Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8468

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-06-2011
Datum publicatie
20-06-2011
Zaaknummer
16/512510-10 en 16/602746-08 (vord. TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Achttien maanden celstraf voor overval op juwelier

De rechtbank in Utrecht heeft op maandag 20 juni een achttienjarige man uit dezelfde stad veroordeeld voor een overval op een juwelier in Driebergen-Rijsenburg in oktober 2010. De man heeft achttien maanden jeugddetentie opgelegd gekregen en hij moet een schadevergoeding betalen aan de slachtoffers. Verder is hem een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (pij) opgelegd, onder de voorwaarde dat hij zich laat behandelen in een kliniek voor forensische geestelijke gezondheidszorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/512510-10 en 16/602746-08 (vord. TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in JJI De Heuvelrug, locatie Eikenstein

raadsman mr. M.Th.M. Zumpolle, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 maart 2011 en 6 juni 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 28 oktober 2010 samen met anderen een gewapende overval heeft gepleegd op juwelier [benadeelde 1] te Driebergen-Rijsenburg;

feit 2: op 28 oktober 2010 samen met anderen een of meer vuurwapens voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

4.1.1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 21 maart 2011 verklaard dat hij op 28 oktober 2010 betrokken was bij de overval op juwelier [benadeelde 1]. Verdachte heeft tijdens de overval een vuurwapen in zijn handen gehad en hij heeft hiermee geschoten op de deur naar het kantoor.

4.1.2. De overval

Aangever [benadeelde 1] heeft verklaard dat hij, als eigenaar van juwelierszaak [benadeelde 1] te Driebergen-Rijsenburg, op 28 oktober 2010 aanwezig was in de juwelierszaak. Omstreeks 09.25 uur hoorde hij glasgerinkel en geschreeuw. Hierop is hij de winkel binnengelopen. Op het moment dat hij de winkel binnenliep, zag hij links voorin de winkel een donker gekleed persoon die bezig was de vitrines in te slaan. Hij zag dat een tweede persoon naar hem toe liep en op ongeveer een meter van hem af bleef staan. Deze persoon had een zilverkleurig hoogglans pistool in zijn hand wat hij op aangever richtte. Terwijl deze persoon het pistool op aangever richtte, schreeuwde hij ‘de kluis, de kluis, ik schiet in jouw kruis’, waarbij de persoon het pistool op het kruis van aangever richtte. Gedurende de tijd dat aangever onder schot werd gehouden, zag hij een derde persoon vitrines inslaan met een klauwhamer. Aangever heeft de kantoordeur geopend en stapte naar binnen. Om onder de bedreiging van het pistool uit te komen en om de kluis niet te hoeven openen, heeft aangever de kantoordeur dichtgegooid, voordat persoon twee het kantoor binnen kon stappen. Direct hierop hoorde hij een knal, waarvan hij dacht dat het een pistoolschot was. Ook hoorde hij harde bonken op de deur. Aangever heeft de alarmknop ingedrukt en beveiligingsmaatschappij Hofland electronica Rotterdam gebeld. Toen hij hoorde dat het rustiger werd in de winkel is hij de winkel ingelopen. Hij zag dat medewerkster [benadeelde 2] onder een tafeltje in de winkel zat. Hij zag dat er hele plukken haar van haar hoofd kwamen.

[benadeelde 2] heeft verklaard dat zij op 28 oktober 2010 aan het werk was bij juwelierszaak [benadeelde 1] te Driebergen-Rijssenburg. Zij was voor de winkel blad aan het vegen. Terwijl zij daarmee bezig was, zag zij drie jongens in haar richting lopen. Op het moment dat zij de jongens wilde begroeten, werd zij door één van de jongens hard bij haar haren gepakt. [benadeelde 2] zag dat dezelfde persoon een zilvergrijs pistool tegen haar buik duwde en haar mee sleepte de winkel in. In de winkel werd [benadeelde 2] losgelaten en is zij van angst onder een tafel gekropen. Zij hoorde alle drie de mannen schreeuwen. Zij riepen: ‘Goud, goud, kluis open.’ Ook hoorde zij dat er verschillende vitrines kapot werden geslagen en dat er schoten werden gelost.

4.1.3. Waarneming ter terechtzitting en bevindingen camerabeelden

Ter terechtzitting van 21 maart 2011 zijn in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsman de camerabeelden van 28 oktober 2010 (van omstreeks 09.17.40 uur tot 09.19.20 uur) van juwelierszaak [benadeelde 1] bekeken. Hierop heeft de rechtbank waargenomen dat drie jongens aan komen lopen bij de winkel. [benadeelde 2] die zich op de stoep voor de winkel bevindt, wordt bij haar haren gegrepen door een van de drie jongens en wordt mee de winkel ingesleept. In de winkel duikt zij onder een tafeltje. Vervolgens is te zien hoe één van de verdachten de vitrines, met een voorwerp gelijkend op een klauwhamer, vernielt en een andere verdachte hieruit sieraden wegneemt en in een tas stopt. Ook is te zien dat een derde verdachte een zilverkleurig vuurwapen in zijn handen heeft en dit richt op [benadeelde 1]. Tevens is te zien dat alle drie de verdachten gezamenlijk de juwelierszaak verlaten.

