Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8982

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-05-2011
Datum publicatie
22-06-2011
Zaaknummer
16/600907-10; 16/600175-10 (vordering tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaartt dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1: subsidiair: mishandeling

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 3: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden

Feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/600907-10; 16/600175-10 (vordering tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 mei 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

Raadsman mr. C.A. Jonkers, advocaat te [woonplaats].

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel haar heeft mishandeld;

feit 2: twee agenten heeft bedreigd,

feit 3: [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd;

feit 4: goederen van [slachtoffer] heeft vernield.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling, met uitzondering van het gedeelte dat ziet op het steken en/of prikken met een schaar in het been van die [slachtoffer]. De officier van justitie heeft een vrijspraak gevorderd voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Voorts acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 2, 3 en 4 ten laste is gelegd, te weten het bedreigen van (hoofd)agenten [agent 1] en [agent 2] van de politie, de vrijheidsberoving van [slachtoffer] en het vernielen van goederen van [slachtoffer].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten en heeft hiervoor een vrijspraak bepleit. De raadsman is van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 12 september 2010 heeft aangeefster [slachtoffer] bij de politie verklaard dat zij op 12 september 2010 in de woning van verdachte te [woonplaats] door verdachte meermalen, te weten tien tot vijftien keer, in het gezicht is geslagen met gebalde vuist en platte hand en dat zij hierdoor hevige pijnscheut voelde op het voorhoofd, net boven haar linkeroog. Vervolgens verklaart de aangeefster dat verdachte haar tegen haar rechterschouder trapte met ongeschoeide voet en dat zij hierop een hevige pijnscheut voelde in deze schouder. Voorts heeft verdachte haar met beide benen geschopt en getrapt, ongeveer drie maal. Verdachte heeft daarna een schaar gepakt en deze geopend en op haar been gedrukt. De aangeefster vermoedt dat verdachte haar ook een trap heeft gegeven tegen haar stuitje, aangezien hij achter haar liep en zij plotseling een hevige pijnscheut voelde net boven haar stuitje. Verdachte heeft daarna een elektriciteitssnoer gepakt en heeft haar hiermee een keer of drie geslagen.

In het dossier bevindt zich een geneeskundige verklaring van huisarts Van Dop, waaruit blijkt dat het slachtoffer [slachtoffer] op 12 september 2010 onderzocht is. Uit deze verklaring blijkt dat [slachtoffer] mogelijk een hersenschudding had en dat er verder sprake was van waarneembaar letsel aan het voorhoofd (zwelling/bloeduitstorting), de buik/overgang heup (v-vormige zwelling met roodheid van 7x7 centimeter), de schouder (bloeduitstorting doorsnee 4 centimeter) en de linkerdijbeen (aan de voorzijde en zijkant in totaal drie rode strepen van ongeveer 13 centimeter).

Tevens bevinden zich in het dossier foto’s van het letsel van aangeefster. Door verbalisant [verbalisant] werd op 13 september 2010 het volgende letsel waargenomen en gefotografeerd :

- zwelling boven het linkeroog, met een lichte verkleuring van de huid (foto 1 tot en met 3);

- bloeduitstorting net boven de linkerheup (foto’s 4 en 5);

- licht blauwe verkleuring binnenzijde linkerknie (foto’s 6 en 7);

- blauwe verkleuring achterzijde bovenbeen (foto’s 8 en 9);

- rode streep op voorzijde linkerbovenbeen (foto 10);

- blauwe verkleuring rechterschouder (foto’s 11 en 12).

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het volgende. Verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit verklaard, dat het niet zo is gegaan als de aangeefster heeft verklaard. Verdachte heeft het slachtoffer niet geslagen en/of geschopt of op enig andere wijze mishandeld. De verdediging voert aan dat het slachtoffer aan thaiboksen doet en derhalve de verwondingen ook door de uitoefening van deze sport kan hebben opgelopen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Net als de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 primair ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte toegepaste geweld op aangeefster niet een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel oplevert. De rechtbank spreekt verdachte hiervoor dan ook vrij.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, concludeert de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk heeft mishandeld . De verdachte heeft het slachtoffer meermalen tegen het hoofd geslagen en gestompt en tegen het lichaam geschopt en getrapt en haar met een elektriciteitssnoer geslagen, als gevolg waarvan zij pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen. Deze conclusie baseert de rechtbank op de hiervoor aangehaalde processen-verbaal met de verklaringen van aangeefster, de geneeskundige verklaring, de foto’s en het proces-verbaal van bevindingen.

