Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8472

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
20-06-2011
Zaaknummer
16/710669-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achttien maanden cel voor ontucht met leerlingen

De rechtbank in Utrecht heeft een 34-jarige man uit Utrecht veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden voor ontucht met minderjarigen. De man was in die tijd de leraar van deze meisjes. Hij mag bovendien gedurende zes jaar niet meer aan het werk in het onderwijs en moet een van de slachtoffers een schadevergoeding betalen voor de geleden immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710669-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1977] te [geboorteplaats]

gedetineerd in PI Utrecht – Huis van Bewaring Nieuwegein te Nieuwegein

raadsman mr. P.J.M. van Galen, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 6 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte gemeenschap heeft gehad met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], toen zij nog geen 16 jaar oud waren dan wel ontucht heeft gepleegd met deze [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], toen zij nog geen 16 jaar oud waren.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder 1 primair en 2 primair, gelet op:

- de aangifte van [slachtoffer 1] ;

- de verklaring van [slachtoffer 2] ;

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 juni 2011 .

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 13 maart 2009 tot en met 13 augustus 2009 in het arrondissement Utrecht, met [slachtoffer 1], geboren op [1993], die toen de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het

seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte,

- zijn penis in de vagina van [slachtoffer 1] gebracht

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en gehouden

- voornoemde [slachtoffer 1] gezoend/gekust

- de borsten van die [slachtoffer 1] gestreeld en/of betast en hieraan gezogen

- de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en gestreeld

2.

op tijdstippen in de periode van 22 april 2010 tot en met 24 juni 2010 in het arrondissement Utrecht, met [slachtoffer 2], geboren op [1994], die toen de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht

- zijn tong in de mond van die [slachtoffer 2] gebracht en/of gehouden

- voornoemde [slachtoffer 2] gezoend/gekust

- de borsten en benen en buik en armen van die [slachtoffer 2] gestreeld

en/of betast

- de vagina van die [slachtoffer 2] gestreeld.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

telkens: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Door J. van Beek, GZ-psycholoog, is onderzoek verricht naar de persoon van verdachte en hieromtrent een rapport d.d. 27 mei 2011 opgemaakt. In dit rapport komt naar voren dat

verdachte niet lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens, maar dat hij een aantal kenmerken in zijn persoonlijkheid heeft die hem vatbaar maken voor het vertonen van grensoverschrijdend gedrag. Hij is echter in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen. Naar het oordeel van de psycholoog kan verdachte als volledig toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

De rechtbank neemt het advies van de psycholoog over en zal verdachte als volledig toerekeningsvatbaar beschouwen.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en een behandelverplichting bij De Waag.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en eventueel nog een voorwaardelijke werkstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft gedurende een paar maanden een relatie gehad met een 15-jarige leerlinge, [slachtoffer 1], van zijn school. Verdachte was eerder de mentor geweest van deze leerlinge. De leerlinge was verliefd op hem geworden en verdachte heeft geen weerstand geboden aan de wederzijdse gevoelens van verliefdheid. De seksuele relatie duurde ook nog vier maanden voort nadat [slachtoffer 1] 16 jaar geworden was en nog steeds leerlinge was van de school waaraan verdachte als leraar verbonden was. In januari 2010 werd – nota bene op initiatief van [slachtoffer 1] – de relatie beëindigd.

Kort daarna echter wordt verdachte verliefd op een andere 15-jarige leerlinge, [slachtoffer 2], met wie verdachte eveneens een seksuele relatie aangaat. Ook deze relatie duurt enkele maanden totdat haar ouders hierover in haar dagboek lezen.

