Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9797

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
03-01-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
16-600674-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreigingen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600674-10 en 16/600717-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 3 januari 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. G.J. Boven, advocaat te Leusden.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 december 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: [aangever 1] (meermalen, direct en/of indirect) woordelijk heeft bedreigd met de dood;

feit 2:[aangever 2] woordelijk heeft bedreigd met de dood.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit, inhoudende dat hij [aangever 1] zowel telefonisch als indirect via een of meer verbalisanten heeft bedreigd met de dood.. De officier van justitie heeft zich daarbij -kort gezegd- gebaseerd op de aangifte van [aangever 1], de bevindingen van diverse verbalisanten, de verklaring van buurman [aangever 2] omtrent het door hem gehoorde telefoongesprek en de verklaring van verdachte. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde, daar de aangifte van [aangever 2] onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Bovendien valt uit de verklaring van laatstgenoemde niet te destilleren wie nu daadwerkelijk door verdachte bedreigd zou zijn.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de beide ten laste gelegde feiten. De raadsman is van oordeel dat de twee aangiften onvoldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. De woorden die verdachte volgens het proces-verbaal van bevindingen heeft geuit ten overstaan van de verbalisanten zijn wellicht door verdachte gezegd, maar verdachte heeft nooit de intentie gehad om deze bewoordingen daadwerkelijk kracht bij te zetten, aldus de raadsman.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Vrijspraakoverweging feit 2

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de aangifte van [aangever 2] onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Te meer daar verdachte het feit ontkent en een verklaring van de partner van aangever ontbreekt.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit ten laste gelegde feit.

4.3.2. Bewijsoverweging feit 1

Op 3 juli 2010 kregen verbalisanten de opdracht te gaan naar de [adres] te Utrecht. In de woning aan de [adres] treffen verbalisanten een Turkse vrouw aan (naar later bleek [aangever 1]) die zij met een hevig geëmotioneerde stem horen zeggen: “jullie moeten hem (naar later bleek verdachte) aanhouden, hij moet mee! Hij is echt gek en wil mij vermoorden”. Ook verklaart ze op dat moment echt bang te zijn voor verdachte en dat ze aangifte wil doen.

Vervolgens heeft [aangever 1] op 3 juli 2010 aangifte gedaan van bedreiging. Zij heeft toen tegenover de politie verklaard dat zij die dag omstreeks 14.00 uur door haar broer, zijnde verdachte, werd gebeld op haar mobiele telefoon. Verdachte begon toen onmiddellijk met schelden en aangeefster hoorde dat verdachte onder meer zei: “Ik ga je vermoorden! Als ik je pak ga ik je doodslaan”. Aangeefster moest hier erg om huilen, uit angst, maar ook van verdriet.

De hiervoor genoemde aangifte vindt steun in de ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van verdachte. Hij heeft toen verklaard dat zijn ouders twee weken op vakantie waren naar Turkije en dat hij van zijn vader op zijn zusje moest letten. Toen zijn zusje enkele dagen niets van zich liet horen raakte hij ongerust en werd hij erg boos op haar. Hij heeft toen tevens verklaard dat hij misschien wel heeft gezegd dat hij haar zou pakken, maar volgens verdachte heeft hij niet gezegd dat hij haar zou vermoorden.

Hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd omtrent de woorden die verdachte heeft geuit ten tijde van zijn aanhouding draagt naar het oordeel van de rechtbank bij aan de geloofwaardigheid van de verklaring van aangeefster. Immers, verdachte zei bij zijn aanhouding met luide stem: “Jullie kunnen me maar beter meenemen. Hou mij maar aan, doe maar! Ik vermoord haar toch”! Ook buurman [aangever 2] heeft in de vroege ochtend van 3 juli 2010 verdachte via zijn telefoon tegen iemand horen zeggen: “Als ze bij jou is dan vermoord ik jou”, hetgeen eveneens bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de verklaring van aangeefster en in ieder geval bevestigt dat verdachte dergelijke bewoordingen gebruikt.

