Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8724

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
692079 UC EXPL 10-7331 aw/4074
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Reflexwerking van de Colportagewet ten behoeve van de kleine ondernemer; dwaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector Civiel

Kantonrechter

Locatie Utrecht

zaaknummer: 692079 UC EXPL 10-7331 aw/4074

vonnis d.d. 1 juni 2011

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. B.J. van de Wijnckel,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Proximedia Nederland B.V.,

gevestigd te De Meern,

verder ook te noemen Proximedia,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. W.J.M. Sprangers.

1. Het verloop van de procedure

In conventie

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

Proximedia heeft geantwoord op de vordering.

[eiser] heeft voor repliek en Proximedia heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

In reconventie

Proximedia heeft een tegeneis ingediend.

[eiser] heeft geantwoord op de tegeneis.

Proximedia heeft voor repliek en [eiser] heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

2.1. [eiser] dreef tot 1 juli 2008 in de vorm van een eenmanszaak een paardenhouderij en –melkerij onder de naam [naam] Paardenmelkerij. Tot 14 december 2006 was de onderneming genaamd [X]. De bedrijfsomschrijving zoals vermeld in het Handelsregister luidt: paardenhouderij, paardenmelkerij, hengstenhouderij en tevens verkoop van paardenmelk en aanverwante bijproducten.

2.2. Proximedia biedt informaticaprestaties aan. Zij richt zich daarbij op de kleine ondernemer.

2.3. Na voorafgaand telefonisch contact heeft een vertegenwoordiger van Proximedia op 2 juni 2006 een bezoek gebracht aan [eiser] op zijn woon- tevens bedrijfsadres. Tijdens dat bezoek is tussen partijen een schriftelijke overeenkomst opgemaakt en ondertekend. Bij deze overeenkomst, genaamd “overeenkomst voor informatieprestaties”, verplicht Proximedia zich tot terbeschikkingstelling aan [eiser] van een computer en een internetverbinding, het ontwerpen van een website en het verzorgen van een basisopleiding en het leveren van technische bijstand en een helpdesk. [eiser] verplicht zich aan Proximedia te betalen eenmalig een bedrag van € 90,-- inclusief BTW in verband met dossierkosten en vervolgens maandelijks een bedrag van € 201,11 inclusief BTW. [eiser] verleent machtiging aan Proximedia om de maandelijkse termijnen van zijn bankrekening te doen afschrijven.

2.4. Artikel 7.1 van de overeenkomst luidt:

“7.1 Onverminderd de verlengingen die verband houden met eventueel gebruik van de optie zoals omschreven in artikel 1.1, wordt onderhavige Overeenkomst gesloten voor een onherroepelijke en niet reduceerbare termijn van 48 maanden. De Abonnee kan evenwel besluiten om de Overeenkomst te ontbinden mits de betaling van een ontbindingsvergoeding gelijk aan 60% van de nog niet vervallen maandelijkse betalingen voor de lopende periode. In alle andere gevallen van vervroegde contractbreuk door een handeling of een overtreding door de Abonnee, is deze ook gehouden om aan Proximedia, bij wijze van forfaitaire vergoeding, een som te betalen gelijk aan 60% van de nog niet vervallen maandelijkse betalingen voor de lopende periode.(…) In alle gevallen van beëindiging van de onderhavige Overeenkomst door het verstrijken van de termijn of door vervroegde ontbinding, is de Abonnee ook gehouden alle te zijner beschikking gestelde apparatuur onmiddellijk aan Proximedia terug te geven en wordt bij niet-naleving een dwangsom opgelegd van 50,00 € per dag vertraging.”

2.5. Partijen hebben vervolgens uitvoering gegeven aan de overeenkomst.

2.6. Bij brief aan Proximedia van 11 augustus 2008 roept [eiser] de nietigheid van de overeenkomst in op grond van de Colportagewet.