De stelling van verdachte dat het letsel veroorzaakt kan zijn door het thaiboksen, acht de rechtbank niet aannemelijk, nu de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat het letsel in het gezicht van aangeefster nog niet zichtbaar was op het moment dat het slachtoffer bij verdachte kwam. Daarbij komt dat het door de arts en de verbalisant waargenomen letsel op de verschillende lichaamsdelen van aangeefster precies overeenkomt met de beschrijving die zij in haar aangifte geeft van de mishandelende gedragingen die verdachte op haar heeft uitgeoefend. De rechtbank acht de verklaring van verdachte en de het daarmee samenhangend verweer dan ook niet aannemelijk.

Het bestanddeel in de tenlastelegging dat ziet op het steken en/of prikken in het been met een schaar acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen, aangezien het slachtoffer in haar aangifte enkel aangeeft met een geopende schaar te zijn geduwd in haar been. De rechtbank spreekt de verdachte van dit gedeelte van de tenlastelegging dan ook vrij.

Feit 2

Op 12 september 2010 hebben zowel aangever [agent 1] als aangever [agent 2], respectievelijk hoofdagent en agent van de politie in een proces-verbaal van bevindingen het volgende verklaard. Op 12 september 2010 waren zij bij de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. Zij waren in uniform gekleed. De agenten hebben na meermalen bij de woning te hebben aangeklopt en meermalen op duidelijke toon te hebben geroepen: “Politie, doe open”, de deur van verdachtes woning ingetrapt. Toen de deur uiteindelijk werd open gedaan, zagen de agenten verdachte staan met een mes in zijn hand. De verdachte nam een dreigende houding aan door boos in hun richting te kijken en zei onder andere: “Als jullie hier komen, steek ik jullie neer”. [agent 1] geeft aan zich bedreigd te hebben gevoeld door verdachtes houding en woorden en had de overtuiging dat verdachte zijn bedreiging ten uitvoer zou brengen en het mes tegen hem zou gebruiken. Ook [agent 2] verklaart dat bij hem de overtuiging bestond, dat verdachte zijn bedreiging ten uitvoer zou brengen en het mes tegen hen zou gebruiken. Verdachte werd gekalmeerd door een buurman en heeft uiteindelijk het mes laten vallen. Echter, toen het de verdachte duidelijk werd, dat hij zou worden aangehouden, heeft verdachte geroepen: “Als jullie me komen aanhouden, dan steek ik jullie neer” en heeft hij het mes weer opgepakt.

[slachtoffer] verklaart bij de politie dat zij een stem hoorde roepen: “ Politie, maak de deur open”. Zij verklaart verder dat verdachte haar opdroeg zich normaal te gedragen tegenover de politie en dat zij zag dat verdachte weer agressief werd, aan de blik in zijn ogen, zijn agressieve armbewegingen en zijn geschreeuw. Zij hoorde vervolgens gekraak en begreep dat de politie de voordeur had ingetrapt.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 13 mei 2011 verklaard, dat hij op het moment dat hij de deur opende, boos en bang was. Hij begrijpt dat de agenten zich op dat moment bedreigd kunnen hebben gevoeld, omdat hij weliswaar met een mes in zijn hand stond, maar die hij achter zijn been verscholen hield. Hij zegt toen niet te hebben geweten dat er politie voor de deur stond maar dat hij dacht dat het de taxichauffeur was met wie hij een conflict heeft en die hem eerder met de dood heeft bedreigd. Tevens verklaart verdachte dat hij geen bedreigende taal heeft geuit richting verbalisanten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte de agenten niet heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. In de eerste plaats voert de verdediging aan dat verdachte weliswaar een mes in de hand had op het moment dat hij de deur opendeed, maar dat hij niet op de agenten is afgelopen en bovendien geen dreigende bewegingen met het mes heeft gemaakt richting de agenten. De verdediging voert aan dat verdachte een lopend conflict heeft met een taxichauffeur en dat deze taxichauffeur verdachte met de dood bedreigd heeft. Toen de deur van de verdachte werd ingetrapt, heeft verdachte het mes ter hand genomen, omdat hij bang was dat voornoemde taxichauffeur zijn dreigement kwam uitvoeren. Verdachte verklaart dat hij niet heeft gehoord dat de politie zich heeft geïdentificeerd. Toen verdachte zag dat er politie voor de deur stond, heeft hij het mes achter zijn been gehouden. Ten tweede stelt de verdediging dat verdachte geen bedreigende taal heeft geuit tegen de agenten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is op grond van de uiterlijk waarneembare gedragingen van verdachte, zoals die zijn beschreven door de beide verbalisanten, van oordeel dat verdachte de agenten heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. De bedreiging was bovendien van dien aard en vond onder zodanige omstandigheden plaats dat bij de agenten de redelijke vrees kon ontstaan, dat zij het leven zouden kunnen verliezen.

