Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9795

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
16/600157-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, waarbij het slachtoffer als gevolg van een duw van verdachte op de straat terecht is gekomen en als gevolg van die val zijn kaak op twee plaatsen heeft gebroken. Het letsel was aanzienlijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600157-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2011. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de, overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering gewijzigde, tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, dan wel hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel [slachtoffer] heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel als gevolg, dan wel dat hij [slachtoffer] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het als meer subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen evenals de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe betoogd, dat het letsel van aangever [slachtoffer] niet het gevolg is van enig handelen van verdachte noch dat is vast te stellen, dat er door verdachte is geschopt en/of geslagen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het als meest subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De handelingen die verdachte daartoe heeft verricht en de feiten die de rechtbank redengevend oordeelt voor de conclusie dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – mishandeling zijn de navolgende.

Vaststelling van de feiten

Door aangever [slachtoffer] is verklaard, dat hij zich op 16 februari 2011 op de [adres] te Utrecht bevond en dat hij door een man tegen de grond werd gegooid. Door [slachtoffer] is ook verklaard, dat hij een hevige pijn aan zijn onderkaak voelde. Bij [slachtoffer] zijn door de behandeld arts, [arts], twee breuken in de kaak vastgesteld. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, dat hij [slachtoffer] een duw heeft gegeven, [slachtoffer] ten val kwam en dat hij over [slachtoffer] heen is gevallen.

Aanvullende overwegingen

Verdachte heeft ontkend [slachtoffer] te hebben geschopt en geslagen. De rechtbank heeft ter terechtzitting de beelden bekeken van de camera die op de plaats van het incident was gericht. Op die beelden heeft de rechtbank waargenomen dat verdachte, overeenkomstig zijn verklaring, achter de aangever aan loopt, hem een duw geeft en dat beide mannen op de grond vallen. Op die beelden heeft de rechtbank niet waargenomen dat verdachte de aangever heeft geschopt en/of geslagen. Ook de overige inhoud van het dossier biedt de rechtbank geen dusdanige aanknopingspunten voor de conclusie dat [slachtoffer] door verdachte is geschopt en/of geslagen. De getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verklaren weliswaar over schoppen en slaan, maar deze verklaringen zijn moeilijk te rijmen met de beelden van het voorval en daarnaast zijn deze verklaringen niet eenduidig over positie van [slachtoffer] op het moment van slaan (staand of liggend) en het deel van het lichaam waartegen [slachtoffer] zou zijn geschopt. [slachtoffer] zelf niet heeft verklaard over slaan door verdachte. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [slachtoffer] door verdachte is geduwd waarna aangever ten val is gekomen.

De vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of er causaal verband kan worden vastgesteld tussen de gebroken kaak van de aangever en de duw door verdachte.

De rechtbank overweegt, dat naar algemene ervaringsregels de kans dat iemand die op een harde ondergrond wordt geduwd, letsel oploopt, aanmerkelijk is. Ieder weldenkend mens is zich daarvan bewust. De duw door verdachte kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van lichamelijk letsel aan aangever dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

De officier van justitie kwalificeert de dubbele kaakbreuk als zwaar lichamelijk letsel en heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het meer subsidiair tenlastegelegde.

Blijkens de geneeskundige verklaring is de geschatte duur van genezing ongeveer drie weken. Voorts blijkt uit het dossier niet, dat de aangever blijvend letsel aan deze kaakbreuken heeft overgehouden. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van zwaar lichamelijk letsel kan worden gesproken.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aangever heeft mishandeld. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(Meest subsidiair)

op 16 februari 2011 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen het lichaam heeft geduwd, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 44 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, evenals door de persoon zoals uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het na te noemen rapport is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 1 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling, waarbij het slachtoffer als gevolg van een duw van verdachte op de straat terecht is gekomen en als gevolg van die val zijn kaak op twee plaatsen heeft gebroken. Het letsel was aanzienlijk. Dit is een vervelend feit en verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank heeft kennis genomen van het over verdachte opgemaakte rapport van Reclassering Nederland d.d. 11 mei 2011, opgesteld door M. van der Horst. De reclassering heeft zich onthouden van het geven van advies, omdat zij over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen vaststellen of een plan van aanpak binnen een verplicht kader wenselijk is.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat, ondanks dat verdachte zal worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde, de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 44 dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 44 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. S. Wijna en

mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 juni 2011.

Mr. Fung Fen Chung is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.