelfrealisatie over te gaan zodra de gemeente kenbaar heeft gemaakt welk werk in welke vorm op het te onteigenen perceel definitief gewenst is. Het bestemmingsplan sluit zelfrealisatie niet uit.

7) Er is sprake geweest van een onzorgvuldige behandeling van de procedure omdat de gemeente categorisch heeft geweigerd vragen van [gedaagde c.s.]. te beantwoorden en niet of slechts zeer summier is ingegaan op de door [gedaagde c.s.]. naar voren gebrachte stellingen/vragen in het kader van de ingediende zienswijzen en bedenkingen. De gemeente heeft voorts ten onrechte een vervallen voorkeursrecht op het perceel gehandhaafd.

[gedaagde c.s.]. heeft tot slot aangevoerd dat het bij dagvaarding door de gemeente aangeboden bedrag aan schadeloosstelling haar schade niet dekt en dat zij dit aanbod verwerpt.

3.3. De gemeente heeft de bezwaren van [gedaagde c.s.]. gemotiveerd van de hand gewezen en heeft geconcludeerd dat haar vorderingen kunnen worden toegewezen.

3.4. De rechtbank zal eerst oordelen over het verweer van [gedaagde c.s.]. dat de gemeente niet kan worden ontvangen in haar vorderingen op de grond dat de gemeente niet heeft voldaan aan het voorschrift van artikel 17 Ow.

3.5. Artikel 17 Ow schrijft de onteigenende partij gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij dient die partij niet te werk te gaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is, in welk geval immers te kort zou worden gedaan aan de strekking van het artikel dat is gericht op het zo mogelijk vermijden van een rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 Ow dat de bedoelde pogingen tot minnelijke verwerving moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening (in deze zaak: 8 juni 2009) en het uitbrengen van de dagvaarding (in deze zaak: 9 juli 2010). Hierbij verdient opmerking dat tekst, geschiedenis noch voormelde strekking van artikel 17 Ow zich ertegen verzet dat bij het antwoord op de vraag of de onteigenende partij aan het voorschrift van artikel 17 Ow heeft voldaan, mede acht wordt geslagen op hetgeen met betrekking tot de verkrijging in der minne zich voorafgaand aan het definitief worden van het besluit tot onteigening tussen partijen heeft afgespeeld en op het daaruit blijkende standpunt van de eigenaar. Immers, uit dat een en ander kan blijken dat hetgeen na het definitief worden van het besluit tot onteigening door de onteigenende partij is ondernomen heeft te gelden als een poging die beantwoordt aan voormelde strekking van artikel 17 Ow en niet louter als een ingevolge de wet te vervullen formaliteit.

3.5.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de gemeente bij brief van 6 mei 2010 een finaal aanbod aan in ieder geval [A] heeft gedaan. Uit het standpunt van [A] volgt dat dit aanbod haar heeft bereikt. Dat de brief onjuist geadresseerd zou zijn, zoals [gedaagde c.s.]. heeft aangevoerd, is dan verder niet relevant. Ook in de dit geding inleidende dagvaarding is het aanbod aan [gedaagde c.s.]. (wederom) gedaan.

3.5.2. Door [gedaagde c.s.]. is niet (gemotiveerd) gesteld dat dit aanbod niet serieus is te nemen. [gedaagde c.s.]. voert slechts aan dat onduidelijk is hoe het aanbod in geld is opgebouwd, welk bedrag aan wie van de twee eigenaren toekomt en dat de gemeente ondanks verzoeken daartoe aan haar niet inzichtelijk heeft gemaakt voor welk werk onteigend zal worden en hoe de kaders van de verwerving en de biedingen gesteld zijn.

De rechtbank stelt vast dat de gemeente aan [gedaagde c.s.]. een aanbod heeft gedaan tot verwerving van 0.61.09 ha van het aan [gedaagde c.s.]. in eigendom toebehorende perceel kadastraal bekend gemeente Vleuten sectie [sectie] tegen betaling van € 275.000,- met een aanvullende schadevergoeding in natura (brief van 6 mei 2010, prod. 27 bij akte van [gedaagde c.s.].). Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [gedaagde c.s.]. op dit aanbod alleen kan reageren na een nadere toelichting van de gemeente over de opbouw van het aangeboden bedrag, over het werk waarvoor onteigend wordt en over de “kaders van de verwerving en de biedingen”. Het ontbreken van een dergelijke toelichting kan dan ook niet tot de conclusie leiden dat de gemeente geen serieuze pogingen heeft ondernomen om het perceel minnelijk te verwerven. Het staat de gemeente voorts vrij om in het kader van het minnelijk overleg aan de beide eigenaars van het perceel een totaalbedrag aan te bieden, niet uitgesplitst naar bedrag per eigenaar.