De rechtbank acht het niet aannemelijk, dat verdachte niet wist dat er politie voor de deur stond. [slachtoffer] die met verdachte achter de deur stond heeft verklaard dat zij een stem hoorde roepen: “Politie, maak die deur open” en uit haar verklaring blijkt tevens dat verdachte weet had van het feit dat er politie voor de deur stond.. Ook hoofdagent [agent 1] verklaart dat hij meermalen op duidelijke wijze heeft geroepen: “Politie, doe open”. Bovendien waren de agenten in uniform gekleed en dus herkenbaar als zijnde politie. De verdachte heeft weliswaar het mes laten vallen, maar heeft dit pas gedaan na enig verloop van tijd en heeft bovendien het mes later weer opgepakt om zijn tweede dreigement kracht bij te zetten.

De bedreiging is naar het oordeel van de rechtbank geschied door een combinatie van het vasthouden van het mes en het uiten van bedreigende taal.

De rechtbank overweegt ten slotte, in reactie op hetgeen door de verdediging is aangevoerd, dat in de tenlastelegging niet is opgenomen dat verdachte op de agenten is afgelopen en dreigende bewegingen met het mes heeft gemaakt richting de agenten. Dergelijke gedragingen hoeven derhalve niet bewezen te worden.

Feit 3

[slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard dat zij zich op 12 september 2010 in verdachtes flatwoning te [woonplaats] bevond en dat zij dacht te horen dat er een deur dicht ging. Zij zat op dat moment opgesloten in de slaapkamer, keek uit het slaapkamerraam en zag verdachte weg fietsen. Op het moment dat zij een man ziet lopen, schreeuwt zij uit het raam dat hij de politie moet bellen en dat ze wordt vastgehouden in de flat.

Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij de voordeur van zijn woning die gelegen is op de vierde verdieping op slot heeft gedaan en het slachtoffer niet weg kon uit zijn woning, omdat zij geen sleutel had.

De raadsman heeft bepleit dat de rechtbank met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde feit niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu de opzet van verdachte niet was gericht op het vastzetten en vasthouden van het slachtoffer. Verdachte heeft weliswaar de voordeur van zijn flatwoning op slot gedaan, maar niet met de bedoeling het slachtoffer op te sluiten in zijn woning. Verdachte doet namelijk altijd de deur van zijn woning op slot wanneer hij weggaat van huis en derhalve heeft hij dit nu ook gedaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de gedragingen van verdachte de conclusie gerechtvaardigd is dat bij verdachte de opzet bestond om [slachtoffer] van haar vrijheid te beroven en beroofd te houden. Zoals verdachte ter terechtzitting zelf heeft verklaard, heeft hij de voordeur van zijn woning op slot gedaan terwijl het slachtoffer zich daarin bevond waardoor zij daaruit niet weg kon uit. Zij had immers geen sleutel van verdachtes woning en de woning bevond zich op de vierde verdieping van een flatgebouw. Verdachte heeft door aldus te handelen de enige toegangsdeur tot de woning afgesloten, waardoor aangeefster pas de woning kon verlaten wanneer verdachte voor haar de deur zou openen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging en acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] van haar vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden.

