Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ8441

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-06-2011
Datum publicatie
17-06-2011
Zaaknummer
16.600588-10 en 16.504683-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Meerdere mishandelingen en bedreigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600588-10 en 16.504683-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juni 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

zonder bekende woon- of verblijfplaats

raadsman mr. C.J.A.M. Bots, advocaat te Breukelen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 mei 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16.600588-10

op 10 juni 2010 te Mijdrecht

feit 1: [slachtoffer 1], diens vader en [slachtoffer 2] heeft bedreigd;

feit 2: [slachtoffer 3], hoofdagent van de politie, heeft bedreigd;

feit 3: [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

feit 4: een luchtbuks voorhanden heeft gehad;

en op 16 en 17 februari 2011 te [woonplaats]

feit 5: [slachtoffer 4] heeft bedreigd;

16.504683-09

op 5 november 2009 te Mijdrecht primair [slachtoffer 5] heeft mishandeld, waardoor hij zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, subsidiair die [slachtoffer 5] heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 16.600588-16 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1 en 3: de verklaringen verdachte en van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], met dien verstande dat de laatste twee streepjes onder feit 1 dienen te worden samengevoegd en het al dan niet laden van het geweer in het midden wordt gelaten.

Ten aanzien van feit 2: de processen-verbaal van bevindingen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] en de verklaring van getuige [getuige 1].

Ten aanzien van feit 4: de verklaring van verdachte en het proces-verbaal van de forensische opsporing.

Ten aanzien van feit 5: de aangifte van [slachtoffer 4] de verklaring van getuige [getuige 2] en het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 16.504683-16 ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 5], de verklaring van getuige [getuige 3] en de medische verklaring.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van alle onder 16.600588-16 ten laste gelegde feiten en wijst daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1. Dat verdachte het wapen aan het laden was kan niet worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2. In het dossier bevindt zich geen aangifte van bedreiging en tevens blijkt niet uit het dossier dat er ook echt sprake was van een bedreiging, aangezien verdachte het wapen vrijwel direct heeft weggegooid en op niemand heeft gericht.

Ten aanzien van feit 5. Uit het dossier blijkt niet dat aangever zich echt bedreigd heeft gevoeld.

Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 16.504683-16 ten laste gelegde feit en wijst daarbij op het volgende.

Het verdraaien van de knie blijkt enkel uit de aangifte. Zowel verdachte als de getuige verklaren er niet over. Voorts was het opzet van verdachte niet gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarbij komt dat het letsel van aangever niet is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

16.600588-10

Feit 1 tot en met 4

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 10 juni 2010 samen met [slachtoffer 1] in een bedrijfspand aan de Constructieweg te Mijdrecht was. Hij zag dat verdachte tot tweemaal toe in zijn handen klapte, met gestrekte handen en pal voor zijn, aangevers, gezicht en dat hij daarbij zei: ‘moeten jullie klappen, jullie hebben met de verkeerde te maken’. Aangever zag vervolgens dat verdachte naar [slachtoffer 1] wees en hoorde dat hij zei: ‘jouw vader gaat eraan’. Aangever hoorde vervolgens dat verdachte tegen hen zei: ‘ik gooi een handgranaat bij jullie naar binnen, ik zoek jullie nog wel op’. Aangever zag vervolgens dat verdachte op hem af kwam lopen en hem met gebalde vuist in zijn gezicht sloeg. Dit deed hem pijn. Verdachte is door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit het pand gezet, maar kwam even later weer terug. Aangever zag dat verdachte een geweer in zijn handen had en dat hij het geweer aan het laden was.

De aangifte van [slachtoffer 2] wordt ondersteund door de aangifte van [slachtoffer 1], die heeft verklaard dat hij verdachte hoorde zeggen: ‘wil je dat je vader eruit gaat, uit het bedrijf, en wil je dat hij nog blijft leven’ en ‘ik gooi een handgranaat bij jullie naar binnen, ik zoek jullie nog wel op’. Verdachte is door [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] uit het pand gezet. Later kwam hij terug lopen. Aangever zag dat hij iets in zijn handen had. Het zag eruit als een geweer. Aangever zag dat verdachte de loop knikte en dat hij iets in de loop stopte. Daarbij keek hij [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] aan.

