Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ9136

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
23-06-2011
Zaaknummer
16/600193-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard, door de gevolgen voor verdachte sprake van voldoende genoegdoening aan de benadeelde partij, daardoor geen ruimte voor toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600193-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. P.J.M. van Galen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaring van aangever, de verklaring van getuige [getuige] en de bevindingen van de politie. De officier van justitie heeft betoogd dat op basis van de verklaringen van aangever en getuige [getuige] bewezen kan worden verklaard dat verdachte één mes in zijn hand had.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit kan komen en wijst daarbij met name op de ontkennende verklaring van verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring als volgt:

Aangever [slachtoffer] verklaarde bij de politie dat hij zich op 24 februari 2011 in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] bevond. Hij zag door het raam dat zijn overbuurman van nummer [nummer] meerdere malen langs zijn woning liep en hij hoorde dat zijn overbuurman hem meerdere malen uitschold. Aangever is naar buiten gelopen. Hij hoorde de overbuurman zeggen dat hij hem dood zou maken en dat hij hem zou gaan neersteken. De overbuurman liep hierop zijn woning in en kwam nog geen vijf seconden later met twee messen zijn woning uitrennen in de richting van aangever. Hij schreeuwde daarbij “ik maak je kapot, ik steek je neer”. Hij hield beide handen met daarin de messen boven zijn hoofd met de punt in de richting van aangever gericht. Aangever stond te beven op zijn benen en was in de veronderstelling dat de overbuurman hem dood zou steken.

Getuige [getuige] verklaarde bij de politie dat zij in de [adres] zag dat de dader en [slachtoffer]van nummer [nummer] aan het schreeuwen en schelden waren tegen elkaar. De dader draaide zich om, liep de hal van nummer [nummer] in en kwam direct de woning weer uitlopen met een mes in zijn hand. De man liep met het mes in zijn opgeheven hand in de richting van de woning aan de [adres].

De politie zag ter plaatse een man in de deuropening van de woning aan de [adres] staan. De man wilde steeds in de richting van de bewoner van nummer [nummer] lopen en hij schreeuwde in de richting van die bewoner woorden als “kom maar op, nu durf je wel, ik maak je kapot”. Zijn verbale geweld richting de woning [adres] ging door.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij al langere tijd problemen heeft met aangever [slachtoffer] van [adres], dat er op 24 februari 2011 een confrontatie tussen hem en [slachtoffer] had plaatsgevonden en dat hij bij die confrontatie had gescholden tegen [slachtoffer].

Op basis van de hiervoor weergeven bewijsmiddelen, waarbij bijzonder gewicht wordt toegekend aan genoemde verklaringen van aangever en de getuige [getuige] acht de rechtbank echter niet alleen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever verbaal heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, maar ook dat verdachte daarbij één mes in de richting van aangever heeft gehouden.

Nu de verklaring van aangever dat verdachte met het mes stekende bewegingen in zijn richting maakte niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmateriaal zal de rechtbank verdachte van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 24 februari 2011 te Utrecht [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk

- voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd : "ik maak je dood" en/of

"ik steek je neer", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking en

- daarbij één mes gehouden in de richting van die [slachtoffer].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door drs. S.J. Hogerzeil, psychiater, die op 14 april 2011 een rapport heeft uitgebracht.