3.5.3. De rechtbank concludeert dat er geen grond is om aan te nemen dat voormeld bod van de gemeente van dien aard is dat moet worden aangenomen dat de gemeente in de periode tussen het definitief worden van het onteigeningsbesluit en het uitbrengen van de dagvaarding te werk is gegaan als ware het voorschrift van artikel 17 een vrijwel te verwaarlozen formaliteit. Daarbij betrekt de rechtbank de vaststelling in het Koninklijk Besluit van 14 mei 2009 tot goedkeuring van het onteigeningsbesluit (hierna kortheidshalve aangeduid als het goedkeurings-KB), dat de gemeente vanaf 2004 telefonisch dan wel schriftelijk heeft getracht de grond van [gedaagde c.s.]. te verwerven en dat de gemeente op 26 oktober 2007 een bod heeft uitgebracht dat, zoals [gedaagde c.s.]. in dit geding heeft erkend, op 19 december 2007 door [gedaagde c.s.]. is verworpen.

3.5.4. Aldus resteert het verweer van [gedaagde c.s.]. dat de gemeente alleen aan [A] en nimmer aan [B] een aanbod tot minnelijke verwerving van het perceel heeft gedaan. Dit verweer treft evenmin doel. Blijkens de door [gedaagde c.s.]. overgelegde brief van 6 mei 2010 heeft de advocaat van de gemeente [gedaagde c.s.]. aangeschreven middels een gelijkluidende brief waarop zowel [A] als [B] als geadresseerden zijn vermeld maar waarbij hun beider adressen blijken te zijn verwisseld. [A] heeft op die brief gereageerd bij brief van 11 mei 2010 (overgelegd als prod. 7 bij conclusie van antwoord), waarin zij aangeeft:

“Op 7 mei 2010 heeft mijn broer [gedaagde sub 1] van u op zijn adres een schrijven “Finaal Aanbod” mogen ontvangen dat aan mij was gericht (feitelijk met een foutief adres) U verzoekt (…)”

[B] bestrijdt slechts dat hij zelf een (finaal) aanbod op zijn woonadres heeft ontvangen, hij bestrijdt niet dat dit aanbod hem anderszins heeft bereikt. Nu de betreffende brief zowel [A]. als [B] als geadresseerden noemt en de brief aan [A] kennelijk op het adres van [B] is bezorgd en door [B] is doorgeleid aan zijn zus [A] had het op de weg van [B] gelegen gemotiveerd te stellen dat het aanbod van de gemeente hem niet ter kennis is gekomen (bijvoorbeeld omdat hij de enveloppe niet heeft geopend en ongezien aan zijn zus heeft ter hand gesteld en dat zijn zus hem vervolgens niet van de inhoud van die brief in kennis heeft gesteld). De enkele stelling dat aan [B] geen aanbod op zijn woonadres is gedaan is dan ook onvoldoende. Voor zover [B] heeft willen aanvoeren dat hem ook voorafgaand aan het finaal aanbod geen aanbod is gedaan, wordt dat verweer eveneens als onvoldoende onderbouwd verworpen. De in het goedkeurings-KB genoemde brief van de gemeente waarmee de gemeente op 26 oktober 2007 een aanbod tot minnelijke verwerving deed is immers geadresseerd aan zowel [B] als [A] “ter attentie van de heer [C]”. In de door [gedaagde c.s.]. bij de Kroon ingebrachte “bedenkingen” is een heer [C] genoemd als vertegenwoordiger van zowel [B] als [A] in 2007 (prod.13, blz. 20). Zonder toelichting, die ontbreekt, moet het er dus voor worden gehouden dat voormeld aanbod van de gemeente uit 2007 is gedaan aan [C] in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van zowel [B]. als [A] en daarmee aan [gedaagde c.s.].. In de namens [gedaagde c.s.]. ingebrachte bedenkingen is overigens naar aanleiding van een aanbod van de gemeente van november 2007 opgemerkt: “Een antwoord op dit bod volgde van ondergetekenden op 19 december 2007”, waaruit volgt dat het betreffende bod niet alleen (ook) [B] had bereikt maar tevens dat hij op dit bod heeft gereageerd. Het thans door [B] betrokken standpunt staat daar haaks op en wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen.