Feit 4

Evenals de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op de bekennende verklaring van de verdachte en de aangifte van [slachtoffer].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

subsidiair:

op 12 september 2010 in [woonplaats], opzettelijk

mishandelend [slachtoffer] meermalen tegen het hoofd heeft gestompt en geslagen en met een elektriciteitssnoer tegen het lichaam heeft geslagen en meermalen tegen een schouder en het stuitje heeft geschopt en getrapt, waardoor voornoemde De [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

op 12 september 2010 in [woonplaats], [agent 1]

en [agent 2], respectievelijk hoofdagent en agent van politie, heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte - terwijl hij een mes in zijn hand vasthield - meermalen opzettelijk voornoemde Isguzarer en

Stojadinovic dreigend de woorden toegevoegd :"Als jullie hier komen, steek ik

jullie neer" en "Als jullie me komen aanhouden, dan steek ik jullie neer";

3.

op 12 september 2010 in [woonplaats], opzettelijk A.

de [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd

gehouden, immers heeft hij, verdachte, toen daar opzettelijk wederrechtelijk

die De [slachtoffer] in zijn, verdachtes, (flat)woning achtergelaten en de toegangsdeur tot die woning op slot gedaan;

4.

op 12 september 2010 in [woonplaats], opzettelijk en

wederrechtelijk een telefoon en een broek, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer], heeft vernield, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die telefoon stuk te gooien en die broek kapot te knippen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 subsidiair: mishandeling

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Feit 3: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden

Feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Over de geestvermogens van verdachte is door drs. H.A. Gerritsen (forensisch psychiater) op 9 mei 2011 een rapport uitgebracht. Deze gedragskundige heeft geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van cannabisafhankelijkheid en alcoholmisbruik en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van beperkte intellectuele capaciteiten en een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Volgens de deskundige is er een evidente relatie tussen de ten laste gelegde feiten en de psychopathologie. Volgens de deskundige kan de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd worden.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank constateert dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd de behandeling van de zaak aan te houden, zodat een tweede gedragskundige de mogelijkheden van een maatregel terbeschikkingstelling kan onderzoeken.

Subsidiair heeft zij gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens zijn proeftijd houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt dat hij een behandeling bij Altrecht moet ondergaan, en een contactverbod met betrekking tot [slachtoffer].

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich tegen een aanhouding van de zaak en acht de maatregel van terbeschikkingstelling buitenproportioneel. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde komt, verzoekt de raadsman de rechtbank rekening te houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. De raadsman vraagt de rechtbank in dat geval een onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, een reclasseringscontact en een combinatie van een behandeling bij Altrecht en een module agressieregulatie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op een agressieve manier fysiek en verbaal uitgehaald naar [slachtoffer] en de agenten [agent 1] en [agent 2]. Hij heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Zo heeft verdachte zijn ex-vriendin mishandeld, wat op haar een enorme impact heeft gehad, gelet op slachtofferverklaring. Ook het bedreigen van agenten in functie wordt aangemerkt als een ernstig feit, aangezien zij hun beroep uitoefenen en het niet toelaatbaar is dat zij dan geconfronteerd worden met dergelijk geweld. Ten slotte heeft verdachte zich ook nog schuldig gemaakt aan vernieling van goederen, die niet aan hem toebehoorden.

Op het strafblad van verdachte d.d. 24 maart 2011 staan meerdere feiten met een agressieve lading.

Uit de rapportage van 9 mei 2011 van drs. H.A. Gerritsen (forensisch psychiater) komt naar voren dat de kans op herhaling van de ten laste gelegde feiten naar de mening van de psychiater evident verhoogd is en deze recidivekans niet gemakkelijk te verkleinen is. Een behandeling gericht op vermindering van het verslavingsgedrag en een versterking van de gebrekkige persoonlijkheidsstructuur (onder andere door aandacht voor agressieregulatie) is volgens de deskundige gewenst. Echter, ambulante behandeling gedurende de afgelopen jaren heeft volgens de deskundige te weinig opgeleverd en een klinische behandeling wordt dan ook geadviseerd (in het kader van bijzondere voorwaarden bij het vonnis, gecombineerd met een verplicht reclasseringscontact). Indien verdachte aanhoudend niet gemotiveerd is voor klinische behandeling zijn er twee opties. De ene optie is afstraffen, echter het recidiverisico blijft dan verhoogd. De andere optie is het opleggen van de maatregel TBS met voorwaarden en indien verdachte onvoldoende gemotiveerd blijft, TBS met verpleging van overheidswege.