De psychiater heeft bij verdachte een chronisch psychotische stoornis vastgesteld in combinatie met cannabisafhankelijkheid. Ten tijde van het ten laste gelegde feit was verdachte psychotisch. Het tenlastegelegde kan gezien worden als voortkomend uit een chronische psychose welke tot op heden onvoldoende is behandeld. Het beloop werd ongunstig beïnvloed door het treiterende gedrag van aangever. Zowel de waarneming en de interpretatie van het gedrag van zijn buurtgenoten evenals zijn logisch denkvermogen en zijn gevoelsleven werden volledig ingegeven door zijn psychose. Zijn emotionele reacties op de gebeurtenissen zijn consistent met zijn psychotische interpretatie van de situatie. De fysieke en verbale bedreigingen zijn daarentegen slechts gedeeltelijk bepaald door zijn psychose en werden voor een groot deel ingegeven door het levensmotto “niet met zich laten sollen”. De psychiater adviseert om verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusie van de psychiater over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier weken waarvan vijftien dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar. De officier van justitie heeft voorts gevorderd om verplicht reclasseringscontact, ook als dat een ambulante behandeling inhoudt, een locatieverbod voor de [adres] in [woonplaats] en een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] als bijzondere voorwaarden op te leggen.

Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd de door de benadeelde partij ingediende vordering tot schadevergoeding gedeeltelijk toe te wijzen tot het in deze zaak redelijke bedrag van € 500,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de straf aansluiting moet worden gezocht bij de bevindingen en het advies van de reclassering en dat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte volgens de psychiater sterk verminderd toerekeningsvatbaar was en met het blanco strafblad van verdachte. De verdediging heeft voorts verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, omdat verdachte zich door het gebeuren al gedwongen heeft gevoeld om te verhuizen en verdachte zelf ook door aangever is bedreigd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van het slachtoffer, waarbij hij naast verbale bedreigingen ook een mes in de richting van het slachtoffer gehouden. Uit de verklaringen in het dossier en de bevindingen van de politie blijkt dat verdachte zeer agressief is geweest en dat hij op straat behoorlijk door het lint is gegaan tegen het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort feiten (en omstanders) nog lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid kunnen ervaren. Zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring geldt dat ook voor het onderhavige slachtoffer. Daarnaast is het strafbare gedrag van verdachte voor andere mensen zichtbaar geweest nu dit op de openbare weg heeft plaatsgevonden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 11 april 2011 volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor het plegen van strafbare feiten.

De psychiater concludeert in zijn rapport dat de bij verdachte geconstateerde stoornis wordt gekenmerkt door recidiverende psychotische episoden. Wanneer verdachte zich onder behandeling zou stellen van de GGZ en zou verhuizen naar een rustigere buurt is de kans op recidive vrij laag. Omdat verdachte aangeeft zich open te willen stellen voor een behandeling worden, ook al heeft verdachte nog geen ziektebesef, de veranderings-capaciteiten vrij gunstig ingeschat. Ter verlaging van de kans op recidive adviseert de psychiater om verdachte bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarde onder toezicht van de reclassering te plaatsen. De reclassering kan verdachte toeleiden naar reguliere ambulante behandelprogramma’s voor psychotische stoornissen, zoals die worden aangeboden door GGZ Altrecht.

De reclassering kan tevens zorg dragen voor praktische ondersteuning op diverse leefgebieden. Gezien de beperkte motivatie bij verdachte vindt de psychiater het van belang dat de voorwaardelijke detentie een stevige stok achter de deur vormt voor verdachte, wil hij succesvol begeleid worden.

Uit het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland van 11 april 2011, opgemaakt door J. Mertens, reclasseringswerker, volgt dat het ontbreken van ziekte-inzicht, de gesloten houding van verdachte en het gebrek aan motivatie voor behandeling en medicatiegebruik risicofactoren zijn voor recidive. Mogelijk verergeren de drugs zijn psychiatrische klachten en daarmee zijn achterdocht. Wanneer verdachte behandeling accepteert en zijn medicatie trouw blijft nemen zal vermoedelijk de kans op recidive afnemen of verdwijnen. Het risico op onttrekken aan de voorwaarden wordt hoog ingeschat. Verdachte ontkent zijn problemen en wil eigenlijk geen hulp aanvaarden. Er zal extra inzet en mogelijk drang aan te pas moeten komen om verdachte zich aan de voorwaarden te laten houden. De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van Centrum Maliebaan en dat verdachte zich (ambulant) laat behandelen en begeleiden door het OGGZ team van Altrecht.