3.6. De conclusie is dat de rechtbank geen beletsel ziet om de gemeente in haar vorderingen te ontvangen.

3.7. Bij de beoordeling van de vorderingen en de verweren daartegen stelt de rechtbank voorop dat de door de wetgever aan de onteigeningsrechter opgedragen taak strikt is afgebakend ten opzichte van die van het bestuur. De onteigeningsrechter heeft in beginsel slechts de vraag te beantwoorden of de onteigenende partij bij het nemen van het onteigeningsbesluit – dan wel de Kroon bij de goedkeuring daarvan, zoals in het onderhavige geval – in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Daarbij dient de rechtbank alleen acht te slaan op feiten die tijdig naar voren zijn gebracht in de procedure die aan het onderhavige geding vooraf is gegaan. De rechtbank toetst derhalve de rechtmatigheid van het (goedkeurings)besluit, zulks op grondslag van de tegen de onteigening gerichte bezwaren welke reeds in de aan het onteigeningsgeding voorafgaande procedure bij het bestuur naar voren zijn gebracht. Dit uitgangspunt leidt slechts uitzondering voor het geval er sprake is van bezwaren die zozeer aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg staan dat niet wordt toegekomen aan een toetsing van de aan het onteigeningsbesluit ten grondslag liggende belangenafweging. De door [gedaagde c.s.]. tegen de onteigening gevoerde verweren zullen telkens met inachtneming van dit toetsingskader worden gewogen.

3.8. Het verweer van [gedaagde c.s.]. dat de Kroon ten onrechte is voorbij gegaan aan het vereiste dat aan het onteigeningsbesluit opschortende en ontbindende voorwaarden moeten zijn verbonden omdat het bestemmingsplan dat aan de onteigening ten grondslag ligt nog niet onherroepelijk is, wordt verworpen.

De beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2008 houdt slechts de gedeeltelijke vernietiging in van het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 16 januari 2007, namelijk voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan een tweetal in die beslissing genoemde en, naar de rechtbank thans vaststelt, voor de bestemming van het perceel van [gedaagde c.s.]. niet relevante plandelen. De Afdeling heeft zelf in de zaak voorzien door uitsluitend met betrekking tot die plandelen de goedkeuring te onthouden onder bepaling dat de uitspraak van de Afdeling in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 16 januari 2007. [gedaagde c.s.]. voert terecht aan dat dit leidt tot een verplichting tot vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad overeenkomstig het bepaalde in artikel 30 lid 1 WRO, maar [gedaagde c.s.]. gaat er ten onrechte van uit dat dit betekent dat het bestemmingsplan opnieuw in zijn geheel moet worden vastgesteld. Blijkens artikel 30 lid 1 WRO geldt de verplichting tot vaststelling van een nieuw plan immers slechts voor zover goedkeuring is onthouden. De Kroon heeft terecht geoordeeld dat het bestemmingsplan voor zover dat voor de onteigening relevant is, onherroepelijk is geworden. De uitspraak van deze rechtbank, sector bestuursrecht, waaraan [gedaagde c.s.]. heeft gerefereerd geeft geen reden voor een ander oordeel.

3.9. [gedaagde c.s.]. heeft voorts aangevoerd dat in strijd met de Onteigeningswet geen duidelijkheid bestaat over de omvang van het te onteigenen perceel. In het bijzonder is dit bezwaar gebaseerd op het door de gemeente steeds vermelden van de omschrijving “circa” 6.109 m2 , op het tijdens de descente op 29 september 2010 ontbreken van piketpaaltjes en op de onduidelijkheid omtrent de vraag of de bestemming “water” aan de zuidzijde van het perceel van [gedaagde c.s.]. in de onteigening betrokken is.