De rechtbank volgt de conclusies van de deskundige in zoverre, dat de rechtbank een gevangenisstraf passend acht, ook al verkleint dit het recidiverisico niet. De rechtbank acht de maatregel terbeschikkingstelling thans niet aan de orde en wijst derhalve het verzoek van de officier van justitie om de zaak aan te houden en een tweede gedragsdeskundige rapportage te laten opmaken af. De rechtbank acht voorts een klinische behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden momenteel niet zinvol, aangezien verdachte op dit moment weinig gemotiveerd is om een klinische behandeling te ondergaan. Wel zal de verdachte zich in het kader van bijzondere voorwaarden moeten houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook indien dit inhoudt dat verdachte een ambulante behandeling bij Altrecht moet ondergaan. Daarnaast vindt de rechtbank het belangrijk dat verdachte geen contact meer heeft met het slachtoffer en om herhaling van de ten laste gelegde feiten te voorkomen legt zij een contactverbod met [slachtoffer] op.

Gelet op voornoemde zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaar en stelt daarbij als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich tijdens zijn proeftijd houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt dat hij een ambulante behandeling bij Altrecht moet ondergaan. Daarnaast wordt aan verdachte een contactverbod met [slachtoffer] opgelegd. Dit verbod houdt in dat verdachte op geen enkele wijze contact zal opnemen en/of onderhouden met [slachtoffer].

De rechtbank legt hiermee een lagere straf op dan door de officier van justitie gevorderd nu naar het oordeel van de rechtbank gelet op de bewezenverklaarde feiten met deze straf kan worden volstaan.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van de zaak met parketnummer 16/600175-10, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 21 juni 2010 ten uitvoer zal worden gelegd.

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de tenuitvoerlegging van zaak met parketnummer 16/600175-10 verzoekt de raadsman deze te verrekenen met het voorarrest en deze als afgedaan te beschouwen.

De rechtbank oordeelt dat de vordering ten aanzien van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf voor de duur van dertig dagen, die bij vonnis d.d. 21 juni 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600175-10, voor toewijzing vatbaar is, nu verdachte tijdens de proeftijd een strafbaar feit heeft begaan. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te zien.

8 Het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de verbeurdverklaring van het in beslag genomen mes van verdachte.

De rechtbank oordeelt dat het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp dat aan verdachte toebehoort, te weten een mes, zal worden verbeurd verklaard, aangezien met behulp van dit mes één van de bewezen verklaarde feiten is begaan.

9 Benadeelde partijen

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de door de benadeelde partij [slachtoffer] ingediende vordering tot schadevergoeding concludeert de officier van justitie de vordering tot materiële en immateriële schade geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging geeft aan dat verdachte de materiële schade wil betalen, maar het immateriële deel niet wenst te betalen en niet kan betalen, gelet op de schulden van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij haar schade, zowel op materieel als immaterieel gebied voldoende heeft onderbouwd. Eventuele financiële onmacht van een schadeplichtige levert in beginsel geen reden op een vordering tot vergoeding van de schade af te wijzen, zeker in het geval de schade door een opzetdelict is toebracht. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] dan ook geheel toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 725,00 ter zake van materiële en immateriële schade en legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 725,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 14 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 27, 33, 33a, 36f, 57, 282, 285, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt de verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1 subsidiair: mishandeling

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 3: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden

Feit 4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, vernielen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens zijn proeftijd houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens [naam], ook indien dit inhoudt dat hij een ambulante behandeling bij Altrecht moet ondergaan;

* een contactverbod met [slachtoffer], welke inhoudt dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal opnemen en/of onderhouden met [slachtoffer];

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 725,00 ter zake van materiële en immateriële schade;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van de verdachte, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] € 725,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 14 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- Gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 21 juni 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600175-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten: 30 dagen gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Z. Berkouwer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 mei 2011.

Mr. Berkouwer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.