Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9782

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
16/600945-10; 16/712097-08 (vordering tot tenuitvoerlegging) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen een persoon willen oevrvallen teneinde geld en andere goederen te verkrijgen. Hierbij zijn verdachte en zijn mededaders er niet voor teruggeschrokken geweld te gebruiken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600945-10; 16/712097-08 (vordering tot tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht.

Raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen aangever [slachtoffer] heeft beroofd door middel van geweld en/of bedreiging met geweld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen aan hem ten laste is gelegd heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig om tot een veroordeling te kunnen komen. Door zowel medeverdachte [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] wordt als één van de daders ene ‘[verdachte]’ genoemd. Vervolgens wordt deze naam aan verdachte gekoppeld. De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dateren van 10 februari 2010 respectievelijk 4 maart 2010. Zij zijn dus afgelegd nadat verbalisant [verbalisant] op 5 februari 2010 een proces-verbaal ter zake stemherkenning van verdachte heeft opgemaakt. Overigens kan de stemherkenning van [verbalisant] niet tot het bewijs gebruikt worden. [verbalisant] heeft zich op het verkeerde been laten zetten, door de informatie die al beschikbaar was die wees in de richting van verdachte.

Het door het NFI uitgevoerde vergelijkend spraakonderzoek heeft tot de conclusie geleid dat het iets waarschijnlijker is dat verdachte heeft deelgenomen aan de gesprekken in de overgelegde opnames van de telefoongesprekken, dan dat verdachte hieraan niet heeft deelgenomen. Bij het rapport van het NFI zit een vakbijlage gevoegd. Uit deze vakbijlage blijkt dat het NFI gebruik maakt van het Bayesiaanse model. Dit is een vijf-trapsraket. De conclusie waar het NFI in onderhavig onderzoek toe is gekomen, wordt in deze vijf-traps gesitueerd op de tweede plaats. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het minder dan waarschijnlijk is dat verdachte degene is die te horen is op de geluidsopnamen. Derhalve doet het onderzoek van het NFI afbreuk aan het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant].

Voorts komt aan de bijnaam ‘[verdachte]’ die aan verdachte wordt toegeschreven geen exclusiviteit toe. Verdachte betwist ook dat hij deze bijnaam heeft.

De deelname van verdachte aan de overval is alleen af te leiden uit de verklaringen van een aantal medeverdachten. Deze verklaringen dienen als onbetrouwbaar bestempeld te worden, op het punt van deelname van verdachte en de rolverdeling. Zo heeft [medeverdachte 2] bij zijn verhoren in 2009 geen enkele keer verdachte genoemd als één van de mededaders. Tijdens de verhoren die plaats hebben gevonden in 2010 wordt door zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] de naam van verdachte, dan wel de aan hem toebedeelde bijnaam ‘[verdachte]’, in verband gebracht met de overval. Voorts is van belang dat medeverdachte [medeverdachte 3] op één cel heeft gezeten met [medeverdachte 2], Zij hebben zodoende tijd en gelegenheid gehad de overval door te spreken en een verhaal te bedenken. [medeverdachte 3] heeft hier ook een motief voor, daar hij verdachte ervan verdenkt met zijn (ex-)vriendin het bed te hebben gedeeld.

Verdachte heeft zich in een benarde positie gebracht door de wiet, die is weggenomen tijdens de overval, aan te nemen van [medeverdachte 2]. Dit gebeurde echter nadat de overval had plaatsgevonden. [medeverdachte 2] stond ineens bij verdachte op de stoep en drukte hem een doos wiet in zijn handen met de vraag of hij het voor hem wilde verkopen. Verdachte heeft deze weed vervolgens verkocht en heeft de opbrengst daarvan verbrast. Dit is echter niet aan verdachte ten laste gelegd. Dit zou de reden kunnen zijn dat [medeverdachte 2] nu verdachte belast.

De sleutelbos, toebehorende aan de neef van verdachte, welke is gevonden in de Volkswagen Golf, zegt niets over de aanwezigheid van verdachte in deze auto op de dag van de overval.

