Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9530

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-04-2011
Datum publicatie
28-06-2011
Zaaknummer
16/131664-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van openlijke geweldpleging. Niet kan worden vastgesteld welke personen een significante bijdrage hebben geleverd aan het toegepaste geweld. Veroordeling voor opruiing en eenvoudige belediging tot een werkstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/131664-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 april 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.J. van de Beek, advocaat te Enschede.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 april 2011. Verdachte is in verband met de noodzaak om op zijn werk aanwezig te zijn niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde];

Feit 2: anderen heeft aangezet tot een strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen de politie;

Feit 3: een ambtenaar van politie heeft beledigd met de woorden “teringlijers en/of kankerhonden”.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en zij vordert verdachte van dat feit vrij te spreken. De officier van justitie vordert daarom voorts de door de benadeelde partij [benadeelde] ingediende vordering tot schadevergoeding af te wijzen.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] en op de verklaring van verdachte bij de politie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1. De verdediging verzoekt om verdachte van dit feit vrij te spreken. De rechtbank kan wel tot een bewezenverklaring komen van feit 2 en feit 3, aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1:

De rechtbank overweegt dat aangever [benadeelde] verklaart dat hij door een groep jongeren is geslagen en geschopt. Uit de medische verklaring ten aanzien van [benadeelde] kan ook worden opgemaakt dat er geweld tegen hem is gebruikt. Op basis van de inhoud van de verklaringen van medeverdachten en getuigen in het dossier kan echter niet worden vastgesteld welke personen dit geweld jegens [benadeelde] hebben toegepast, althans welke personen een voldoende significante bijdrage aan dit geweld hebben geleverd. De rechtbank kan dientengevolge niet vaststellen dat verdachte bij de openlijke geweldpleging tegen aangever [benadeelde] betrokken is geweest. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook van dit feit vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 2 en feit 3:

Verbalisant [verbalisant 1], hoofdagent van politie, district Rijn en Venen, relateert in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat hij op 5 juli 2009 in motoruniform op een herkenbare motorfiets reed. [verbalisant 1] kreeg de opdracht om te gaan naar de [adres] te [woonplaats] , gemeente De Ronde Venen. Ter plaatse waren er meerdere personen die de openbare orde verstoorden en die luidkeels liepen te schreeuwen. Een persoon zat op de grond. Hij wees naar de woning met perceelnummer [nummer]. [verbalisant 1] hoorde deze persoon met luide stem en op een niet mis te verstane wijze zeggen: “Als ze hem niet aanhouden dan steek ik het hele blok in de brand! Jullie moeten hem aanhouden anders pakken wij ze!” [verbalisant 1] zag dat de persoon om zich heen keek kennelijk om medestanders te vinden die hem zouden bijvallen. De persoon zei nogmaals: “Als ze hem niet aanhouden dan steek ik de hele blok in de brand! Jullie moeten hem aanhouden anders pakken wij ze! Teringlijers! Kankerhonden!” [verbalisant 1] voelde zich door deze woorden in zijn goede naam en eer aangetast als politieagent en hij voelde zich beledigd. [verbalisant 1] zag dat er vervolgens meerdere personen de zijde van de woning opliepen en kennelijk gehoor gaven aan de opruiende teksten van deze persoon. Toen [verbalisant 1] de persoon van de opruiende en beledigende teksten aanwees herkende zijn collega [verbalisant 2] deze persoon als [verdachte].

Verdachte verklaarde bij de politie dat hij ongetwijfeld iets had geschreeuwd en dingen had gezegd. Over het feit dat een politieagent had gezien en gehoord dat hij had gezegd “als ze hem niet aanhouden dan steek ik de hele blok in de brand! Jullie moeten hem aanhouden anders pakken wij ze” verklaarde verdachte dat het best zou kunnen zijn dat hij zoiets had geschreeuwd.

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in het openbaar mondeling tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen de politie heeft opgeruid alsmede dat verdachte met de woorden ‘teringlijers en kankerhonden’ verbalisant [verbalisant 1] heeft beledigd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

op 05 juli 2009 te [woonplaats], gemeente De Ronde Venen, in het openbaar mondeling tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, immers heeft verdachte toen daar geschreeuwd dat als zij, de politie hem, zijnde [benadeelde] “niet aanhouden dan steek ik het hele blok in brand, jullie moeten hem aanhouden anders pakken we hem”;

3.

hij op 05 juli 2009 te [woonplaats], gemeente De Ronde Venen, opzettelijk beledigend een

ambtenaar, te weten [verbalisant 1], hoofdagent van politie Utrecht, district

Rijn en Venen, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van

zijn bediening, zijnde de opvallende motorsurveillance in diens

tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden ‘teringlijers en

kankerhonden’.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 2:

Het in het openbaar, mondeling opruien tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag.

Ten aanzien van feit 3:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 50 uur subsidiair 25 dagen hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening moet worden gehouden de omstandigheden waaronder verdachte de feiten heeft gepleegd. Verdachte was gefrustreerd door wat zijn vrienden was aangedaan. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en het feit dat de zaak bijna twee jaar oud is. Gelet hierop dient met een geheel voorwaardelijke straf te worden volstaan, aldus de verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan twee strafbare feiten. Door omstanders aan te zetten tot strafbare feiten dan wel tot agressie tegen de politie heeft verdachte de door de politie te handhaven openbare orde verstoord. Verdachte heeft daarbij een politieagent beledigd met de woorden ‘teringlijers en kankerhonden’, woorden die de rechtbank als ernstig beschouwd. Verdachte heeft hiermee de politieagent ook in zijn eer en goede naam aangetast.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte de bewezenverklaarde feiten bijna twee jaar geleden heeft gepleegd.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 januari 2011 volgt dat verdachte op 14 december 2009 nog is veroordeeld voor openlijke geweldpleging tot een werkstraf van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis. Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan misdrijven voor 14 december 2009 gepleegd. Na het plegen van de onderhavige bewezen verklaarde feiten is verdachte niet meer met justitie in aanraking geweest.

Verdachte heeft bij de politie niet ontkend de feiten te hebben gepleegd. Verdachte neemt hiermee naar het oordeel van de rechtbank grotendeels zijn verantwoordelijkheid voor het gebeuren in de nacht van 5 juli 2009. De rechtbank houdt rekening met het feit dat blijkens het dossier een vriend van verdachte met een hamer op zijn hoofd was geslagen en bloedend op de grond lag, waarna verdachte uit woede en frustratie tot genoemde feiten is gekomen.

Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf een passende straf is. De rechtbank zal verdachte een werkstraf voor de duur van 30 uur opleggen. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte tot de feiten is gekomen is de rechtbank van oordeel dat met de deze straf, die lager is dan door de officier van justitie gevorderd, kan worden volstaan.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 1.959,66 voor feit 1.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan.

De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 131, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2: Het in het openbaar, mondeling opruien tot enig strafbaar feit of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag;

feit 3: Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 30 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. L.E. Verschoor-Bergsma en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 april 2011.

Mr. M.C. Oostendorp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.