3.9.1. De rechtbank oordeelt dat van een onduidelijkheid over de omvang van het perceel geen sprake is. Weliswaar wordt in de ambtelijke toelichting ten behoeve van de raadsvergadering van 26 juni 2008 gesproken over “ca 6109 m2” maar in de bijlage “Blad VI” bij die toelichting is daarvan geen sprake terwijl ook in het goedkeurings-KB de aanduiding “circa” niet langer voorkomt. De rechtbank ziet geen grond voor enige twijfel omtrent de omvang van het te onteigenen perceel, zowel gelet op het vervallen van de aanduiding “circa” als gelet op de als bijlage III bij de voorbereiding van het onteigeningsbesluit overgelegde grondplantekening waarop de beoogde gevolgen van de onteigening voor het perceel van [gedaagde c.s.]. met grondplannummer 21 zichtbaar zijn gemaakt. Ten aanzien van de door [gedaagde c.s.]. gesignaleerde onduidelijkheid over de bestemming “water” is in het goedkeurings-KB geoordeeld dat de grens van het perceel langs de oever van de sloot loopt en dat er derhalve niet wordt onteigend ten behoeve van de bestemming “water”. Dat dit oordeel rechtens onjuist is, is onvoldoende gemotiveerd gesteld.

3.10. [gedaagde c.s.]. is voorts van mening dat de gemeente niet inzichtelijk heeft gemaakt voor welk werk het perceel van [gedaagde c.s.]. wordt onteigend.

3.10.1. De rechtbank stelt vast dat de gemeente aan haar vorderingen ten grondslag heeft gelegd dat de onteigening noodzakelijk is voor de realisatie van het bestemmingsplan “Leidsche Rijn Park” zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 29 juni 2006. Dit plan is goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 16 januari 2007, welke goedkeuring slechts gedeeltelijk is vernietigd bij beslissing van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 februari 2008. Deze vernietiging heeft geen betrekking op de bestemming van het perceel van [gedaagde c.s.]. waarvan de gemeente thans de onteigening vordert.

3.10.2. Als doel van het bestemmingsplan is in de toelichting daarbij onder 1.1 vermeld de ontwikkeling van een park ten behoeve van de nieuwbouwlocatie Leidsche Rijn. In de toelichting is aangegeven dat de hoofdstructuur van dit park bestaat uit de volgende elementen:

- het Jac. P. Thijsselint (…) Dit lint is een doorlopende brede zone die het gehele park omringt. De zone bestaat uit een verhard pad met aan weerszijden groene weides en een zoveel mogelijk doorlopende bomenrand

- de sportparken (…)

- De Binnenhof als een centraal in het Leidsche Rijn Park gelegen groengebied (…)

- De Parkmuur als omheining van de Binnenhof

- De Vikingrijn, ofwel de herstelde loop van de Oude Rijn

Als planning is onder 1.5 van dit plan genoemd een realisatie in twee fasen. In fase 1 (tot en met 2009) wordt het Jac. P. Thijsselint gerealiseerd en wordt onder meer gestart met de aanleg van de Binnenhof. In de tweede fase (vanaf 2010) volgt onder meer de afronding van de Binnenhof en uitvoering van de Parkmuur.

3.10.3. Tussen partijen is niet in geschil dat het perceelsgedeelte, waarvan de gemeente de onteigening verlangt, blijkens de bestemmingsplankaart deels valt onder de bestemming “GP” (groenvoorziening, Parklint) en deels onder de bestemming “GS”(groenvoorziening, stadspark) en dat bij die laatste bestemming een belangrijk deel is bestemd als “zone parkmuur”.

Ten aanzien van de bestemming “GP” is onder 6.3 van de artikelsgewijze toelichting op artikel 5 van hoofdstuk III van het bestemmingsplan het volgende opgemerkt:

“De gronden (…) zijn bestemd voor de ontwikkeling en instandhouding van een groen lint rond het park., het Jac.P.Thijsselint. Ook hier is het recreatief gebruik van belang. Binnen de bestemming is de aanleg van fietspaden-, voet- en voetpadenruiterpaden en watergangen mogelijk. De gewenste aanleg van een ‘rondje’ park is daarmee mogelijk (…)”

Ten aanzien van de bestemming “GS” is onder 6.3 van de artikelsgewijze toelichting op artikel 4 van hoofdstuk III van het bestemmingsplan het volgende opgemerkt:

“De gronden (…) zijn bestemd voor de ontwikkeling van een park met recreatief gebruik en met ecologische waarden, Met het oog op het recreatief medegebruik is een horecagelegenheid ondersteunend aan dit medegebruik mogelijk gemaakt. Deze bestemming is gegeven aan de Binnenhof. (…) Bouwmogelijkheden voor een aantal voorzieningen is mogelijk gemaakt via een wijzigingsbevoegdheid. In onder andere deze bestemming wordt ook de parkmuur mogelijk gemaakt. (…)”

Ten aanzien van de economische uitvoerbaarheid is in het plan onder 7. opgemerkt dat fase 1 volledig is gedekt en dat voor fase 2 dekking moet worden gevonden uit bijvoorbeeld subsidies en sponsoring.