Voor een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat hij op 15 november 2009 omstreeks 13.50 uur bij zijn loods aan de [adres] te [woonplaats] in zijn auto was gestapt om weg te rijden, maar dat toen een zwartkleurige personenauto achteruit de inrit kwam inrijden en aldus de inrit geheel geblokkeerd werd door die auto. Op datzelfde moment begonnen twee jongens aan beide zijden van de auto te slaan en te stompen op de ruiten en hoorde aangever de jongens meerdere keren roepen: ‘Geld geld’ en ‘maak open’. Volgens aangever werd vervolgens met een rood voorwerp het raam van het voorportier aan de bestuurderszijde ingeslagen. Direct na het inslaan van de ruit werd zijn mobiele telefoon (merk Nokia, kleur zwart) uit zijn handen gegrist. Volgens zijn verklaring, werd aangever bij de revers van zijn jasje gepakt en voelde hij dat daarbij een vuist tegen zijn kaak werd gedrukt, waardoor zijn hoofd werd weggeduwd. Tegelijkertijd dat zijn hoofd afgewend werd, voelde aangever dat met twee handen zijn bovenkleding werd doorzocht en vanuit zijn linkerbroekzak een stapeltje met 100 bankbiljetten van 50 Euro werd weggenomen. Toen de daders het geld hadden, zag aangever nog een hand en een arm naar binnen komen, die de autosleutel uit het contact van de auto haalde. Nadat de daders vertrokken waren, constateerde aangever [slachtoffer] dat de beide voorbanden van zijn auto lek waren. Ook stonden de beide achterportieren van zijn auto open en was een plastic tas met administratie verdwenen.

De getuige [getuige 1] was op 15 november 2009 in de buurt van aangever [slachtoffer] en heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat de brandgang werd versperd door een personenauto merk Golf, kleur zwart en voorzien van het kenteken [kenteken]. Eén persoon was op de ruit en de deur van de auto van aangever [slachtoffer] aan het slaan en stond te roepen en te schreeuwen naar [slachtoffer]. Deze persoon heeft volgens getuige [getuige 1] de ruit van het bestuurdersportier kapotgeslagen met een ruitentikker. De getuige [getuige 1] werd, volgens zijn verklaring, door de tweede persoon op afstand gehouden. Bij de rechter-commissaris d.d. 20 mei 2010 heeft de getuige [getuige 1] verklaard dat de tweede persoon op 30 centimeter afstand voor hem ging staan om hem van het gebeuren bij de auto van aangever [slachtoffer] weg te houden. Tevens zijn de contactsleutels uit de auto van getuige [getuige 1] gehaald.

De getuige [getuige 2], die op de [adres] te [woonplaats] woont, hoorde op 15 november 2009 omstreeks 14.00 uur een hoop geschreeuw en zag, volgens zijn verklaring bij de politie, dat bij het linkervoorportier van een Volkswagen Caddy een man stond. Verder zag hij dat deze persoon een grote lichtbruine doos in zijn handen had. Voor de Volkswagen Caddy stond een donkere Golf voorzien van het kenteken [kenteken], die de Volkswagen Caddy de weg versperde.

Nadat de politie kort daarna de Volkswagen Golf had klemgereden, is medeverdachte [medeverdachte 2] weggerend en aangehouden . Op zijn vlucht liet hij een wit met blauwe plastic tas vallen. Deze tas is nadien door aangever herkend als de weggenomen tas met administratie.

Tijdens de fouillering werd in de broekzak van [medeverdachte 2] € 500,00 aangetroffen en in de bossages nabij de lokatie van de aanhouding van verdachte werd een stapeltje van 44 bankbiljetten van 50 euro, samengebonden met een elastiekje, aangetroffen. [medeverdachte 2] heeft bekend dat hij dit geld heeft weggegooid.

Medeverdachte [medeverdachte 4], de bestuurder van de Volkswagen Golf, is eveneens direct aangehouden. Tijdens de fouillering werd in de linkerbroekzak van medeverdachte [medeverdachte 4] € 2.501,21 aangetroffen, waarvan 30 bankbiljetten van 50 euro. Alle bankbiljetten van 50 euro die zijn aangetroffen bij de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] zijn op dezelfde manier in de stapel opgenomen, namelijk met de bovenzijde naar boven en elk tiende biljet was een halve slag gedraaid.