Bij brief van zijn gemachtigde aan Proximedia gedateerd 4 december 2008 roept hij nogmaals de nietigheid dan wel de ontbinding van de overeenkomst in op grond van de Colportagewet.

3. De vordering en het verweer

In conventie

3.1. [eiser] vordert veroordeling van Proximedia bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om aan hem te betalen € 5.000,-- met de wettelijke rente daarover vanaf datum dagvaarding tot de voldoening en met veroordeling van Proximedia in de proceskosten.

3.2. Hij legt aan zijn vordering – kort samengevat -– ten grondslag

- primair: dat de overeenkomst nietig is dan wel met terugwerkende kracht is ontbonden op grond van de (reflexwerking van de) Colportagewet;

- subsidiair: dat de overeenkomst als vernietigd moet worden beschouwd op grond van dwaling;

- meer subsidiair: dat de overeenkomst als ontbonden moet worden beschouwd wegens wanprestatie;

- meest subsidiair: dat de overeenkomst is geëindigd door opzegging door [eiser], omdat artikel 7.1 van de overeenkomst als onredelijk bezwarend moet worden beschouwd dan wel buiten toepassing dient te blijven.

Hij vordert terugbetaling van de aan Proximedia reeds betaalde maandelijkse termijnen. Hij heeft in totaal € 5.369,01 aan Proximedia betaald. Hij beperkt zijn vordering echter tot

€ 5.000,--.

3.3. Proximedia voert gemotiveerd verweer.

In reconventie

3.4. Proximedia vordert veroordeling van [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om aan haar te betalen € 3.882,57 vermeerderd met primair de contractuele rente subsidiair de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 11 augustus 2009 tot de voldoening, alsmede terug te geven de aan [eiser] ter beschikking gestelde computerapparatuur inclusief toebehoren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per dag, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

3.5. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser] ondanks herhaalde aanmaning weigert aan zijn betalingsverplichtingen uit de overeenkomst te voldoen. Over de maanden oktober 2008 tot en met juli 2009 heeft [eiser] een bedrag van € 2.011,10 onbetaald gelaten. Daarnaast vordert Proximedia op grond van artikel 7.1 van de overeenkomst 60% van de maandelijkse termijnen tot aan het einde van contractsduur, dat is € 1.521,-- (60% van 15 maandtermijnen ad € 169,--). Op grond van de overeenkomst is [eiser] rente verschuldigd ter hoogte van 8%, tot 11 augustus 2009 berekend op € 48,80. Subsidiair maakt Proximedia aanspraak op de wettelijke handelsrente. Daarnaast vordert zij op grond van artikel 11 van de overeenkomst vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 301,67. [eiser] is op grond van artikel 7.1 van de overeenkomst verplicht de computerapparatuur aan Proximedia te retourneren op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per dag vertraging.

3.6. [eiser] voert gemotiveerd verweer.

In conventie en in reconventie

3.7. De standpunten van partijen zullen in het hiernavolgende (nader) worden uiteengezet.

De Colportagewet

3.8. [eiser] beroept zich op de nietigheid dan wel de ontbinding van de overeenkomst op grond van de reflexwerking van de Colportagewet. Hij stelt dat hij op 3 juni 2006, één dag na het sluiten van de overeenkomst, telefonisch contact met Proximedia heeft opgenomen om de overeenkomst te annuleren. Hij biedt daarvan bewijs aan. Ook heeft hij bij brief van 11 augustus 2008 en bij brief van zijn gemachtigde van 4 december 2008 de nietigheid dan wel de ontbinding van de overeenkomst ingeroepen.

Hij stelt dat hij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst een eenmanszaak had zonder personeel. Hij had nagenoeg geen kennis en ervaring op het terrein van informaticaprestaties. De aangeboden diensten van Proximedia zijn gelegen buiten de kernactiviteit van zijn onderneming. Het verkoopgesprek heeft bij hem thuis plaatsgevonden op initiatief van Proximedia. [eiser] meent daarom dat hem een beroep toekomt op de reflexwerking van de Colportagewet.