Aan de hand van (kleding)signalementen heeft verbalisant [verbalisant 1] sterke overeenkomsten gezien tussen de personen die op de camerabeelden te zien zijn en drie van de aangehouden verdachten. [verdachte] is herkend als vermoedelijk de persoon die [benadeelde 2] aan haar haren mee de juwelierszaak introk en een zilverkleurig, op een vuurwapen gelijkend, voorwerp in zijn handen had. Deze persoon hield dat wapen op [benadeelde 1] gericht, en bleef voor de deur staan van de ruimte waar deze in verdween. Tevens pakte hij vermoedelijk diverse sieraden uit kapotgeslagen vitrines en geld uit de kassa en stopte dat vervolgens in zijn schoudertas.

4.1.4. Verklaring van getuige [getuige]

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij op 28 oktober 2010 heeft gezien dat drie mannen de boel in elkaar aan het slaan waren bij juwelierszaak [benadeelde 1] te Driebergen-Rijssenburg. Ook zag hij dat de juwelier onder schot werd gehouden. Hij zag dat de mannen de juwelierszaak uit kwamen. Hierop is hij de mannen gevolgd. De mannen renden naar een auto, merk Volvo Estate 40, grijs groen van kleur met kenteken [kenteken], waar zij in stapten. De auto reed weg van een parkeerstrook. Op het moment dat de drie mannen instapten, had de auto al een stukje gereden. Het portier van de bestuurder is dicht gebleven toen de drie mannen instapten.

4.1.5. Rijgedrag van de vluchtauto

De politie heeft onderzoek gedaan naar de route die de Volvo, waarin de overvallers zijn gevlucht, heeft afgelegd en de gereden snelheid. Zeer waarschijnlijk is deze auto vanuit Driebergen via Doorn tot de oprit naar de A12 bij Maarn gereden, alwaar de inzittenden een bosperceel zijn ingevlucht. Uit de analyse van de politie blijkt dat de vluchtauto dat traject moet hebben afgelegd met ongeveer tweemaal de gebruikelijke snelheid, te weten in 6 à 7 minuten in plaats van de gebruikelijke 12 minuten. Een getuige verklaarde dat zij had gezien dat de grijze Volvo in Doorn als een dwaas door het dorp had gereden. Die auto raakte met een klap een vluchtheuvel en reed daarna toch weer door. Bij onderzoek bleek dat de rechter voorband van de Volvo was afgereden. De auto stond rechts voor op de velg.

4.1.6. Bevindingen verbalisanten

Verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] kregen op 28 oktober 2010 de melding dat er een overval was gepleegd op een juwelier te Driebergen-Rijssenburg, waarbij de verdachten waren gevlucht in een grijskleurige Volvo, rijdende in de richting van Doorn. Hierop hebben verbalisanten met hun dienstwagen een strategische positie ingenomen, waarop zij een grijze Volvo V40, kenteken beginnend met ‘70’, met hoge snelheid voorbij zagen komen. Zij zetten de achtervolging in. Verbalisanten zagen dat de Volvo de oprit van de A12 richting Utrecht opreed en vervolgens op de vluchtstrook langs de A12 tot stilstand kwam. De linkervoorband was van de vluchtauto losgeraakt, kennelijk door het rijgedrag van de chauffeur. Het kenteken van deze Volvo was [kenteken]. Verbalisanten zagen dat drie à vier personen uit de Volvo stapten en wegrenden in de richting van het spoorwegemplacement, gelegen rechts van de A12. In dit gebied bevindt zich tevens een bosperceel. Verbalisanten zetten, afzonderlijk van elkaar, de achtervolging in. [verbalisant 5] heeft verklaard dat hij in ieder geval 3 personen uit de auto zag stappen en dat zij alle drie de bossage in renden. Vervolgens zag hij dat een verdachte zich probeerde te verstoppen achter een boom. Dit bleek medeverdachte [medeverdachte 1]. Medeverdachte [medeverdachte 1] is om 09.40 uur aangehouden.

Tijdens de achtervolging is gebruik gemaakt van een helikopter met warmtesensoren. Op aanwijzingen van de helikopter is door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verdachte [medeverdachte 2] aangetroffen op de Stationsweg te Maarn. Medeverdachte [medeverdachte 2] had zich verstopt in de bosjes, onder de rododendrons. Zijn broek was afgedekt met afgevallen bladeren. Medeverdachte [medeverdachte 2] werd om 10.47 uur als tweede van vier verdachten aangehouden. Medeverdachte [medeverdachte 2] is de enige onder de aangehouden verdachten die in het bezit is van een rijbewijs.