In de Volkswagen Golf heeft de politie op de vloer voor de rechter voorstoel een plastic zak met hennep aangetroffen, met een gewicht van 120,32 gram. [medeverdachte 2] heeft bij de politie bekend dat deze plastic zak met weed in de auto lag.

Verdachte heeft ter terechtzitting d.d. 12 mei 2011 verklaard niets met de overval te maken te hebben. Op 15 november 2011 was hij naar eigen zeggen gewoon thuis met zijn twee kinderen en zijn vrouw. Op enig moment werd er op de deur gebonkt. [medeverdachte 2] stond voor de deur met een doos weed en vroeg aan verdachte of hij hem kwijt kon, daar verdachte een coffeeshophouder kent. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment nog niet bekend was met het feit dat er een overval had plaatsgevonden. Verdachte heeft de doos met weed aangenomen. Dagen later heeft hij de weed verkocht. Verdachte wist niet waar de weed vandaan kwam.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 12 mei 2011, niet aannemelijk is.

Zo heeft medeverdachte [medeverdachte 2] op 4 maart 2010 bij de politie verklaard dat hij op 15 november 2009 samen met – onder meer – medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en verdachte [verdachte] (die [verdachte] genoemd wordt) in de Volkswagen Golf is gaan zitten, met zicht op de loods van aangever [slachtoffer]. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft met een mes de voorbanden van de auto van aangever [slachtoffer] kapot gestoken. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 4] de Volkswagen Golf voor de auto van aangever [slachtoffer] heeft geparkeerd, zodat deze niet meer weg kon rijden. Daarop is medeverdachte [medeverdachte 2] uitgestapt en aan de bestuurderszijde naast aangever gaan staan en heeft hem om zijn geld gevraagd. Hij heeft met een ruitentikker de autoruit van de Volkswagen Caddy ingeslagen. Aangever heeft hem een stapeltje met 50 euro biljetten gegeven die met elastiekjes bij elkaar waren gebonden. [verdachte] heeft met medeverdachte [medeverdachte 5] dozen wiet uit de achterkant van de Volkswagen Caddy gehaald. Zij hebben ook een plastic Aldi tas uit de auto gehaald. Medeverdachte [medeverdachte 2] is weer in de Volkswagen Golf gaan zitten, verdachte [verdachte] zat naast hem. Bij de rechter-commissaris, op 7 februari 2011, heeft medeverdachte [medeverdachte 2] herhaald dat [verdachte] bij het voorval op 15 november 2009 betrokken is geweest en tevens de persoon is geweest die aangever [slachtoffer] heeft mishandeld. [verdachte] zou naar aangever [slachtoffer] toe zijn gegaan en hem hebben vastgepakt bij zijn kaak. Na de overval zijn ze naar de woning van [verdachte] gegaan. De wiet is meegenomen naar de woning van [verdachte]. [verdachte] wordt ook wel ‘Crack’ genoemd.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft eveneens bij politie en rechter-commissaris een verklaring afgelegd, waarin verdachte als één van de mededaders wordt genoemd. Door de politie is aan [medeverdachte 1] een foto getoond met nummer PL09V1:09:1592, betreffende [verdachte], geboren op [1986]. Hiernaar gevraagd heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij de persoon die is afgebeeld op de foto met nummer PL09V1:09:1592 herkent als [verdachte]. Vervolgens heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat de persoon op de foto die hem is getoond op het politiebureau de [verdachte] is die hij in de auto heeft gezien. Op het moment dat ze op het industrieterrein te [woonplaats] aankwamen op 15 november 2009 zaten er vijf personen in de auto. Dit waren de bestuurder, [medeverdachte 1], [verdachte] en twee Turken. Hij weet 100 procent zeker dat hij [verdachte] in de auto heeft gezien.

Naast de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] blijkt ook uit andere verklaringen opgenomen in het dossier dat verdachte de bijnaam ‘[verdachte]’, en zelfs ‘[verdachte]’ en ‘Crackpijp’ heeft.

Het telefoonnummer [nummer], in gebruik bij medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6], werd door de politie getapt op de dag van de overval. Op 15 november 2009 om 13:47:42 belt [nummer] uit naar een mobiel nummer van een onbekend gebleven persoon. Er komt geen verbinding tot stand. Wel is te horen dat de telefoon wordt gebruikt in een rijdende auto, waarin meerdere mannen zitten. Op de achtergrond is onder andere te horen ‘daar is hij, recht. [verdachte], we moeten hem klemmen. Nee wacht, ik weet waar we hem kunnen klemmen. Iets verder op.’