3.9. Proximedia stelt dat de Colportagewet ziet op de particulier. Voor reflexwerking van de beschermende bepalingen van die wet ten gunste van de kleine ondernemer bestaat geen wettelijke grondslag. Proximedia betwist daarnaast dat [eiser] de overeenkomst op 3 juni 2006 telefonisch heeft geannuleerd.

De ontwikkeling en het onderhoud van een bedrijfswebsite behoort tot de normale activiteiten van een onderneming. [eiser] heeft de diensten van Proximedia aanvaard ten behoeve van zijn bedrijf. Hij beschikte al over een website, www.daansche-hoeve.nl, en hij was dus al bekend met een bedrijfswebsite.

Proximedia verwijst onder andere naar de annotatie van mr. P.J.M. Ros bij het vonnis van de kantonrechter te Breda van 12 augustus 2009 (PRG 2010,28), waarin mr. Ros betoogt dat de Colportagewet geen ruimte biedt voor bescherming van de zakelijke belangen van de kleine ondernemer tegen colportage. Proximedia stelt dat de totstandkomingsgeschiedenis van de Colportagewet geen enkel aanknopingspunt biedt tot uitbreiding van de kring van bescherming van particulieren/consumenten naar kleine zelfstandigen of ZZP-ers. Dat dit in de lagere rechtspraak wel gebeurt vindt volgens haar geen enkele grondslag in de wet, noch in de Europese regelgeving, zoals Richtlijn 85/577/EEG of in Europese jurisprudentie. Het Hof van Justitie EG verbiedt de reflexwerking zelfs uitdrukkelijk, zij het, dat deze wel heeft bepaald dat een nationale regeling een uitbreiding van de bescherming kan omvatten. Ter gelegenheid van de implementatie van voormelde Richtlijn is een dergelijke verruiming echter uitdrukkelijk achterwege gebleven. (Kleine) ondernemers, die menen dat sprake is van oneerlijke handelspraktijken kunnen hiertegen optreden op basis van de bestaande wettelijke mogelijkheden, zoals neergelegd in het Burgerlijk Wetboek.

Indien de kantonrechter het beroep van [eiser] op reflexwerking van de Colportagewet honoreert verzoekt Proximedia de kantonrechter aan de vernietiging van de overeenkomst geheel of ten dele haar werking te ontzeggen (artikel 3:53 lid 2 BW). [eiser] heeft immers steeds de beschikking gehad over de computer en de website en hij heeft gebruik gemaakt van de diensten van Proximedia. Subsidiair doet Proximedia voor dat geval een beroep op artikel 6:212 BW, ongerechtvaardigde verrijking.

Dwaling

3.10. Volgens [eiser] heeft hij de overeenkomst gesloten onder invloed van dwaling.

De vertegenwoordiger heeft hem zowel tijdens het telefoongesprek als tijdens het verkoopgesprek gezegd dat hij een aanzienlijke korting zou ontvangen omdat hij als referent voor Proximedia zou optreden. Verder werd tijdens het verkoopgesprek door de vertegenwoordiger gezegd dat hij een gratis laptop en een gratis website (ontwikkeling en beheer) zou krijgen, een opleiding ter waarde van vele honderden euro’s en een online backup. Uit de schriftelijke overeenkomst blijkt echter dat Proximedia de computer slechts in bruikleen geeft en dat de opleiding zeer beperkt is. Proximedia ontwerpt bovendien slechts een standaard website.

Ook heeft de vertegenwoordiger nagelaten hem te wijzen op de contractsduur van 48 maanden en op de voorwaarden voor de tussentijdse ontbinding van de overeenkomst, zoals genoemd in artikel 7.1. De vertegenwoordiger heeft hem daarentegen meegedeeld dat de contractsduur 24 maanden bedroeg. Hij moest direct tekenen. Indien hij een juiste voorstelling van zaken had gehad was hij de overeenkomst niet aangegaan.

3.11. Proximedia betwist dat de vertegenwoordiger tijdens het verkoopgesprek de gestelde onjuiste mededelingen heeft gedaan en dat [eiser] de overeenkomst onder invloed van dwaling heeft gesloten. Ook weerspreekt zij dat [eiser] de overeenkomst direct moest tekenen. Zij vraagt zich bovendien af waarom [eiser] niet kort na de ondertekening van het contract melding heeft gemaakt van de door hem gestelde dwaling bij het sluiten van de overeenkomst. Het ligt volgens Proximedia op de weg van [eiser] om te bewijzen dat de door hem gestelde toezeggingen door de vertegenwoordiger zijn gedaan.

Wanprestatie

3.12. [eiser] stelt dat Proximedia wanprestatie heeft gepleegd omdat zij hem niet de uitgebreide begeleiding en opleiding heeft verschaft als was toegezegd tijdens het verkoopgesprek. [eiser] kon zelf aan de website niets toevoegen of veranderen. Hij heeft regelmatig gebeld en gereclameerd, maar kreeg geen gehoor. Door alle beperkingen en het gebrek aan begeleiding heeft hij nooit actief gebruik gemaakt van de website. Hij meent daarom dat de overeenkomst als ontbonden moet worden beschouwd wegens wanprestatie per de datum dat hij Proximedia te kennen heeft gegeven dat hij de overeenkomst wil annuleren c.q. beëindigen.

3.13. Proximedia betwist dat sprake is van wanprestatie. Zij is steeds ingegaan op de verzoeken van [eiser] om aanpassing van de website. Zij verwijst naar de correspondentie tussen partijen die zij als producties 6 en 7 bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie in het geding heeft gebracht. [eiser] heeft daarnaast nooit te kennen gegeven dat hij niet tevreden was over de opleiding of begeleiding.

Onredelijk bezwarend beding

3.14. Volgens [eiser] is artikel 7.1 van de overeenkomst, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, voor hen onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar (artikel 6:233 aanhef en onder a BW). Artikel 7.1 van de overeenkomst moet volgens hen ook worden beschouwd als een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen (Richtlijn 93/13/EEG). [eiser] handelde immers voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen en hebben daarom te gelden als consument in de zin van de richtlijn. Voorts is het beding onredelijk bezwarend op grond van de reflexwerking van artikel 6:236 sub b BW.

Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat artikel 7.1 van de overeenkomst wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn op grond van de reflexwerking van artikel 6:237 sub i BW, nu geen sprake is van een redelijke vergoeding voor geleden verlies of gederfde winst.

Ook indien zijn beroep op de reflexwerking van de artikelen 6:236 sub b en 6:237 sub i BW wordt verworpen, moet artikel 7.1 van de overeenkomst als onredelijk bezwarend worden beschouwd althans niet van toepassing worden geacht, omdat dit beding op grond van de artikelen 6:2 en 6:248 lid 2 BW in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Op zijn minst moet het mogelijk zijn om de onderhavige duurovereenkomst met inachtneming van een redelijke termijn op te zeggen, zonder verder gehouden te zijn tot enige contractuele schadevergoeding. Die redelijke termijn kan hooguit twee maanden bedragen, aldus [eiser].

3.15. Proximedia stelt primair dat artikel 7.1 van de overeenkomst een kernbeding is en geen algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 BW. Het beroep van [eiser] op de onredelijk bezwarendheid van dit beding kan reeds daarom niet slagen. Zonder dit beding is het voor Proximedia onacceptabel om de overeenkomst te sluiten. Proximedia neemt bij het sluiten van de overeenkomst de volledige investering voor haar rekening. De klant betaalt daarvoor in periodieke termijnen.