Voor wat betreft het tweede gedeelte van het onder 1 tenlaste gelegde overweegt de rechtbank dat voor een veroordeling ter zake bedreiging onder meer is vereist dat de bedreigde ook daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. In dit geval valt op grond van het dossier niet vast te stellen of de in de vorige alinea genoemde bedreiging -in het bijzijn van de verbalisanten- aangeefster ook daadwerkelijk heeft bereikt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van deze in de tenlastelegging opgenomen zinsnede.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder feit 1 voor het overige ten laste is gelegd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 03 juli 2010 te Utrecht, [aangever 1] (de zus van verdachte), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 1]

- dreigend (telefonisch) de woorden toegevoegd: "Ik ga je vermoorden! Als ik

je pak ga ik je doodslaan!", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met aftrek van het voorarrest.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde feiten en de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen. Indien de rechtbank wel tot een veroordeling komt kan volgens de raadsman volstaan worden met een geheel voorwaardelijke straf. Aan deze voorwaardelijke straf zouden dan wellicht bijzondere voorwaarden gekoppeld kunnen worden. De proeftijd van de vordering ten uitvoerlegging zou in dat geval verlengd kunnen worden met één jaar.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De ernst van de feiten

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de hiervoor bewezen verklaarde bedreiging van zijn zus. Verdachte heeft haar door aldus te handelen hevige angst aangejaagd. Dat de situatie voor haar zeer bedreigend was, blijkt uit het feit dat de zij voor het moment dat de politie ter plaatse kwam een veilig heenkomen had gezocht bij een van de buren en dat zij hevig geëmotioneerd was. De rechtbank neemt verdachte zijn handelwijze kwalijk.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet het volgende.

De inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 november 2010, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Deze eerdere veroordelingen en het feit dat verdachte in een proeftijd liep weerhielden hem er kennelijk niet van wederom agressief gedrag te vertonen.

Blijkens het door dhr. Elmaci opgemaakte reclasseringsrapport van 30 september 2010 moet verdachte om de kans op recidive te verminderen leren omgaan met zijn cultureel bepaalde loyaliteitsproblemen en gevoelens van afwijzing. Een leefstijltraining en aanvullende behandeling bij Kade 17 lijken volgens hem geïndiceerd. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij inmiddels onder behandeling is bij Kade 17 en dat hij deze behandeling ook als zinvol ervaart. De gesprekken met de reclasseringswerkers vindt hij echter van minder belang en minder zinvol.

De rechtbank acht, in het bijzonder gelet op de omstandigheden dat er sprake is van recidive en dat verdachte het feit heeft gepleegd tijdens een lopende proeftijd voor feiten die eveneens (verbaal) geweld betreffen, een geheel voorwaardelijke straf, zoals door de verdediging bepleit, geen passende straf. Naar het oordeel van de rechtbank is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 dagen passend en geboden. Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, die lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 2 maanden gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 12 oktober 2009 ten uitvoer zal worden gelegd. De officier van justitie heeft daartoe de vordering uitgebreid in dier voege dat de ten uitvoerlegging niet alleen dient te geschieden op grond van het overtreden van de algemene voorwaarde, maar ook van de bijzondere voorwaarde. De officier van justitie heeft subsidiair gevorderd om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen en de proeftijd voor het overige gedeelte te verlengen met de duur van 1 jaar, alsmede aan dit overige gedeelte eventueel bijzondere voorwaarden te koppelen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank acht het evenwel niet passend de hele vordering toe te wijzen, gelet op de ernst van het nieuwe strafbare feit enerzijds en de lange duur van de voorwaardelijke straf anderzijds. Daarom zal de rechtbank de vordering voor de duur van 1 maand gevangenisstraf toewijzen en voor het overige de proeftijd verlengen met de duur van één jaar.

Nu de rechtbank de vordering gedeeltelijk heeft toegewezen op grond van overtreding van de algemene voorwaarde komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de tenuitvoerlegging ook gelast dient te worden op grond van overtreding van de bijzondere voorwaarde en/of de door de officier van justitie ter terechtzitting mondeling gevorderde wijziging van de grondslag van de vordering tenuitvoerlegging mogelijk is.

De rechtbank acht het noodzakelijk de bij het vonnis van 12 oktober 2009 gestelde bijzondere voorwaarde te wijzigen in die zin dat de verdachte gedurende de proeftijd zijn behandeling bij Kade 17 voortzet zolang de behandelaars aldaar en de reclassering dat nodig achten. De bijzondere voorwaarde zoals opgenomen in laatstgenoemd vonnis blijft voor het overige onverminderd van kracht.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14f, 14g en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van onder 2 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat van de voorwaardelijke straf van 2 maanden, die bij vonnis d.d. 12 oktober 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600717-09, een gedeelte ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand;

- verlengt de proeftijd voor het overige gedeelte met één jaar;

- wijzigt de aan veroordeelde opgelegde voorwaarden in die zin dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zijn behandeling bij Kade 17 voortzet zolang de behandelaars aldaar alsmede de reclassering dat nodig achten. De bijzondere voorwaarde zoals opgenomen in laatstgenoemd vonnis blijft voor het overige onverminderd van kracht;

Voorlopige hechtenis

- heft het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mrs. D.A.C. Koster en N. van der Velden, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 3 januari 2011.

Mrs. D.A.C. Koster en N. van der Velden zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen