Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9601

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
29-06-2011
Zaaknummer
16/712201-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal van geld door middel van gestolen pinpas

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/712201-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

blijkens het uittreksel van de gemeentelijks basisadministratie zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, doch blijkens het dossier wonende te [adres], [woonplaats].

Raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 22 september 2010 tot en met 23 september 2010 al dan niet samen met een ander in Utrecht geld heeft gestolen van [benadeelde 1] door gebruik te maken van een gestolen pinpas.

Feit 2, primair: op 22 september 2010 al dan niet samen met een ander in Utrecht de portemonnee met inhoud van [benadeelde 1] heeft gestolen.

Feit 2, subsidiair: in de periode van 22 september 2010 tot en met 23 september 2010 in Utrecht een pinpas heeft geheeld.

Feit 3:in de periode van 24 september 2010 tot en met 25 september 2010 al dan niet samen met een ander in Utrecht geld heeft gestolen van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] door gebruik te maken van een gestolen pinpas.

Feit 4, primair op 24 september 2010 al dan niet samen met een ander in Utrecht de portemonnee met inhoud van [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] heeft gestolen.

Feit 4, subsidiair: in de periode van 24 september 2010 tot en met 25 september 2010 in Utrecht een pinpas heeft geheeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 1 (ten aanzien van de pintransactie op 22 september 2010 bij de Rabobank te Utrecht) en feit 2 subsidiair aan haar is ten laste gelegd, heeft begaan. Ten aanzien van de feiten 2 primair en 3 en 4 primair en subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling voor deze feiten te kunnen komen, zodat de verdachte van die feiten dient te worden vrijgesproken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en verzoekt de verdachte integraal vrij te spreken.

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie dat verdachte in ieder geval vrij dient te worden gesproken van hetgeen onder feit 3 en 4 aan haar is ten laste gelegd, omdat de beelden die ten aanzien van deze feiten in het dossier zijn opgenomen, niet te herleiden zijn tot de ten laste gelegde periode/pleegdatum.

Ten aanzien van hetgeen onder feit 1 en 2 aan verdachte is ten laste gelegde, heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring van deze feiten te kunnen komen. De foto’s die in het dossier zitten zijn van onvoldoende kwaliteit om daarop een herkenning van verdachte te kunnen baseren.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De vrijspraak van de feiten 2 primair, 3 en 4

a. feit 2 primair:

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de portemonnee met daarin de pinpas, toebehorende aan [benadeelde 1], heeft gestolen. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit volgt dat het verdachte is geweest die deze goederen heeft weggenomen uit de tas van [benadeelde 1]. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

b. feit 4 primair:

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de portemonnee met daarin de pinpas, toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3], heeft gestolen. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit volgt dat het verdachte is geweest die deze goederen heeft weggenomen uit de tas van [benadeelde 2]. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het onder 4 primair ten laste gelegde.

c. feiten 3 en 4 subsidiair:

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling ten aanzien van de feiten 3 en 4 subsidiair te kunnen komen.

Op 24 september 2010 is met de gestolen pinpas op naam van [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] een drietal aankopen gedaan bij Brouwers Mode te Nieuwegein.

In het dossier bevinden zich prints van de camerabeelden van Brouwers Mode te Nieuwegein waarop te zien is dat een vrouw bij de kassa goederen afrekent. Door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is de persoon op deze beelden herkend, als zijnde verdachte. Echter, niet kan worden vastgesteld van welke datum en tijdstip deze prints van de camerabeelden zijn. Derhalve kan niet worden vastgesteld of de persoon die te zien is op deze beelden, dezelfde persoon is die bij Brouwers Mode te Nieuwegein aankopen heeft verricht door gebruik te maken van de pinpas toebehorende aan [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en derhalve deze pinpas voorhanden heeft gehad.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van hetgeen onder feit 3 en feit 4 subsidiair is ten laste gelegd, dient te worden vrijgesproken.

4.3.2 Ten aanzien van de feiten 1 en 2 subsidiair

De verklaring van verdachte

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij gedurende de ten laste gelegde periode diverse malen goederen heeft gestolen, zoals boodschappen. Zij ontkent echter de ten laste gelegde feiten te hebben gepleegd.

De aangifte van [benadeelde 1]

Aangeefster [benadeelde 1] heeft verklaard dat zij op 22 september 2010 in een schoenenwinkel te Utrecht is geweest en vervolgens naar een café te Utrecht is gegaan. Op 23 september 2010 kwam zij er thuis achter dat haar portemonnee niet meer in haar schoudertas zat. Hierop heeft zij direct haar bankpas van de Rabobank, behorende bij rekeningnummer [rekeningnummer], geblokkeerd. Op 24 september 2010 constateerde zij dat er op 22 september meerdere keren geld van haar rekening was gehaald. Zo werd op 22 september 2010 omstreeks 18.23 uur een bedrag van € 230,00 gepind bij de ABN AMRO Bank te Utrecht. Omstreeks 18.25 uur werd een bedrag van € 1.000,00 van haar rekening opgenomen bij de Rabobank te Utrecht. Vervolgens werd omstreeks 18.33 uur er voor een bedrag van € 21,55 gepind bij de Primera te Utrecht en omstreeks 18.34 uur nogmaals voor een bedrag van

€ 27,00. Omstreeks 18.44 uur en 18.58 uur werden bedragen van € 309,47 respectievelijk

€ 176,82 gepind bij de Jack en Jones te Utrecht. Als laatste werd op 22 september 2010 omstreeks 19.09 uur voor € 2.000,00 gepind bij EMMEK te Utrecht.

Gelet op de wederrechtelijke pintransacties die op 22 september 2010 zijn gepleegd met de pinpas van de aangeefster, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de pas in ieder geval op deze datum is ontvreemd.

Bevindingen ten aanzien van de camerabeelden

Door de Rabobank Utrecht werden de camerabeelden van de pinautomaat aan de Lange Viestraat te Utrecht ter beschikking gesteld, waarop te zien was dat op 22 september 2010 omstreeks 18.25 uur met de pinpas van aangeefster € 1.000,00 was gepind. De beelden zijn gepubliceerd op het interne regionale politienet en door verbalisant [verbalisant 1] werd de vrouw die te zien is op deze beelden herkend als zijnde verdachte. Hij herkent de verdachte omdat hij bij de uitoefening van zijn ambt veelvuldig met haar in contact is geweest. Hij heeft haar herkend aan haar gezicht, haar haardracht, lichaamshouding en postuur.

Waarneming ter terechtzitting

Ter terechtzitting heeft de rechtbank de verdachte verzocht naar voren te treden en gelijk de vrouw op de afbeelding op pagina 62 van het dossier (zijnde een print van de camerabeelden van de pinautomaat aan de Lange Viestraat te Utrecht d.d. 22 september 2010) naar rechts te kijken. Hierbij heeft de rechtbank waargenomen dat bij verdachte eenzelfde frons op haar voorhoofd is te zien als bij de persoon op de bedoelde foto. Tevens is bij verdachte een pukkeltje/moedervlek te zien op haar rechterwang hetgeen overeenkomt met het ‘pukkeltje’ dat bij de persoon op deze foto is te zien.

De rechtbank stelt derhalve vast dat de verdachte grote gelijkenis vertoont met de persoon die op de foto’s staat afgebeeld en die door verbalisant [verbalisant 1] is herkend als zijnde de verdachte.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

4.3.3. Aanvullende bewijsoverweging

Ten aanzien van de periode

Op de camerabeelden van de Rabobank aan de Lange Viestraat van 22 september 2010 is verdachte door zowel de rechtbank, als door verbalisant [verbalisant 1] herkend. Omstreeks het tijdstip van deze opname werd met de pinpas van aangeefster € 1.000,00 gepind. Kort hiervoor, omstreeks 18.23 uur, werd eveneens met de pinpas van aangeefster geld opgenomen. Ook kort na het tijdstip van de opname van de camerabeelden werd een aantal keren met de pinpas van aangeefster gepind. In totaal werd er zeven keer gepind in een tijdsbestek van 46 minuten (van 18.23 uur tot 19.09 uur).

Gelet op de vele pintransacties binnen dit korte tijdsbestek, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat iemand anders dan verdachte hiervoor verantwoordelijk kan worden gehouden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte meerdere keren op 22 september 2010 met de pinpas van

[benadeelde 1] heeft gepind en in totaal een bedrag van € 3.784,84 van haar bankrekening heeft weggenomen.

De persoon die zichtbaar is op de camerabeelden, zoals die zich in het dossier bevinden met betrekking tot de pintransacties enkele uren later op 23 september 2010, is onherkenbaar. Derhalve kan verdachte niet aan deze diefstallen worden gelinkt en zullen deze niet bij de bewezen verklaring worden meegenomen.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte, door te pinnen met een pinpas die niet aan haar toebehoort, zich tevens schuldig heeft gemaakt aan opzetheling.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1.

zij op tijdstippen op 22 september 2010 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen telkens geldbedragen toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij verdachte de weg te nemen goederen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen pinpas waarmee zij, verdachte, telkens gepind heeft;

2.

Subsidiair

zij op 22 september 2010 te Utrecht, een pinpas voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het voorhanden krijgen van die pinpas wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Feit 2, subsidiair: Opzetheling

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen:

- dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet verdachte zich binnen 7 dagen volgend op de detentie melden bij Stichting Reclassering Nederland te Utrecht, op het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet zij zich blijven melden zo frequent als de Stichting Reclassering dit nodig acht;

- dat verdachte moet deelnemen aan de gedragsinterventie Cognitive vaardigheidstraining;

- dat verdachte moet meewerken aan diagnostiek en zich moet laten behandelen;

- dat verdachte wordt verplicht om in Stichting Exodus of RIBW instelling te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering opstelt.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in een kort tijdsbestek, met een pinpas die zij voorhanden had en waarvan zij wist dat die gestolen was, een aanzienlijk geldbedrag van de rekening van [benadeelde 1] opgenomen. Verdachte heeft puur gehandeld met het oog op haar eigen financiële gewin. Verdachte heeft geen moment stil gestaan bij de hinder, overlast en financiële schade die de benadeelde partij van haar handelen ondervindt.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van A. Akollo, opgemaakt d.d. 11 mei 2011, waarin staat dat verdachte gemotiveerd is alle hulp te ontvangen die zij kan krijgen. De kans op recidive wordt hoog ingeschat, daar verdachte geen zelfstandige huisvesting heeft, geen inkomen en analfabeet is. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat zij graag hulp van de reclassering ontvangt om een beter mens te worden en een goed voorbeeld te kunnen zijn voor haar kinderen.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het strafblad van verdachte d.d. 10 mei 2011, waaruit blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld wegens gekwalificeerde diefstal.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie, gelet op de straffen die gebruikelijk worden opgelegd wegens heling en gekwalificeerde diefstal, meermalen gepleegd. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

De op te leggen straf is hoger dan de gevorderde straf omdat de rechtbank komt tot bewezenverklaring van meer transacties dan de officier van justitie.

De voorlopige hechtenis van verdachte is met onmiddellijke ingang ter terechtzitting d.d. 23 mei 2011 opgeheven.

7 De benadeelde partijen

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe te wijzen tot een bedrag van € 1.000,00 en voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren.

Wat betreft de vordering van [benadeelde 2] heeft de officier van justitie gevorderd deze niet-ontvankelijk te verklaren, daar hij vrijspraak heeft geëist voor de feiten waarop deze vordering betrekking heeft.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat zowel de vordering van [benadeelde 1], als de vordering van

[benadeelde 2] niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten een totaalbedrag van € 4.360,84, ter zake materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat van het gevorderde schadebedrag, een bedrag van € 3.784,84 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Van het gevorderde bedrag voor materiële schade acht de rechtbank een bedrag van € 576,00 terzake de pintransacties op 23 september 2010 niet toewijsbaar omdat verdachte voor deze pintransacties niet wordt veroordeeld. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De vordering van [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten, te weten een totaalbedrag van € 3.875,00, ter zake materiële schade.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 Het beslag

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het beslag verzoekt de officier van justitie de Cd-Rom met goednummer PL09100-2010231558-304130 en de voicemailmelder met goednummer PL0910-2010231558-304131 te retourneren aan de rechthebbende.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen het verzoek van de officier van justitie aangaande de inbeslaggenomen voorwerpen.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

8.3.1 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen, aangezien thans niemand als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 primair, 3 en 4 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder haar bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Feit 2, subsidiair: Opzetheling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet verdachte zich binnen 7 dagen na onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij Stichting Reclassering Nederland te Utrecht, op het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht. Hierna moet zij zich blijven melden zo frequent als de Stichting Reclassering dit nodig acht;

* dat verdachte moet deelnemen aan de gedragsinterventie Cognitive vaardigheidstraining;

* dat verdachte moet meewerken aan diagnostiek en zich moet laten behandelen;

* dat verdachte wordt verplicht om in Stichting Exodus of RIBW instelling te verblijven en zich te houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering opstelt.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 3.784,84 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[benadeelde 1], € 3.784,84 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 47 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Beslag

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:

1) Cd-Rom met goednummer PL09100-2010231558-304130 V

2) Voicemailmelder met goednummer PL0910-2010231558-304131

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. P.L.C.M. Ficq en mr. N. van der Velden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 juni 2011.

Mr. N. van der Velden is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.