Subsidiair betoogt zij dat het beding niet onredelijk bezwarend is, noch in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Zij doet per contract een investering van € 4.551,-- en zij biedt daarvan bewijs aan.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

De Colportagewet

4.1. [eiser] legt aan zijn vordering primair ten grondslag de nietigheid dan wel de ontbinding van de onderhavige overeenkomst op grond van de reflexwerking van de Colportagewet. Proximedia meent dat van een reflexwerking geen sprake kan zijn. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

4.2. De Europese richtlijn 85/577 ziet op de bescherming van de consument bij buiten verkoopruimten gesloten overeenkomsten, oftewel bij colportage. Het Europese Hof van Justitie heeft in het Di-Pinto arrest van 14 maart 1991 (zaak C-361/89, LJN: AC3494) duidelijk gemaakt dat alleen consumenten de bescherming van deze richtlijn genieten. Een handelaar geniet volgens het Hof slechts bescherming als de transactie waarvoor hij wordt benaderd buiten het kader van zijn beroepsactiviteiten valt. De richtlijn staat er echter niet aan in de weg dat een nationale wettelijke regeling inzake colportage de door de richtlijn geboden bescherming uitbreidt tot handelaren, aldus het Hof.

4.3. De kantonrechter overweegt dat de Colportagewet evenals voornoemde richtlijn beoogt de consument te beschermen (in de Colportagewet “particulier” genoemd) die door een verkoper, doorgaans aan huis, wordt overvallen met een aanbod, door de verkoper wordt bewogen dit aanbod te aanvaarden en zich kort daarna realiseert dat hij die aanvaarding onvoldoende heeft overwogen en dat hij daarvan spijt heeft. Op grond van de Colportagewet heeft de consument in dat geval het recht binnen een termijn van 8 dagen (na dagtekening van de betreffende akte bij de Kamer van Koophandel dan wel - na wetswijziging per 28-12-2009 - na ontvangst van de akte door de consument) de overeenkomst te ontbinden, welke ontbinding terugwerkende kracht heeft.

De rechter kan onder omstandigheden reflexwerking toekennen aan de beschermende bepalingen van de Colportagewet ten behoeve van de kleine ondernemer, die zich materieel niet of nauwelijks van een consument onderscheidt en die in de uitoefening van beroep of bedrijf overeenkomsten sluit die buiten het gebied liggen van zijn eigenlijke professionele activiteit. Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om – zoals [eiser] meest subsidiair mede aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd – via de open norm van artikel 6:233 onder a BW ten behoeve van de kleine ondernemer reflexwerking toe te kennen aan de bepalingen van artikel 6:236 en 6:237 BW (de zwarte en grijze lijst), welke bepalingen beogen consumenten te beschermen tegen onredelijk bezwarende bedingen in de overeenkomst. Gelet op de kern van de Colportagewet brengt die reflexwerking in dit geval met zich mee dat de kleine ondernemer een beroep kan doen op de ontbinding van de overeenkomst kort na het sluiten daarvan (artikel 25 Colportagewet).

4.4. Op vragen van een Kamerlid in april 1995, naar aanleiding van veel voorkomende fraude bij de verkoop van advertenties aan zelfstandige ondernemers, heeft de Minister van Economische Zaken te kennen gegeven niet te voelen voor een uitbreiding van de werkingssfeer van de Colportagewet, mede omdat wetswijziging geen adequate oplossing van het probleem biedt. De verkoop van advertenties vindt immers niet alleen plaats door middel van persoonlijk bezoek, maar ook op diverse andere manieren zoals telefonisch, via de fax en door toezending van registratiekaarten en rekeningen. Bovendien zou een wetswijziging als in de vraag bedoeld met zich meebrengen dat ook gewone bezoeken van (handels)vertegenwoordigers aan ondernemers onder de werking van de wet zouden vallen. Dit zou een te ver gaande belemmering van het normale handelsverkeer betekenen, aldus de Minister. De vraag of de Minister bereid is door middel van een wijziging van de Colportagewet helderheid te verschaffen in deze, zodat ondernemers niet telkens een beroep op de rechter hoeven doen, wordt derhalve door de Minister ontkennend beantwoord (Aanhangsel Handelingen II 1994/95 nr. 830).