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan. Uit verschillende getuigenverklaringen volgt dat verdachte als bijnaam ‘[verdachte]’ heeft. Voorts is verdachte door medeverdachte [medeverdachte 1] aangewezen op een politiefoto als een van de daders betrokken bij de overval op [slachtoffer]. Door zowel medeverdachte [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] is verklaard dat verdachte in de Volkswagen Golf zat tijdens de overval. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verklaringen van deze medeverdachten als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven. In dit verband merkt de rechtbank voorts op dat in het tapgesprek d.d. 15 november 2009 om 13:47:42 steun kan worden gevonden voor de verklaring van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] dat verdachte bij de overval betrokken was. Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij omstreeks 13.50 uur bij zijn loods aan de [adres] te [woonplaats] in zijn auto was gestapt om weg te rijden, maar dat toen een zwartkleurige personenauto achteruit de inrit kwam inrijden en dat aldus de inrit geheel geblokkeerd werd door die auto. De overval vond dus plaats omstreeks 13.50 uur; een kleine drie minuten na het tapgesprek waarin [verdachte] wordt aangesproken. Gelet op bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verdachte in de Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kenteken], zat kort voordat de overval werd gepleegd en ook betrokken is geweest bij de overval zelf.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 15 november 2009 te Soest, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- een geldbedrag van 5000,- euro en een mobiele telefoon (merk Nokia, kleur zwart) en een plastic tas (inhoudende administratie) en een autocontactsleutel en een hoeveelheid weed/hennep, toebehorende aan [slachtoffer] en Auto Middelweerd,

en

- een autocontactsleutel, toebehorende aan [getuige 1] ,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en zijn mededader(s)

- meermalen hebben geroepen: "Geld, geld" en "Maak open" en

- daarbij meermalen) tegen de ruiten van het portier aan de bestuurszijde van de auto van die [slachtoffer] hebben geslagen en

- twee voorbanden hebben lekgestoken en

- een ruit van de auto van die [slachtoffer] hebben ingeslagen met een ruitentikker en

- de revers van de jas van die [slachtoffer] (met kracht) hebben vastgepakt en

- met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer] hebben geduwd en

- de jas en de kleding van die [slachtoffer] hebben doorzocht;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken, daar er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling van het ten laste gelegde feit te kunnen komen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met anderen een persoon overvallen teneinde geld en andere goederen te verkrijgen. Verdachte en zijn mededaders zijn er niet voor teruggeschrokken geweld te gebruiken. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest.

Verdachte heeft kennelijk in het geheel niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen voor aangever. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van hem, op klaarlichte dag, deze overval mede te plegen. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij geen oog heeft gehad voor de gevolgen van zijn handelen en zijn eigen financieel gewin voorop heeft gesteld.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 7 januari 2011, waaruit blijkt dat verdachte meerdere keren is veroordeeld .

Daar verdachte geen medewerking heeft willen verlenen aan het opmaken van een pro justitia rapportage ten behoeve van een psychologisch onderzoek, alsmede het feit dat de reclassering zich heeft onthouden van het uitbrengen van een advies over een passende sanctie, is de rechtbank ook niet gebleken dat er sprake is van verzachtende feiten en omstandigheden, waarmee bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 5.000,00, betreffende materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Deze schade dient te worden verminderd met de bij medeverdachte [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 4] in beslag genomen geldbedragen, te weten € 2.200,00 respectievelijk € 1.500,00, en waarvan de rechtbank heeft beslist dat deze geldbedragen aan aangever [slachtoffer] dienen te worden teruggegeven.

Derhalve acht de rechtbank de vordering toewijsbaar tot een bedrag van € 1.300,00 ter zake van materiële schade en verdachte voor die schade hoofdelijk aansprakelijk.

Voor het overige acht de rechtbank, gelet op het voorgaande, de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 19 februari 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 24c, 27, 36f, 47, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.300,00, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1.300,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 19 februari 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/712097-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, G. Perrick en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 mei 2011.