Beide slachtoffers waren kwetsbare, labiele meisjes. In beide relaties zagen verdachte en de leerlingen elkaar tijdens school, maar hadden zij ook geregeld afspraakjes buiten school. Vaak pikte hij het meisje op enige afstand van de school op en reed vervolgens met zijn auto naar een bosgebied. Daarbij zorgde verdachte ervoor, dat de kans dat ze gezien werden zo klein mogelijk was. Tijdens deze afspraakjes bouwde hij het lichamelijk contact steeds verder op, wat uiteindelijk heeft geleid tot volledige seksuele gemeenschap tussen verdachte en zijn minderjarige leerlingen.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich te laat realiseerde dat hij, als volwassene en als leraar van deze leerlingen, zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen, maar dat hij het heeft laten gebeuren. Verdachte doet voorkomen alsof het hem is overkomen. Dat verdachte zijn verantwoordelijkheid had moeten nemen is juist. Anders dan verdachte suggereert, is hem dit echter niet zomaar overkomen. Gezien het leeftijdsverschil en gezien de verhouding leraar tegenover leerling, kan van een gelijkwaardige relatie nimmer sprake zijn. In die ongelijkwaardige verhouding tot [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], maar ook richting de ouders en de school, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank actief en op berekenende wijze gestuurd, gemanipuleerd en gepland. Hij beantwoordde de verliefde gevoelens van de pubermeisjes en creëerde de gelegenheden om seks met hen te hebben. Ook na aangesproken te zijn door de vader van [slachtoffer 2], heeft verdachte nog contact gehad met [slachtoffer 2]. Uit zijn gedrag spreekt een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, normbesef en respect voor anderen, hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

Verdachte heeft op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van deze meisjes geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van een slachtoffer. Ook in dit geval. Uit de slachtofferverklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat zij nog dagelijks de psychische gevolgen van het handelen van verdachte ondervindt.

Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen bevrediging vooropgesteld.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging - gelet op het onder 5.2 genoemde rapport van psycholoog J. van Beek - in aanmerking dat het bewezenverklaarde aan verdachte volledig kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van verdachte mede gelet op een hem betreffende reclasseringsrapportage d.d. 1 juni 2011, opgemaakt door reclasseringswerker H. Liebrand. Deze rapporteur schat het recidiverisico als laag gemiddeld in en adviseert aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, gekoppeld aan de volgende bijzondere voorwaarde: verplicht reclasseringscontact, ook als dit inhoudt dat hij zich dient te laten behandelen bij De Waag.

De rechtbank heeft voorts gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Toen de ontucht op school aan het licht gekomen is, heeft verdachte van het [school] ontslag op staande voet gekregen. Doordat hij zijn werk is kwijtgeraakt is hij in zekere zin maatschappelijk al gestraft. Hiermee zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden. Ook houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit, dat hij zich vrijwillig tot De Waag gewend heeft en daar in therapie is gegaan.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen – in onderling verband en samenhang beschouwd - komt de rechtbank tot het oordeel dat een straf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank zal een gedeelte van deze straf voorwaardelijk opleggen. Met deze voorwaardelijke straf beoogt de rechtbank enerzijds verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en anderzijds verplichte behandeling bij De Waag mogelijk te maken.

Gelet op het feit dat verdachte als leraar kort na elkaar twee seksuele relaties heeft gehad met minderjarige leerlingen van zijn school, acht de rechtbank het, ter bescherming van potentiële slachtoffers, noodzakelijk dat verdachte niet meer als onderwijsgevende zal optreden en zal zij daartoe verdachte van het recht om het beroep van onderwijsgevende uit te oefenen voor de duur van 6 jaren ontzetten, dat wil zeggen na afloop van het onvoorwaardelijk deel van zijn gevangenisstraf een beroepsverbod voor de maximale termijn van 5 jaar.

De rechtbank zal, gelet op vergelijkbare zaken en het feit dat verdachte reeds de gevolgen van zijn strafbare handelen heeft ondervonden door zijn ontslag, aan verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. Daar komt bij dat de rechtbank het noodzakelijk acht om naast een gevangenisstraf aan verdachte een beroepsverbod voor geruime tijd op te leggen.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen tot een bedrag van € 2.500,- en het overige gedeelte van de vordering niet ontvankelijk te verklaren, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] af te wijzen dan wel niet ontvankelijk ter verklaren.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor de materiële schade niet ontvankelijk verklaren, nu deze schade niet is geleden door de benadeelde partij zelf, maar door haar ouders.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor de immateriële schade toewijzen tot een bedrag van € 2.500,00.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt zodat zij de vordering tot dat bedrag zal toewijzen. De rechtbank zal hierbij tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering.

Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 28, 31, 36f, 57, 245 en 251 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte zich dient te laten behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende straf

- ontzet verdachte van het recht het beroep van onderwijsgevende uit te oefenen voor de duur van 6 jaren;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 2.500,00, ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2009;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet ontvankelijk;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 2.500,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mrs. J.R. Krol en I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juni 2011.