Uit voornoemde reactie van de Minister kan echter niet worden opgemaakt dat hij, in het geval de kleine ondernemer zich tot de rechter went of in rechte wordt betrokken, de toepassing door de rechter van de reflexwerking van de Colportagewet ten behoeve van die ondernemer afwijst. Die reflexwerking in het concrete geval, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van dat geval, houdt immers geen uitbreiding van de werkingssfeer van de Colportagewet in.

4.5. Ter gelegenheid van de implementatie van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken zijn aan de Minister van Justitie door een Kamerlid vragen gesteld over de bescherming van kleine ondernemers. Daarbij is ook aan de orde gekomen of de Minister de bescherming van kleine ondernemers via de reflexwerking van de Colportagewet voldoende acht of dat aanvullende maatregelen volgens hem noodzakelijk zijn. De Minister heeft daarop geantwoord dat de rechter blijkens vaste rechtspraak van geval tot geval beoordeelt, rekening houdend met de concrete omstandigheden, of de kleine ondernemer al dan niet wordt beschermd via de reflexwerking van de Colportagewet. Waar sprake is van oplichting dient dat volgens de Minister door middel van het strafrecht te worden aangepakt. De Minister acht aanvullende maatregelen kennelijk niet nodig, mede omdat de rechter in het concrete geval beoordeelt of de kleine ondernemer wordt beschermd via de reflexwerking van de Colportagewet. Daarnaast wijst de Minister op het Steunpunt Acquisitiefraude, het landelijke meldpunt voor advertentiefraude en acquisitiefraude dat juridische hulp en adviezen geeft aan ondernemers (Aanhangsel Handelingen II 2007-2008 nr. 1454).

4.6. De kantonrechter concludeert dat noch de Europese richtlijn 58/557, noch de wetsgeschiedenis in de weg staat aan de mogelijkheid voor de rechter om in het concrete geval de bescherming van de Colportagewet via reflexwerking toe te passen ten behoeve van de kleine ondernemer, waarbij steeds de specifieke omstandigheden van dat geval in aanmerking worden genomen.

4.7. Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende komen vast te staan dat [eiser] op het moment dat de overeenkomst werd gesloten een kleine zelfstandige was, die woonde en werkte op hetzelfde adres. Proximedia richt zich met haar diensten ook specifiek op de kleine ondernemer. Het initiatief voor het verkoopgesprek is uitgegaan van Proximedia, die [eiser] thuis heeft bezocht. De aangeboden informaticadiensten hangen daarnaast niet onmiddellijk samen met de door [eiser] bedrijfsmatig ondernomen activiteiten en liggen buiten het gebied van zijn eigenlijke professionele activiteit, te weten een paardenhouderij tevens paardenmelkerij.

Gelet op het vorenstaande is [eiser] naar het oordeel van de kantonrechter in dit geval materieel nauwelijks van een consument te onderscheiden en komt hem via reflexwerking in beginsel de bescherming toe van de Colportagewet.

4.8. [eiser] stelt dat hij de overeenkomst op 3 juni 2006, één dag na het sluiten daarvan, telefonisch heeft geannuleerd. De medewerkster van Proximedia deelde hem echter mee dat annulering niet mogelijk was en dat hij bij een eerdere beëindiging van de overeenkomst 60% van de resterende maandelijkse termijnen verschuldigd was. [eiser] besloot er daarom maar het beste van te maken.