Over het Jac.P. Thijsselint is in de toelichting op pagina 33 van het bestemmingsplan nog opgemerkt:

“Het Jac.P.Thijsselint is een weide van gemiddeld circa 30 meter breed, met aan weerszijden een zoom van circa 15 meter bos. Het lint omringt het gehele park. De weides zijn grotendeels vrij van obstakels, De bijna 12 kilometer lange route biedt de gebruikers wisselende perspectieven op sportvelden, tuinen (…). Op het lint kan worden gespeeld, gesport, gewandeld en van de zon worden genoten. In het midden ligt een verhard pad, de zogenoemde track. In veel gevallen bevindt de geplande boszone langs de grasweide zich op particulier of uitgeefbaar terrein. Het streven is deze particulieren er toe te bewegen deze bomenzone te beplanten in samenwerking met de gemeente. Waar dit niet lukt, zal ter plaatse worden bekeken of volstaan wordt met een onderbroken boszone of dat de bomen in de graslandzone van het Lint komen. (…) Op veel plekken is het Lint het enige gegarandeerde openbare terrein. (…)”

Over de Parkmuur is in de toelichting op pagina 35 van het bestemmingsplan nog opgemerkt:

“De Binnenhof wordt in de toekomst omringd door een speciaal vormgegeven Parkmuur. (…) De Parkmuur is niet alleen afscheiding en markering, maar biedt ook mogelijkheden voor ecologie en het ontstaan van nieuwe biotopen. (…) De Parkmuur is een attractie op zich. De enkele kilometers lange afscheiding heeft verschillende vormen en hoogtes. Ook de materiaaltoepassing varieert: grove steenblokken, schanskorven, gestapeld platte stenen, metselwerk en dergelijke (…). De Parkmuur kan een waardevolle bijdrage leveren aan de de natuurwaarden van het park. (…) Er zijn drie natuurtypen onderscheiden die op diverse plaatsen kunnen worden toegepast: de zuid-georiënteerde Parkmuur, de Parkmuur gevuld met kalkhoudende grond en de Parkmuur met gaten in de buitenkant en met de voeten in het water(…)”

3.11. De rechtbank deelt niet de visie van [gedaagde c.s.]. dat het bestemmingsplan dermate vaag is dat zowel groen als maatschappelijke voorzieningen, woningbouw, horeca en voorzieningen met betrekking tot verkeer en parkeren gerealiseerd kunnen worden op het te onteigenen perceel.

3.11.1. Het deel van dat perceel dat de bestemming “GP” heeft, is blijkens het bestemmingsplan (zoals dit hiervoor is geciteerd) bedoeld om te worden ingericht als onderdeel van het “Jac.P. Thijsselint” dat als een ring rond het park wordt aangelegd en waarop recreatief gebruik in de vorm van wandelen en andere recreatieve activiteiten mogelijk wordt gemaakt. Bouwen is niet mogelijk (gezien artikel 5 lid 2 bouwvoorschriften). Er is uitsluitend openbaar recreatief gebruik voorzien. Dit is voldoende concreet om de gestelde noodzaak voor onteigening aan te nemen.

3.11.2. Het te onteigenen perceelsgedeelte met de bestemming “GS” is blijkens de bestemmingsplankaart grotendeels gelegen binnen de zone bedoeld om te worden ingericht als “Parkmuur”. De omschrijving van de Parkmuur in het bestemmingsplan, zoals hiervoor weergegeven, is eveneens voldoende concreet. In de voorschriften is bepaald dat bouwwerken die geen gebouwen zijn, als bruggen en speelwerktuigen, mogen worden gerealiseerd en dat via de in de voorschriften opgenomen wijzigingsbevoegdheid bepaalde met name genoemde bouwwerken onder voorwaarden kunnen worden gerealiseerd.