Mevrouw Mertens, als reclasseringswerker verbonden aan Centrum Maliebaan, heeft ter terechtzitting aangegeven dat verdachte zijn afspraken nakomt en dat hij de hem geboden hulp accepteert. Wel is merkbaar dat verdachte de reden waarom hij nu begeleiding krijgt

onterecht vindt. De woningruil is inmiddels afgerond en verdachte kan gaan verhuizen. Het enige probleem daarbij is dat verdachte in het kader van het locatieverbod niet bij zijn woning aan de [adres] mag komen en zijn spullen dus niet kan ophalen.

Mevrouw Mertens heeft voorts aangegeven dat het niet duidelijk is of verdachte zijn medicatie goed inneemt. In dat kader zal de bloedspiegel van verdachte moeten worden gecontroleerd. Als verdachte naar een andere buurt is verhuisd en trouw zijn medicatie inneemt, kan met een ambulante behandeling worden volstaan, aldus mevrouw Mertens.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel wat hulp kan gebruiken en dat hij aan behandeling en begeleiding wil meewerken als dat nodig wordt geacht. Hij vindt echter de reden waarom hem dit nu wordt opgelegd onterecht.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke straf onder de door de reclassering gestelde bijzondere voorwaarden, noodzakelijk is om het gevaar voor recidive te verminderen. Hoewel mevrouw Mertens niet heeft geadviseerd om het meewerken aan controles als bijzondere voorwaarde op te nemen, ziet de rechtbank deze noodzaak wel omdat het van belang is om er zicht op te houden dat verdachte de noodzakelijke medicatie inneemt. Onder de bijzondere voorwaarden wordt daarom ook de verplichting opgenomen dat verdacht meewerkt aan controles op het gebruik van medicatie. Voorts krijgt hij een locatieverbod en contactverbod opgelegd. Gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit en de bevindingen van de psychiater en de reclassering dat er een stevige stok achter de deur nodig is om verdachte zich aan de voorwaarden te laten houden, legt de rechtbank een hogere straf op dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen waarvan 47 dagen voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het locatieverbod na uitdrukkelijk vooraf gegeven toestemming van de officier van justitie tijdelijk kan worden opgeheven, zodat verdachte zijn spullen kan verhuizen vanuit de [adres] naar zijn nieuwe woning.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 825,00 voor het bewezen verklaarde feit ter zake van immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ook zelf een aandeel heeft aan de escalatie op 24 februari 2011, nu de benadeelde partij en verdachte al geruime tijd problemen met elkaar hadden en de benadeelde partij die dag zelf naar buiten is gegaan en de confrontatie met verdachte heeft gezocht. Daar komt bij dat uit het vonnis van heden voortvloeit dat verdachte door het locatieverbod en het contactverbod niet meer bij aangever in de buurt mag/kan komen, gebleken is dat verdachte na het gebeuren ook niet meer in de buurt van aangever is geweest en dat verdachte door het gebeuren heeft moeten verhuizen. De woningruil is inmiddels tot stand gekomen en verdachte hoeft alleen nog maar zijn spullen te verhuizen.

Dit alles leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat er sprake is van voldoende genoegdoening aan de benadeelde partij en dat er geen ruimte meer is voor toewijzing van de vordering tot schadevergoeding. De rechtbank acht de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan, ook als dat inhoudt dat verdachte een ambulante behandeling moet volgen bij Altrecht of een soortgelijke instelling en ook als dat inhoudt dat verdachte moet meewerken aan controles op zijn gebruik van medicijnen;

* dat verdachte behoudens hem daartoe vooraf verleende toestemming door de officier van justitie zich op geen enkel moment zal begeven naar of zich zal bevinden in de [adres] te [woonplaats];

* dat verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen met het slachtoffer [slachtoffer];

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- heft op het reeds geschorste bevel tot bewaring van verdachte met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juni 2011.

Mr. Kuijer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.