Proximedia betwist dat [eiser] op 3 juni 2006 telefonisch contact heeft opgenomen. Het ligt daarom op de weg van [eiser] om zijn stelling te bewijzen dat hij de overeenkomst op 3 juni 2006 telefonisch heeft geannuleerd. Hij heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden en zal worden toegelaten tot de bewijslevering.

4.9. Eerst als [eiser] in die bewijslevering slaagt, komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van het beroep van Proximedia op artikel 3:53 lid 2 BW subsidiair 6:212 BW.

Reeds voor het geval [eiser] in de bewijslevering niet slaagt, overweegt de kantonrechter als volgt.

Dwaling

4.10. [eiser] stelt subsidiair dat de overeenkomst vernietigbaar is omdat deze door hem is gesloten onder invloed van dwaling en hij bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet was aangegaan. Proximedia betwist dat [eiser] heeft gedwaald. [eiser] stelt dat de dwaling te wijten is aan een aantal, achteraf gebleken onjuiste, mededelingen die de vertegenwoordiger van Proximedia tijdens het telefoongesprek en/of het verkoopgesprek heeft gedaan, kort samengevat:

• aanzienlijke korting in verband met optreden als referent;

• gratis laptop en gratis op maat gemaakte website (ontwikkeling en beheer);

• opleiding van vele honderden euro’s;

• online back-up;

• een contractsduur van 2 jaar.

Ook stelt hij dat de vertegenwoordiger hem niet heeft ingelicht over een aantal belangrijke onderdelen van de overeenkomst terwijl hij wist of behoorde te weten dat hij daaromtrent een onjuiste voorstelling van zaken had, namelijk:

• de minimale contractsduur van 48 maanden;

• de verschuldigde vergoeding van 60% van de resterende termijnen bij tussentijdse beëindiging van de overeenkomst.

Het verkoopgesprek werd volgens [eiser] gevoerd aan de hand van het zogenaamde bolletjesformulier, waarvan hij een voorbeeld heeft overgelegd als productie 3 bij dagvaarding. Het specifieke exemplaar dat tijdens het verkoopgesprek is gebruikt is volgens hem door de vertegenwoordiger na afloop van het gesprek meegenomen.

4.11. De stelling van [eiser] dat hij heeft gedwaald omtrent de door de vertegenwoordiger genoemde mogelijkheid online een backup te kunnen maken moet worden gepasseerd, nu uit de schriftelijke overeenkomst reeds voldoende blijkt - en Proximedia overigens ook niet betwist - dat Proximedia zich daartoe wel degelijk heeft verplicht. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat de vertegenwoordiger hem heeft verteld dat sprake was van een unieke aanbieding waarbij hij, door als referent op te treden, een aanzienlijke korting op de te betalen prijs zou kunnen verkrijgen. Immers, gesteld noch gebleken is dat Proximedia hem voor haar diensten een hogere prijs in rekening heeft gebracht dan de prijs die de vertegenwoordiger tijdens dat verkoopgesprek heeft genoemd, aan hem heeft voorgerekend en waarmee hij akkoord is gegaan. Evenmin heeft hij gesteld dat het voor hem enige nadelige gevolgen heeft gehad dat – naar hem later bleek – Proximedia ditzelfde “unieke” aanbod ook aan (vele) anderen heeft gedaan. Om die reden valt niet in te zien waarom [eiser] bij een juiste voorstelling van zaken op dit punt de overeenkomst niet zou zijn aangegaan.

Zijn stellingen dat hij heeft gedwaald omtrent de aard en inhoud van de geboden opleiding en de te ontwerpen website dienen voorts als onvoldoende onderbouwd te worden gepasseerd. Hij heeft nagelaten te stellen op grond waarvan hij van Proximedia bij het sluiten van de overeenkomst heeft begrepen dat de opleiding een andere inhoud zou hebben dan de opleiding die hij heeft ontvangen. Nu Proximedia erkent dat zij zich heeft verplicht voor hem een op maat gemaakte website te ontwerpen had [eiser] ook moeten concretiseren in welke zin die door Proximedia ontworpen website niet voldeed aan de verwachtingen die hij had bij het sluiten van de overeenkomst. Het enkele feit dat Proximedia bij het ontwerpen van de websites gebruik maakt van bepaalde standaarden betekent op zichzelf nog niet dat zij geen op maat gemaakte website levert.

