Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9711

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-05-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
16/600219-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Autoinbraak. Het live meekijken met beveiligingscamera's zonder dat een vordering ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering is gedaan, is niet van dien aard dat daarop de sanctie van bewijsuitsluiting dient te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600219-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1989] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, te Nieuwegein.

Raadsman mr. H.W. van Eeuwijk, advocaat te Den Haag.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 maart 2011 te Amersfoort samen met een ander een aktetas uit een personenauto heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen aan hem ten laste is gelegd, heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Uit het dossier volgt dat een verbalisant [verbalisant 1] van de politie in Amersfoort live de beelden van de beveiligingscamera’s van de parkeergarage Stadhuisplein te Amersfoort heeft bekeken. In het dossier ontbreekt echter een vordering van de officier van justitie, waaruit blijkt dat de politie gemachtigd is deze beelden live te bekijken. Volgens de Hoge Raad, uitspraak d.d. 21 december 2008, BL7688, is het vereist dat voorafgaand aan het verstrekken van beelden op grond van artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering een vordering wordt gedaan door de officier van justitie. Aan dat vereiste is hier niet voldaan. Dit is onrechtmatig en levert een vormverzuim op in de zin van artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte is hierdoor in zijn belang geschaad. Het gaat immers om privégegevens. De bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] die tot stand zijn gekomen door het live bekijken van de camerabeelden, dienen van het bewijs uitgesloten te worden. Na uitsluiting resteert geen wettig bewijs zodat verdachte moet worden vrijgesproken.

Ook voor het overige bestaat geen bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Voor het feit dat de door hem gehuurde auto is gezien in de parkeergarage, heeft verdachte een logische verklaring, namelijk dat hij de auto had uitgeleend. Aan de hand van de beelden kan niet worden vastgesteld dat verdachte ter plaatse is geweest.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

De aangifte van [aangever]

Op 2 maart 2011 heeft aangever [aangever] aangifte gedaan van diefstal van zijn Samsonite aktetas uit zijn personenauto, merk Volkswagen Golf, kleur grijs, voorzien van kenteken [kenteken]. Hij heeft verklaard dat hij op 2 maart 2011 zijn auto parkeerde in de parkeergarage Stadhuisplein te Amersfoort. De auto was deugdelijk afgesloten en in goede orde achtergelaten. Later, diezelfde dag, kwam aangever terug bij zijn auto en zag dat een ruit aan de achterzijde van de auto was ingeslagen. Zijn Samsonite aktetas was weggenomen uit de auto. Op het politiebureau heeft aangever de aan hem getoonde Samsonite aktetas herkend als de tas die uit zijn auto was weggenomen.

De bevindingen van verbalisanten

[verbalisant 2] heeft verklaard dat hij op 2 maart 2011 in het politiebureau te Amersfoort live de beelden van de beveiligingscamera’s van de parkeergarage Stadhuisplein te Amersfoort aan het uitkijken was. Omstreeks 19:23 uur zag hij een zwarte personenauto, merk Volkswagen Golf de parkeergarage binnenrijden. De auto parkeerde op parkeerdek -1. Er stapten twee manspersonen uit. Beide personen liepen in de richting van een op parkeerdek -1 geparkeerde grijze personenauto. Hij zag dat de alarmverlichting van deze grijze personenauto ging knipperen. Hieruit maakte verbalisant op dat het alarm van deze personenauto vermoedelijk afging. Vervolgens zag hij de twee manspersonen teruglopen in de richting van de Volkswagen Golf. Op dat moment heeft verbalisant zijn bevindingen doorgegeven aan de meldkamer met het verzoek een surveillance-eenheid naar de parkeergarage te sturen. Hierbij gaf hij door dat er mogelijk een inbraak in een personenauto had plaatsgevonden en dat de verdachten waren weggereden in een zwarte Volkswagen Golf. Omstreeks 19:28 uur ziet verbalisant [verbalisant 1] dat de zwarte Volkswagen Golf op parkeerdek -1 stopt bij een aantal geparkeerde auto’s. De bijrijder stapt uit de auto en heeft een soort laptoptas in zijn hand. [verbalisant 2] ziet dat de bijrijder met de tas tussen de geparkeerde auto’s uit beeld verdwijnt. Hij ziet vervolgens dat de bijrijder terugkomt bij de zwarte Volkswagen Golf. Hij heeft dan geen tas meer in zijn handen. Omstreeks 19:29 uur verlaat de Volkswagen Golf de parkeergarage. De Volkswagen Golf is voorzien van kenteken [kenteken]. Op de beelden ziet verbalisant voorts dat één van de twee verdachten omstreeks 19:27 uur bij betaalautomaat BA1 afrekent. Deze persoon is gekleed in een vest, waarvan de voorzijde zwart van kleur is en de achterzijde beige, voorzien van een zwarte capuchon. De persoon heeft een Noord-Afrikaans uiterlijk en zwart opgeschoren haar.

Op aanwijzingen van verbalisant [verbalisant 1] begeeft verbalisant [verbalisant 3] zich naar de auto die zou zijn opengebroken in de parkeergarage Stadhuisplein te Amersfoort. [verbalisant 2] ziet op parkeerdek -1 een zilver/grijze Volkswagen Golf staan, voorzien van kenteken [kenteken], waarvan een ruit van de linker achterdeur was ingeslagen. Helemaal aan de andere kant van het parkeerdek ziet hij een laptoptas staan achter een pilaar. De laptoptas stond op dezelfde plek als de plek waar de verdachte op de videobeelden een tas achterliet.

Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 1] de beelden van parkeergarage Stadhuisplein te Amersfoort teruggekeken. Hij bekeek de beelden van alle in- en uitgangen van de parkeergarage vanaf het moment dat aangever zijn personenauto in de parkeergarage parkeerde, te weten omstreeks 19:05:20 uur tot het moment dat collega [verbalisant 2] bij de auto van aangever aankomt en constateert dat deze is opengebroken, te weten omstreeks 19:33:47 uur. [verbalisant 2] heeft gerelateerd dat alle personen die de parkeergarage binnen gingen tussen deze twee momenten door hem te volgen waren via de beveiligingscamera’s. Hij zag dat geen van deze personen op het parkeerdek is geweest waar de personenauto van aangever stond.

Uit nader onderzoek naar de Volkswagen Golf, voorzien van kenteken [kenteken] is gebleken dat deze auto door verhuurbedrijf Flevocars te Almere, op 1 maart 2011 verhuurd is aan [verdachte], geboren op [1989].

[verbalisant 2] heeft verdachte herkend op de beelden van parkeergarage Stadhuisplein te Amersfoort. Op foto 7: BA1 d.d. 2 maart 2011 om 19:27:27 en 19:27:28 herkent hij voor 100% verdachte. Hij heeft verdachte herkend, omdat hij als wijkagent meerdere malen met verdachte heeft gesproken. Daardoor herkent hij verdachte aan de vorm van zijn gezicht, haar, haardracht, neus en zijn postuur.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het aan hem ten laste gelegde feit heeft begaan.

Aanvullende bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1

Het live meekijken met de beveiligingscamera’s

Door de raadsman is aangevoerd dat het live meekijken met de beveiligingscamera’s onrechtmatig is en een inbreuk maakt op de privacy van verdachte. Derhalve dienen de bevindingen van de verbalisanten die tot stand zijn gekomen door het live meekijken met de beveiligingscamera’s, van het bewijs uitgesloten te worden, aldus de raadsman. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad van 21 december 2008, BL7688.

De rechtbank verstaat het verweer van de raadsman als zijnde gericht op artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering. Op basis van dat artikel kan de officier van justitie, in het belang van het onderzoek, van degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen of vastgelegde gegevens, vorderen deze gegevens te verstrekken.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering inderdaad van toepassing is. Door de verbalisant is eerst live meegekeken met de beveiligingscamera’s. Daarna heeft de verbalisant de beelden teruggekeken en hiervan een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Niet is uit het dossier gebleken dat de beelden zomaar, uit eigen beweging, aan de politie zijn verstrekt door de eigena(a)r(en) van de parkeergarage.

De vraag waar de rechtbank zich vervolgens voor gesteld ziet is of het live meekijken met de beveiligingscamera’s, zonder een daartoe strekkende vordering van de officier van justitie, een vormverzuim oplevert dat moet leiden tot bewijsuitsluiting in de zin van artikel 359a, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.

Allereerst wijst de rechtbank op de uitspraak van de Hoge Raad van 21 december 2008, BL7688, waarnaar door de raadsman is verwezen. Hieruit volgt immers dat een verweer dat de privacy van verdachte is geschonden als gebruik is gemaakt van beelden die zijn verkregen zonder dat daaraan voorafgaande een vordering als bedoeld in artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering is ingediend, moet worden aangemerkt als een beroep op schending van het in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dit levert echter niet zonder meer een inbreuk op de in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens vervatte waarborg van een eerlijk proces op. Voorts heeft de Hoge Raad in deze uitspraak overwogen dat het bij bewijsuitsluiting gaat om een bevoegdheid van de rechter, waarvan de uitoefening in de eerste plaats moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van artikel 359a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en van de omstandigheden van het geval.

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat, voor zover er vormen zijn verzuimd doordat geen vordering is gedaan als bedoeld in artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, welke vormen niet meer kunnen worden hersteld, dit verzuim niet van dien aard is dat daarop de sanctie van bewijsuitsluiting dient te staan. Met de constatering van dit verzuim kan worden volstaan. In dit verband merkt de rechtbank op dat de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 2 maart 2011 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto merk

Volkswagen Golf heeft weggenomen een aktentas merk Samsonite, toebehorende [aangever], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik hebben gebracht door middel van verbreking van een ruit van die personenauto.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling te kunnen komen.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie te fors is en gematigd dient te worden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met zijn mededader ingebroken in een auto en daaruit een aktetas weggenomen. Verdachte heeft er kennelijk niet bij stilgestaan dat een dergelijk delict, waarbij een autoruit wordt ingeslagen en een goed wordt weggenomen, voor de benadeelde partij ernstige hinder, overlast en financiële schade met zich meebrengt. Kennelijk heeft verdachte zijn eigen financieel gewin vooropgesteld en geen rekening gehouden met de nadelige gevolgen die zijn handelen heeft voor de benadeelde partij.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 22 maart 2011, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

Verdachte heeft geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Gelet op de in vergelijkbare gevallen opgelegde straffen zal de rechtbank een iets lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

De voorlopige hechtenis van verdachte is bij afzonderlijke beslissing al opgeheven.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door, mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, en mr. H.A. Brouwer en mr. Z.J. Oosting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 mei 2011.