Ook werden tijdens de achtervolging van de verdachten surveillancehonden ingezet. Op het terrein gelegen achter perceel Stationsweg 3 te Maarn, werd verdachte [verdachte] aangetroffen. [verdachte] lag in een soort nis onder een dichte struik. [verdachte] werd om 11.13 uur aangehouden. Achter het oude stationsgebouw van Maarn werd, in een hok in een hondenkennel, medeverdachte [medeverdachte 3] aangetroffen. Hij werd om 11.35 uur aangehouden. Alle vier de verdachten werden uiteindelijk in elkaars dichte nabijheid, in het bosperceel, aangetroffen.

4.1.7. Verklaringen medeverdachten

[verdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij deel heeft aan de schuld en dat hij spijt heeft van wat hij de juwelier en die vrouw heeft aangedaan, dat het duidelijk is wat zijn rol daarin is geweest en dat hij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat ‘alle verdachten zijn aangehouden’. Uit diezelfde verklaring blijkt dat [verdachte] weet dat er vier verdachten zijn aangehouden. Over de overval heeft hij verklaard dat het Amerika-achtig is geworden en dat dat niet de bedoeling was, dat het uit de hand is gelopen. Voorts heeft hij verklaard op de vraag van de verhorende verbalisant of er nog meer mensen bij betrokken waren dan de vier mensen die zijn aangehouden: “Dat denk ik niet”. Op de vraag of de vier goeden zijn aangehouden verklaart de verdachte [verdachte]: “Ik denk het wel”. Tevens verklaarde hij uit eigen beweging, tijdens het vervoer vanaf de plaats delict, “de volgende keer moeten we een andere chauffeur hebben, deze kan echt niet rijden”.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft bij de rechter-commissaris en de politie verklaard dat hij op 28 oktober 2010 bij juwelier [benadeelde 1] binnen is geweest en betrokken was bij de overval.

4.1.8. Onderzoek plaats delict

Op 28 oktober 2010 is een forensisch onderzoek verricht naar sporen in verband met de overval op juwelierszaak [benadeelde 1] te Driebergen-Rijssenburg. Er is vastgesteld dat verschillende vitrinekasten zijn vernield. De kantoordeur is aan de winkelzijde op drie plaatsen beschadigd. Op de vloer van het kantoor is een huls aangetroffen. Op de vloer van de werkplaats werd een kogel aangetroffen. Ook zijn de beelden van de beveiligingscamera’s van de juwelierszaak uitgekeken. Op de camerabeelden is te zien dat de overval in totaal 1 minuut en 40 seconden duurde.

4.1.9. Onderzoek aan de vluchtauto

Aan de Volvo, met kenteken [kenteken] is onderzoek verricht. De Volvo bleek te zijn gestolen. In de auto werd een zwarte Nike-tas aangetroffen. Hierin zat onder meer een zilverkleurig vuurwapen en sieraden. Tevens werd een blauw/wit/rood geruite boodschappentas aangetroffen, met daarin diverse sieraden. Alle aangetroffen sieraden zijn door [benadeelde 1] herkend als zijn eigendommen, welke op 28 oktober 2010 uit zijn juwelierszaak zijn weggenomen. Op de vloer achter de rechter voorstoel is een klauwhamer aangetroffen.

4.1.10. Onderzoek aan het zilverkleurig vuurwapen

Het zilverkleurig vuurwapen dat is aangetroffen in de vluchtauto, betreft een alarmpistool van het model GT-28. Het vuurwapen is omgebouwd, waarbij de aanvankelijk dichte loop is verwijderd en een nieuwe loop is geplaatst. Na deze ombouw is het vuurwapen voorzien van het valse merkopschrift ‘ASTRA’. De stift en de terugloopveer onder de loop van het pistool ontbreken, evenals de veiligheidspal. Op deze wijze is het alarmpistool omgebouwd tot scherp vuurwapen. Dit wapen is een vuurwapen als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

4.2. Bewijsoverwegingen

4.2.1. Medeplegen

[verdachte] heeft ter terechtzitting van 21 maart 2011 aangegeven een eigen rol te hebben vervuld tijdens de overval. Over de medeverdachten heeft hij geen verklaring willen afleggen, maar op de camerabeelden van de juwelierszaak is te zien dat de drie personen die de overval plegen ieder een duidelijke rol hebben en deze rollen ook als zodanig vervullen. Dit sluit aan bij de tijdsspanne van de overval. De overval heeft 1 minuut en 40 seconden geduurd, in welke periode de verdachten een grote ravage hebben aangericht en een aanzienlijke buit hebben gemaakt. Gezien de korte duur van de overval, in combinatie met hetgeen op de beelden te zien is, stelt de rechtbank vast dat de verdachten direct zonder aarzeling en zeer doelgericht te werk zijn gegaan, hetgeen erop duidt dat de daders volgens een vooropgezet plan te werk zijn gegaan en zich ieder hebben geconformeerd aan een specifieke rol. Dat van een vooropgezet plan sprake is geweest, blijkt ook uit het feit dat een klauwhamer is meegenomen naar de juwelierszaak om daarmee de vitrines stuk te slaan. Er is een vuurwapen meegenomen om mee te dreigen en tassen om de sieraden in mee te nemen en buiten stond een gestolen auto klaar om in te vluchten. Uit de verklaring van getuige [getuige] volgt immers dat de drie verdachten bij het verlaten van de juwelierszaak direct naar de Volvo zijn gerend. Terwijl de Volvo al reed, zijn de overvallers ingestapt, wat erop wijst dat er een chauffeur in de Volvo heeft gewacht totdat de medeverdachten eraan zouden komen. In dit verband leest de rechtbank ook de verklaringen van verdachte [verdachte] dat zij de volgende keer een andere chauffeur moeten hebben die wel kan rijden. Ook is op de camerabeelden te zien dat, voordat de drie overvallers de juwelier binnengaan, medewerkster [benadeelde 2] op straat bij haar haren wordt gegrepen en de winkel wordt ingesleept. Dit wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachten er goed van op de hoogte waren welke personen werkzaam waren bij de winkel. [verdachte] heeft voorts tegenover de politie verklaard dat het niet de bedoeling was dat “het Amerika-achtig werd” en dat het uit de hand is gelopen. De rechtbank ziet ook hierin een aanwijzing dat er tussen de verdachten van tevoren een plan was afgesproken. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de auto blijkens de bewijsmiddelen met hoge snelheid is weggereden en een afstand heeft afgelegd tot de plaats waar de auto is aangetroffen, in een tijd twee keer zo snel als gebruikelijk. Hieruit leidt de rechtbank af dat het niet anders kan dan dat ook de chauffeur wist van de overval en zich zo snel mogelijk uit de voeten wilde maken.

Gelet op bovenstaande omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat er een bewuste en nauwe samenwerking bestond tussen alle vier de verdachten, waarbij elke verdachte een eigen rol vervulde om het uiteindelijke delict, de overval, te plegen.

Voorts merkt de rechtbank op dat de overval is gepleegd vlak voor het openingstijdstip van de winkel en dat er bijgevolg personeel aanwezig was. Gelet daarop had verdachte kunnen voorzien dat er een aanmerkelijke kans bestond dat er geweld zou worden aangewend, dan wel bedreigingen met geweld zouden worden geuit. Desalniettemin heeft hij willens en wetens zijn medewerking aan de overval verleend en daarbij een actieve en cruciale rol gespeeld.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat sprake is van medeplegen door verdachte en mededaders ten aanzien van feit 1.

4.2.2. Vuurwapen

Uit de verklaring van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] blijkt dat tijdens de overval gebruik is gemaakt van een zilverkleurig vuurwapen. Niet alleen is met dit wapen gedreigd ten tijde van de overval, maar ook is er mee geschoten. Verdachte heeft verklaard ten tijde van de overval in de juwelierszaak te zijn geweest en dat hij degene is geweest die het vuurwapen in zijn handen heeft gehad en hiermee heeft geschoten in de richting van de deur naar het kantoor. In de vluchtauto is een zilverkleurig vuurwapen aangetroffen, waarvan valt aan te nemen dat dat het gebruikte vuurwapen is. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte dit vuurwapen voorhanden heeft gehad en daarmee in strijd met de Wet wapens en munitie heeft gehandeld.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 28 oktober 2010 te Driebergen-Rijsenburg (gemeente Utrechtse

Heuvelrug), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid sieraden en horloges, toebehorende aan [benadeelde 1],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1] en [benadeelde 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat

hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- die [benadeelde 2] (die buiten die juwelierswinkel stond) bij haar haar

heeft vast gepakt en een pistool op de buik heeft geduwd en dat pistool op haar gericht heeft gehouden en haar (vervolgens) de winkel ingesleept/ingetrokken heeft en

- een vuurwapen op die [benadeelde 1] heeft gericht en gericht

heeft gehouden, terwijl tegen die [benadeelde 1] gezegd werd "de kluis, de

kluis, ik schiet in jouw kruis" en "goud, goud, kluis open" (of woorden van gelijke aard en/of strekking) en

- eenmaal of meermalen op een deur - waarachter die [benadeelde 1] zich

bevond - heeft geschoten en/of geslagen met een klauwhamer en

- met een klauwhamer de glazen vitrines waarin de juwelen lagen heeft ingeslagen;

2.

op 28 oktober 2010 te Driebergen-Rijsenburg en Maarn (gemeente Utrechtse Heuvelrug) tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie III voorhanden heeft gehad, te weten,

- een pistool ((voorzien van het) merk(teken) Astra en model(teken) GT28)

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. In het bijzonder spreekt de rechtbank vrij van het voorhanden hebben van het ten laste gelegde zwartkleurige vuurwapen van het merk Kartal, nu op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat een van de verdachten dit wapen voorhanden heeft gehad. Het vuurwapen is aangetroffen in het bos waar de verdachten zijn aangehouden, in een vijver op aangeven van een getuige. De slachtoffers hebben echter niet verklaard over de aanwezigheid van een tweede vuurwapen en voorts heeft voornoemde getuige slechts waargenomen dat een persoon “iets” in de vijver gooide. De rechtbank acht dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het voorhanden hebben van dit wapen te komen.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1:

diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door drs. E.C. Schellart, psycholoog, die op 18 januari 2011 een rapport heeft uitgebracht.