4.12. Voorts stelt [eiser] dat de vertegenwoordiger van Proximedia tijdens het verkoopgesprek heeft gezegd dat hij een gratis laptop en gratis website zou krijgen en dat het contract een duur had van 2 jaar. Proximedia betwist dat de vertegenwoordiger die mededelingen heeft gedaan.

Vast staat dat [eiser] via de maandelijkse termijnen betaalt voor de website en voor het gebruik van de computer, die eigendom blijft van Proximedia, en dat het schriftelijk contract een looptijd vermeldt van 48 maanden.

Ook heeft de vertegenwoordiger volgens [eiser] niet verteld dat het contract een looptijd heeft van 48 maanden en dat hij bij tussentijdse beëindiging een vergoeding verschuldigd is van 60% van de resterende maandtermijnen. Volgens Proximedia heeft zij [eiser] nooit iets anders verteld dan dat de contractsduur 48 maanden is en blijkt dit ook duidelijk uit de schriftelijke overeenkomst. Die contractsduur heeft te maken met het businessmodel dat Proximedia hanteert en dat is aan [eiser] tijdens het verkoopgesprek ook uitgelegd. Proximedia betwist tevens dat de vertegenwoordiger als voorwaarde voor het sluiten van het contract heeft gesteld dat [eiser] het contract direct en ter plaatse moest tekenen.

4.13. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan [eiser] om de door Proximedia betwiste feiten en omstandigheden te bewijzen die hij aan zijn beroep op dwaling ten grondslag heeft gelegd.

[eiser] heeft bewijs van zijn stellingen aangeboden en zal worden toegelaten tot de bewijslevering daarvan als in het dictum te melden.

4.14. De zaak zal worden verwezen naar de rolzitting van woensdag 29 juni 2011 alwaar [eiser] zich bij akte kan uitlaten over de wijze waarop hij bewijs wil leveren.

4.15. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De kantonrechter:

In conventie en in reconventie

laat [eiser] toe om te bewijzen dat hij de overeenkomst met Proximedia op 3 juni 2006 telefonisch heeft geannuleerd;

en - voor het geval hij in die bewijslevering niet slaagt - :

laat [eiser] toe om te bewijzen feiten en omstandigheden die de gevolgtrekking rechtvaardigen:

1e. dat de vertegenwoordiger van Proximedia in het verkoopgesprek dan wel in het telefoongesprek daaraan voorafgaand heeft gezegd:

en/of dat de laptop en de website (ontwikkeling en beheer) gratis zijn;

en/of dat de overeenkomst een looptijd heeft van 2 jaar;

2e. dat de vertegenwoordiger van Proximedia tijdens het verkoopgesprek niet heeft genoemd dat de overeenkomst een looptijd heeft van ten minste 48 maanden en dat [eiser] bij tussentijdse opzegging een vergoeding verschuldigd is van 60% van de resterende maandtermijnen;

3e. dat de vertegenwoordiger als voorwaarde voor het sluiten van de overeenkomst heeft gesteld dat [eiser] direct moest tekenen;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 29 juni 2011 te 9.30 uur teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze hij bewijs wil leveren;

bepaalt dat, indien [eiser] bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, hij die stukken op die rolzitting in het geding kan brengen;

bepaalt dat, indien [eiser] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, hij op die rolzitting de namen en adressen van de getuigen dient op te geven, alsmede de verhinderdata van die getuigen en van beide partijen, waarna een tijdstip zal worden bepaald voor het horen van de getuigen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C. Heuveling van Beek, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2011.