3.11.3. Het overige met de bestemming “GS” aangemerkte perceelsgedeelte valt niet binnen de zone “Parkmuur”. In dat gedeelte zal derhalve geen Parkmuur worden gerealiseerd. Bovendien blijft het mogelijk, mede gelet op de ter zitting van de gemeente verkregen toelichting, dat de Parkmuur binnen de daarvoor bedachte zone elders - en wel buiten het te onteigenen perceelsgedeelte - wordt aangelegd. Voor die gevallen geldt dat dit perceelsgedeelte valt onder de algemene bestemming “GS”, zoals die voor de Binnenhof is vastgesteld. Over dat plandeel is op pagina 34 van het bestemmingsplan opgemerkt dat het de bedoeling is een park te ontwikkelen met een waardigheid, ouderdom en rijkdom vergelijkbaar met het Vondelpark in Amsterdam. Daarbij is omschreven dat op de bestaande wegen in dit gebied doorgaand autoverkeer zal worden geweerd en dat bestaande woonbebouwing zal worden gehandhaafd of incidenteel getransformeerd in parkgerelateerde functies zoals theetuinen, galeries, eetcafés of mooie parkvilla’s. Het gebied wordt beschreven als een eigentijdse buitenplaats waar sprake is van loofbos en statige lanen en waar levendigheid wordt bereikt middels horecavoorzieningen, kanoverhuur en andere recreatieve voorzieningen. In de planvoorschriften is bepaald dat in het gebied maximaal 4 parkeerterreinen met maximaal 50 parkeerplaatsen mogen worden gerealiseerd en bouwwerken die geen gebouwen zijn. Via de aan Burgemeester en Wethouders toegekende wijzigingsbevoegdheid is wel voorzien in de mogelijkheid van het realiseren van een gebouw voor een museum-, een openluchttheater- en een kanoverhuurfaciliteit alsmede voor een bezoekerscentrum en drie gebouwen voor een horeca-activiteit. Binnen de bestemming is sprake van groenvoorzieningen, waaronder begrepen tuinen, watergangen en speelvoorzieningen.

De rechtbank oordeelt dat uit de hiervoor aangehaalde omschrijving van de bestemming “GS” voldoende concreet blijkt dat de gemeente op het met de bestemming “GS” aangeduide gebied een openbaar stadspark met bijbehorende voorzieningen wil realiseren. Van een te vage planaanduiding om een daarop gebaseerde onteigening te rechtvaardigen is geen sprake.

3.12. Het beroep van [gedaagde c.s.]. op zelfrealisatie treft geen doel. De rechtbank overweegt daartoe ten aanzien van achtereenvolgens de bestemmingen “GP” (Jac.P. Thijselint) en “GS” (Parkmuur en stadspark), als volgt.

3.12.1. Het perceelsgedeelte dat de bestemming “GP” heeft, is blijkens het bestemmingsplan bedoeld om te worden ingericht als het “Jac.P. Thijsselint” dat een niet voor misverstand vatbare openbare functie heeft. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde c.s.]. bereid is dit perceelsgedeelte aldus openbaar toegankelijk te maken.

3.12.2. [gedaagde c.s.]. heeft in dit verband nog aangevoerd dat het Jac.P. Thijsselint blijkens het bestemmingsplan wordt omzoomd met een strook van circa 15 meter bos, die zich in veel gevallen op particulier terrein bevindt en waarbij het volgens het bestemmingsplan de bedoeling is die particulieren tot het beplanten van de bomenzone te bewegen.

De rechtbank oordeelt dat deze omschrijving in het bestemmingsplan aan een vordering tot onteigening ten behoeve van uitsluitend het realiseren van de boszone in de weg kan staan en dat een beroep op zelfrealisatie voor dat gedeelte in ieder geval niet zonder meer kan worden gepasseerd. De rechtbank stelt evenwel tevens vast dat uit de bestemmingsplankaart niet volgt dat het te onteigenen perceelsgedeelte is bestemd voor de aanleg van die boszoom langs het Jac.P. Thijsselint. Het openbaar gedeelte van het Jac.P. Thijsselint bestaat volgens het bestemmingsplan uit een weide van gemiddeld circa 30 meter breed. Dat het gedeelte van het perceel van [gedaagde c.s.]. met de bestemming “GP” een grotere breedte heeft volgt niet uit de bestemmingsplankaart en is overigens ook niet door partijen aangevoerd. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de onteigening mede strekt tot het realiseren van de boszoom langs het Jac.P. Thijsselint.