Uit het rapport blijkt dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en een enigszins gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Verdachte heeft blijk gegeven van psychische onrijpheid en het vermijden van verantwoordelijkheid. Hoewel verdachte op de hoogte was van het ontoelaatbare van zijn handelen en van hem, gezien zijn ego-ontwikkelingsniveau, enige verantwoordelijkheid verwacht mag worden, heeft zijn neiging problemen te ontkennen en te vermijden ervoor gezorgd dat hij onvoldoende heeft stilgestaan bij de werkelijke impact op de slachtoffers. Door het vermijden van zijn eigen verantwoordelijkheid, een slecht oordeelsvermogen, psychische onrijpheid en een gebrek aan introperspectief vermogen was hij in staat materialistische motieven te laten prevaleren boven zijn gewetensbezwaren, ook omdat hij graag bij de groep wilde horen. Geadviseerd wordt om verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte tevens laten voorlichten door drs. H.A. Gerritsen, psychiater, die op 14 maart 2011 een rapport heeft uitgebracht.

Uit het rapport blijkt dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis in de zin van een gedragsstoornis en vermoedelijk ADHD en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de zin van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling c.q. een stoornis in de ontwikkeling van de persoonlijkheid en beperkte intellectuele capaciteiten.

Er is sprake van enige relatie tussen het ten laste gelegde feit en de psychopathologie. Verdachte is met zijn 3 medeverdachten vooral planmatig en berekenend te werk gegaan. Het belangrijkste motief voor het plegen van het ten laste gelegde was waarschijnlijk financieel gewin. Tegelijkertijd kan vermoed worden dat [verdachte] zich ook heeft willen bewijzen. Het is op zijn minst opmerkelijk dat verdachte het ten laste gelegde feit een aantal maanden na het mislukken van zijn voetbalcarrière en in de periode dat zijn kappersopleiding moeilijk verloopt, pleegt. Vermoed kan worden dat verdachte met het plegen van zo’n fors ten laste gelegd feit zijn mislukt voelen probeert te compenseren, een andere, vermoedelijk (deels) onbewuste motivatie dan uitsluitend geldelijk gewin. Tevens kan vermoed worden dat verdachte graag onderdeel wil uitmaken van de groep jongeren waartoe hij behoort. Geadviseerd wordt om verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen met betrekking tot de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid over en maakt deze tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) op te leggen, geheel voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich klinisch laat behandelen in Groot Batelaar of een soortgelijke instelling en zal meewerken aan elke behandeling die daarop volgt en de maatregel Hulp en Steun, waarvan 12 maanden ITB-Plus.

Voorts verzoekt de officier van justitie de gevorderde vorderingen benadeelde partijen hoofdelijk toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, voor een deel groot:

- € 5.987,71 ten aanzien van [benadeelde 1]

- € 2.159,00 ten aanzien van [benadeelde 2]

- € 305,20 ten aanzien van [benadeelde 3]

- € 300,00 ten aanzien van [benadeelde 4]

en de benadeelde partijen [benadeelde 2], [benadeelde 3] en [benadeelde 4] voor het overige deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, met hoofdelijke veroordeling van de verdachte.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Tevens heeft de raadsman gewezen op het belang van een snelle behandeling van verdachte en in dat kader heeft de raadsman aangegeven een voorkeur te hebben voor oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel boven een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

De raadsman is het ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen eens met de officier van justitie.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte, zoals deze naar voren zijn gekomen uit het onderzoek op de terechtzittingen en uit de bespreking aldaar van de over hem opgemaakte rapporten van Raad voor de Kinderbescherming van 15 maart 2011 en 1 juni 2011, de hiervoor genoemde rapporten van de psychiater en de psycholoog en het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie van 15 april 2011.

Verdachte heeft tezamen met zijn mededaders een goed georganiseerde gewapende overval gepleegd op een juwelier, waarbij in een kort tijdsbestek grote schade is aangericht en voor een groot bedrag aan sieraden is ontvreemd. Hierbij zijn verdachte en zijn mededaders zeer berekenend te werk gegaan, waarbij het gebruik van bruut geweld niet werd geschuwd. Op de camerabeelden heeft de rechtbank waargenomen dat de verdachten ieder een eigen rol vervulden tijdens de overval. Verdachte heeft bij deze overval een zeer groot aandeel gehad in de geweldpleging en daarbij gebruik gemaakt van een vuurwapen. Ook is het verdachte geweest die in feite het startsein heeft gegeven voor de overval, door [benadeelde 2] aan haar haren naar binnen te slepen. Het planmatige karakter van de overval, waarbij ter afdreiging een vuurwapen is meegenomen, een klauwhamer is meegenomen om de vitrines te vernielen, tassen zijn meegenomen om de sieraden in te vervoeren en een vluchtauto klaar stond, rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Deze mate van organisatiegraad, waarin in gezamenlijk verband, willens en wetens een gewelddadige overval is gepleegd, beschouwt de rechtbank als een strafverzwarende omstandigheid.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] blijkt dat de overval een zeer traumatische ervaring is geweest voor beide slachtoffers en een grote impact heeft gehad op het leven van deze slachtoffers. Beiden ondervinden nog dagelijks de gevolgen die deze traumatische ervaring op hun leven heeft. Om deze traumatische ervaring achter zich te kunnen laten staan deze beide slachtoffers ook onder behandeling van een therapeut. In dit verband merkt de rechtbank op dat slachtoffer [benadeelde 2] door verdachte [verdachte] hardhandig aan haar haren is meegesleurd de winkel in, onder bedreiging van een vuurwapen. Gedurende de overval heeft zij zich in de winkel bevonden, te midden van de verdachten. Zij wist niet wat er gebeurde en met haar zou gaan of kunnen gebeuren. Ook ten aanzien van slachtoffer [benadeelde 1] is fors geweld gebruikt. Terwijl hij zich verschanste achter een gesloten deur, zijn er schoten gelost en is er met een klauwhamer op de deur geslagen. Kennelijk met de bedoeling [benadeelde 1] angst aan te jagen of pijn te doen. [benadeelde 3] en [benadeelde 4] hebben zich verscholen op een toilet, niet wetende wat er met hen en hun collega’s zou gebeuren. Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. Voorts heeft de overval grote onrust veroorzaakt in de plaatselijke gemeente. Kennelijk heeft verdachte hierbij in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van anderen, zijn eigen financiële gewin voorop te stellen.

Gedurende de behandeling van de strafzaak heeft de rechtbank - gelet op het verhandelde ter zitting en met name gelet op de ter zitting naar voren gebrachte feiten ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte - de behandeling van de zaak meermalen aangehouden teneinde zich nader te laten adviseren omtrent de op te leggen straf / maatregel.

In dit kader is door psycholoog Schellart, psychiater Gerritsen, de Jeugdreclassering alsmede door de Raad voor de Kinderbescherming nader gerapporteerd welke straf / maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte geboden zou zijn.

In de rapportage van E.C. Schellart d.d. 18 januari 2011 is onder meer ten aanzien van de op te leggen straf / maatregel het navolgende opgenomen - zakelijk weergegeven - :

Geadviseerd wordt aan verdachte een gedragsbeïnvloedende maatregel (hierna: GBM) op te leggen. Deze maatregel verdient de voorkeur boven een PIJ-maatregel, aangezien de familie een positief en ondersteunend netwerk kan bieden terwijl verdachte zijn aangeleerde vaardigheden direct kan implementeren in zijn gebruikelijke leefomgeving. Een GBM is nodig om de negatieve spiraal te doorbreken en zijn leven weer een positieve wending te geven.

In de rapportage van H.A. Gerritsen d.d. 14 maart 2011 is onder meer ten aanzien van de op te leggen straf / maatregel het navolgende opgenomen - zakelijk weergegeven - :

Verdachte behoeft dringend behandeling/begeleiding om de zo bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling/stoornis in de ontwikkeling van de persoonlijkheid evenals de gedragsstoornis om te buigen in een gezonde persoonlijkheidsontwikkeling. Rapporteur stelt voor om verdachte te laten starten in een klinische setting om hem zo scherper in beeld te krijgen en hem intensief te behandelen. Na een klinische fase kan de behandeling in een dagklinische en aansluitend poliklinische vorm worden voortgezet, met speciale aandacht voor een resocialisatietraject op maat. Geadviseerd wordt om aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen. Indien de behandeling om wat voor reden dan ook onvoldoende succesvol is, dan kan de voorwaardelijke PIJ-maatregel worden omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Een GBM biedt onvoldoende garantie dat de psychopathologie van verdachte voldoende wordt behandeld. Als hij zich immers niet aan de voorwaarden houdt, dan krijgt verdachte jeugddetentie in plaats van de noodzakelijke behandeling.

Naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting van 21 maart 2011 en de opdracht van de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming, heeft de Raad voor de Kinderbescherming een aanvullend rapport uitgebracht op 1 juni 2011, opgesteld door J.J de Ronde. De Raad concludeert in dit rapport:

Op basis van voortschrijdend inzicht door de nieuwe informatie vanuit de zorginstellingen en het functioneren van verdachte binnen Eikenstein is de Raad van mening dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel meer tegemoetkomt aan de behandelingsnoodzaak van verdachte dan de eerder door de Raad geadviseerde GBM. Indien het in te zetten traject mislukt, omdat verdachte zich onttrekt aan de behandeling of als hij recidiveert, biedt een voorwaardelijke PIJ een beter kader om alsnog (gesloten) behandeling op maat te effectueren. Bij het mislukken van een GBM rest jeugddetentie. De Wier geeft op basis van de intake en de rapportages aan dat verdachte niet geschikt is voor hun setting. Op basis van de dubbelrapportage wordt vanuit De Waag geadviseerd om te starten met een klinische opname voor verdachte. De Raad heeft in overleg met Bureau Jeugdzorg besloten om het advies van de psychiater en De Waag te ondersteunen. Dit betekent dat het in de visie van de Raad in pedagogisch opzicht het beste is om verdachte aansluitend op zijn detentie een klinische behandeling te laten volgen.

Ter zitting van de rechtbank d.d. 6 juni 2011 heeft de heer De Ronde van de Raad voor de Kinderbescherming een nadere toelichting gegeven op het advies van de Raad tot oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Hij heeft ter zitting meegedeeld - zakelijk weergegeven - :

De Raad heeft eerst op basis van de informatie een GBM geadviseerd. De jeugdreclassering heeft de mogelijkheden onderzocht van een GBM. De Raad kon zich hier destijds in vinden. Daarna volgde het rapport van psychiater Gerritsen. Ten tijde van het schrijven van het eerste advies wist De Raad niet dat De Waag verdachte meer vond passen binnen een klinische setting. We hebben in de aanvullende rapportage laten meewegen hoe verdachte het doet binnen Eikenstein. Het gedrag van de laatste tijd van verdachte maakt ook dat de Raad denkt dat verdachte een intensievere behandeling nodig heeft dan de Raad in eerste instantie dacht.

Ter terechtzitting van 6 juni 2011 heeft de heer Van der Steen van de Jeugdreclassering het volgende verklaard – zakelijk weergegeven –:

Ik heb de opdracht gekregen om zo spoedig mogelijk een zorgaanbieder te vinden voor verdachte. Ik heb contact opgenomen met Groot Batelaar. Mij is verteld dat verdachte mag komen voor een intake. Ik mag niet zeggen wanneer deze intake plaats zal vinden. Ik kan er wel over zeggen dat het niet lang meer zal duren. Het traject ziet er wat mij betreft goed uit, ook het traject na de klinische opname. Bij Groot Batelaar wordt gesproken over een behandelingsduur van 8 tot 12 maanden. Er is geen wachtlijst. Ik adviseer om aan verdachte als bijzondere voorwaarde tevens de maatregel Hulp en Steun op te leggen met hierbij ITB Plus, bij voorkeur voor de duur van 12 maanden. Wij kunnen de ITB Plus dan laten ingaan op het moment dat wij denken dat het nodig is.

De rechtbank stelt vast dat zowel psycholoog Schellart, psychiater Gerritsen, de Jeugdreclassering, De Raad voor de Kinderbescherming, de raadsman van verdachte en verdachte zelf, van mening zijn dat verdachte intensieve behandeling dient te ondergaan in een besloten / gesloten setting. Er bestaat alleen verdeeldheid over de vraag in welk kader de behandeling zou moeten plaatsvinden, ofwel in het kader van een GBM dan wel in het kader van een voorwaardelijke PIJ.

Gelet op de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, de door de deskundigen vastgestelde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, het gevaar voor herhaling en het belang van intensieve gedwongen behandeling, zal de rechtbank aan verdachte een PIJ maatregel opleggen, geheel voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden. De rechtbank is zich terdege bewust van het feit dat oplegging van een dergelijke maatregel zeer ingrijpend is voor zowel verdachte als zijn familie. Alvorens tot deze beslissing te komen heeft de rechtbank dan ook een zorgvuldige afweging gemaakt tussen beide voorliggende opties.

De rechtbank stelt voorop dat de behandeling die in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel kan plaatsvinden, gelijk kan zijn aan behandeling in het kader van een GBM.

De rechtbank is echter, overeenkomstig hetgeen door de officier van justitie alsmede door psychiater Gerritsen en de Raad voor de Kinderbescherming naar voren is gebracht, van oordeel dat de PIJ-maatregel betere waarborgen biedt voor de continuïteit en het welslagen van een voor verdachte door alle deskundigen noodzakelijk geachte behandeling, mede bezien in het licht van de gevolgen die intreden bij het mislukken van behandeling. Hierbij wordt mede overwogen dat een eerder reclasseringstoezicht niet positief verlopen is.

Nadeel van de GBM-maatregel is dat bij mislukken alleen jeugddetentie overblijft, hetgeen voor verdachtes ontwikkeling geen wenselijke situatie is, terwijl bij overtreden van de voorwaarden de voorwaardelijke PIJ zal kunnen worden omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ en verdachte in een behandelsetting terecht zal komen, hetgeen de voorkeur heeft.

Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het bewezenverklaarde misdrijven betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de PIJ-maatregel eist en deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Tevens heeft de rechtbank de beschikking over voornoemde rapportages van een psycholoog en psychiater. Hiermee is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van een PIJ-maatregel.

De rechtbank zal de volgende bijzondere voorwaarden stellen aan de voorwaardelijke

PIJ-maatregel:

- dat de verdachte zich onder klinische behandeling in Groot Batelaar of een soortgelijke instelling zal stellen voor een periode ter beoordeling van die behandelende instelling, doch van maximaal 9 maanden en dat verdachte meewerkt aan elke vorm van begeleiding en/of behandeling die volgt na de klinische opname;

- dat de verdachte zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun zal gedragen naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering, waarvan 12 maanden ITB-Plus.

De rechtbank wil voorts benadrukken dat zij het van groot belang acht dat de familie van verdachte wordt betrokken bij de behandeling.

De door verdachte begane feiten betreffen telkens misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De algemene veiligheid van personen en de algemene veiligheid van goederen vereist deze maatregel, aangezien recidivegevaar aanwezig is. Voorts is de oplegging van de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. De rechtbank zal daarnaast aan verdachte een vrijheidsstraf van aanzienlijke duur opleggen, te weten een jeugddetentie voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank heeft daarbij onder meer rekening gehouden met het forse aandeel van verdachte bij deze overval, te weten het bij de haren grijpen en naar binnen sleuren van het slachtoffer [benadeelde 2] en het feit dat verdachte bij de overval gebruik heeft gemaakt van een vuurwapen. Gelet op het zeer intensieve traject dat verdachte nog te wachten staat na afloop van zijn jeugddetentie, zal de rechtbank aan verdachte een lagere straf opleggen dan geëist door de officier van justitie.

7 De benadeelde partijen

De vordering van benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 5.987,71, waarvan € 4.137,71 materiële schade en € 1.850,00 immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 5.987,71 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 2.824,00, waarvan € 309,00 materiële schade en € 2.515,00 immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.159,00, waarvan € 309,00 materiële schade en € 1.850,00 immateriële schade, een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

Van het gevorderde bedrag voor immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 665,00 niet toewijsbaar. Dat gedeelte van de vordering zou een nadere behandeling en bewijsvoering vergen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 505,20, waarvan € 5,20 materiële schade en € 500,00 immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 305,20, waarvan € 5,20 materiële schade en € 300,00 immateriële schade, een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

Van het gevorderde bedrag voor immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 200,00 niet toewijsbaar. Dat gedeelte van de vordering zou een nadere behandeling en bewijsvoering vergen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde 4]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 500,00 aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 300,00 aan immateriële schade, een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen alsmede de wettelijke rente over dat bedrag.

Van het gevorderde bedrag voor immateriële schade acht de rechtbank een bedrag van € 200,00 niet toewijsbaar. . Dat gedeelte van de vordering zou een nadere behandeling en bewijsvoering vergen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 5 maart 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop kan de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe niet besluiten, omdat zij dit niet opportuun acht, gelet op de op te leggen jeugddetentie en het intensieve traject dat verdachte na afloop van zijn jeugddetentie te wachten staat in het kader van de voorwaardelijke PIJ-maatregel.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 77a, 77g, 77i, 77l, 77s, 77x, 77, 77z, 77aa, 77gg en 312 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 2: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 18 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Maatregel

- zij beveelt de voorwaardelijke plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen, met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden dat:

* - dat de verdachte zich onder klinische behandeling in Groot Batelaar of een soortgelijke instelling zal stellen voor een periode ter beoordeling van die behandelende instelling, doch van maximaal 9 maanden en dat verdachte meewerkt aan elke vorm van begeleiding en/of behandeling die volgt na de klinische opname;

- dat de verdachte zich in het kader van de maatregel Hulp en Steun zal gedragen naar de aanwijzingen van de jeugdreclassering, waarvan 12 maanden ITB-Plus.

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 5.987,71, bij wijze van voorschot terzake van € 4.137,71 materiële schade en € 1.850,00 immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 2.159,00, bij wijze van voorschot terzake van € 309,00 materiële schade en € 1.850,00 immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 305,20, bij wijze van voorschot terzake van € 5,20 materiële schade en € 300,00 immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van € 300,00 bij wijze van voorschot terzake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 28 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening; ;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [benadeelde 1], € 5.987,71, 65 dagen jeugddetentie,

- benadeelde partij [benadeelde 2], € 2.159,00, 32 dagen jeugddetentie,

- benadeelde partij [benadeelde 3], € 305,20, 7 dagen jeugddetentie,

- benadeelde partij [benadeelde 4] € 300,00, 6 dagen jeugddetentie,

met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. I. Bruna en N. van der Velden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.C.J. van der Heijden, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 juni 2011.

Mr. N. van der Velden is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.