3.12.3. Voor zover de aanleg van de Parkmuur op het perceelsgedeelte van [gedaagde c.s.]. plaatsvindt valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat [gedaagde c.s.]. tot een dergelijke aanleg bereid en in staat is. De enkele algemene mededeling dat [gedaagde c.s.]. nog steeds bereid is om in samenspraak met de gemeente te komen tot zelfrealisatie is daarvoor te weinig concreet. Het had op de weg van [gedaagde c.s.]. gelegen om - gegeven de aan [gedaagde c.s.]. bekende omschrijving van de Parkmuur - concreet aan te geven hoe dit door hen kan worden gerealiseerd.

3.12.4. Het perceelsgedeelte met de bestemming “GS”, voor zover op dat gedeelte geen Parkmuur is bestemd (of zal worden gerealiseerd), is bedoeld om deel uit te maken van het beoogde stadspark van de Binnenhof. De rechtbank oordeelt dat een stadspark reeds naar de bedoeling ervan als openbaar toegankelijk gebied is aan te merken, zoals ook door de gemeente is betoogd. Aan het realiseren van een stadspark staat derhalve het handhaven van privé terreinen in de weg. Het beroep op zelfrealisatie treft voor dit perceelsgedeelte geen doel, nu gesteld noch gebleken is dat [gedaagde c.s.]. dit perceelsgedeelte voor het publiek toegankelijk wil maken. Gelet op het huidig gebruik dat van dit perceelsgedeelte wordt gemaakt (ten behoeve van het opfokken en het in keuringsconditie houden van diefstalgevoelige Shetlandpony’s) ligt het ook niet voor de hand dat dit perceelsgedeelte openbaar toegankelijk wordt gemaakt bij voortgezet gebruik daarvan door [gedaagde c.s.]..

3.13. Hetgeen overigens door [gedaagde c.s.]. is opgemerkt vormt geen grond om te oordelen dat de Kroon niet in redelijkheid tot het besluit tot onteigening van het perceelsgedeelte heeft kunnen komen.

3.14. De rechtbank overweegt verder dat de in de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen zijn nageleefd, zodat de vordering om de vervroegde onteigening uit te spreken voor toewijzing gereed ligt.

3.15. De rechtbank zal het door de gemeente aan [gedaagde c.s.]. te betalen voorschot op de schadeloosstelling bepalen op 100% van het door de gemeente gedane aanbod, te weten een bedrag van EUR 275.000,-- nu de gemeente ter pleitzitting met dat bedrag heeft ingestemd. Het bezwaar van [gedaagde c.s.]. dat dit bedrag aan schadeloosstelling haar schade niet dekt behoeft in dit stadium geen bespreking en zal bij de uiteindelijke vaststelling van het schadebedrag aan de orde kunnen komen.

3.16. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. spreekt bij vervroeging uit de onteigening ten algemenen nutte en ten name van de gemeente Utrecht van het volgende perceelsgedeelte:

Grondplannr: te onteigenen grootte: kadastraal bekend ter grootte van:

gemeente Utrecht

21 00.61.09 ha sectie F, nr. 3049 01.09.45 ha

4.2. bepaalt het door de gemeente Utrecht aan [gedaagde c.s.]. te betalen voorschot op

EUR 275.000,--;

4.3. bepaalt dat de griffier een afschrift van dit vonnis dient toe te zenden aan de deskundigen, te weten:

- Mr. J. Berkvens (Jonker Advocaten, De Lairessestraat 73, 1071 NV Amsterdam), voorzitter;

- Mr. Ing. J.A. Jansens van Gellicum (’t Schoutenhuis B.V., postbus 13, 3930 EA Woudenberg);

- Dhr. C.G. Plomp (Plomp makelaars & taxateurs o.g., Remiseweg 2, 3438 LB Nieuwegein);

4.4. Bepaalt dat de deskundigen hun rapport uiterlijk op 28 december 2011 ter griffie dienen neer te leggen;

4.5. wijst het AD/Utrechts Nieuwsblad aan als het nieuwsblad waarin een uittreksel van dit vonnis geplaatst dient te worden;

4.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg, mr. R.J. Praamstra en mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2011.?