Verbalisant [slachtoffer 3], hoofdagent van de politie, is ter plaatse gekomen. Daar zag hij een persoon lopen, die later verdachte bleek te zijn. Verbalisant zag dat verdachte een op een geweer gelijkend voorwerp in zijn rechterhand had en dat hij daarmee in de richting van verbalisant liep. Verbalisant heeft daarop zijn dienstpistool getrokken en tegen verdachte geroepen: ‘laat dat wapen vallen’. Verdachte bleef echter in de richting van de verbalisant lopen, met het wapen telkens in dezelfde positie.

Getuige [getuige 1] heeft eveneens verklaard dat hij verdachte zag lopen met een buks in zijn handen. Hij zag dat verdachte hiermee in de richting van de politie liep. De loop wees ongeveer in de richting van de lucht. Hij hoorde dat de politieagent meerdere malen riep dat verdachte het wapen moest laten vallen.

Het wapen dat verdachte droeg is door de politie onderzocht. De politie heeft vastgesteld dat het ging om een luchtbuks, welke zodanig lijkt op bestaande vuurwapens dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt kan worden geacht. De buks is, gelet op artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie, dan ook een wapen als van de categorie I, onder van de Wet Wapens en Munitie. Bij de buks werden hagelpatronen, kokertjes, aangetroffen. De kamer van de buks was zodanig verwijd, dat de kokertjes daarin konden worden gebracht.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte daadwerkelijk zijn geweer aan het laden was. Verdachte heeft daarover ter terechtzitting van 30 mei 2011 verklaard dat de munitie die hij bij zich had niet in het wapen paste. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] beiden hebben verklaard dat zij zagen dat verdachte het geweer laadde en dat uit het forensisch onderzoek blijkt dat de munitie die bij het wapen is aangetroffen wel degelijk in het wapen kon worden gebracht.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat in het dossier geen aangifte van [slachtoffer 3] zit. De rechtbank verwerpt dit verweer nu voor zowel de vervolging als het bewijs van onderhavig feit niet nodig is dat er een aangifte is.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake was van een dreiging. De rechtbank verwerpt ook dit verweer, aangezien reeds uit het feit dat de agent zijn dienstwapen heeft getrokken toen verdachte op hem afliep met het geweer in zijn handen blijkt dat hij zich bedreigd voelde.

Feit 5

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij in de nacht van 16 op 17 februari 2011 in zijn woning te [woonplaats] was, toen verdachte bij hem voor de deur stond. Hij hoorde dat verdachte tegen hem zei: ‘als je me niet binnen laat, is het morgen voorbij, dan steek ik je boerderij in brand’ en ‘ik maak je kapot’. Aangever heeft voorts verklaard dat hij de indruk had dat verdachte zijn bedreigingen echt ten uitvoer zou brengen. Aangever was bang.

Getuige [getuige 2] en verbalisanten hebben eveneens gehoord dat verdachte tegen aangever zei: ‘als je me niet binnen laat, is het morgen voorbij, dan steek ik je boerderij in brand’ en ‘ik maak je kapot’.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde feit heeft begaan.

16.504683-09

Aangever [slachtoffer 5], de broer van verdachte, heeft verklaard dat hij op 5 november 2009 te Mijdrecht met zijn moeder en broers had afgesproken. Op een gegeven moment voelde hij dat hij een duw in zijn rug kreeg en dat iemand zijn linkerbeen vastpakte en deze met kracht naar buiten draaide. Hierdoor voelde hij hevige pijn in zijn linkerknie. Toen aangever overeind kwam, zag hij dat verdachte door zijn broer [getuige 3] van hem werd afgetrokken.

De aangifte wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 3]. Hij heeft verklaard dat hij zag dat verdachte bij aangever op zijn rug sprong, waardoor aangever tegen het bed aan viel en verdachte bovenop aangever viel. Getuige zag dat aangever daarna strompelde.

Een arts heeft vervolgens bij aangever gescheurde kruisbanden dan wel meniscusletsel geconstateerd.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 mei 2011 verklaard dat hij [slachtoffer 5] alleen op bed heeft gelegd en dat hij niet het opzet had om [slachtoffer 5] lichamelijk letsel toe te brengen.

De rechtbank acht de verklaring dat hij aangever alleen op bed heeft gelegd niet aannemelijk en verwijst daarbij naar de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen. Dat verdachte voorts geen opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, staat niet aan een bewezenverklaring in de weg. Ten laste is immers gelegd mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Nu het gevolg is geobjectiveerd hoeft het opzet daarop ook niet te zijn gericht. Reeds voldoende is dat de mishandeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank is daar ook sprake van. Een arts heeft bij aangever gescheurde kruisbanden dan wel meniscusletsel geconstateerd en aangever heeft verklaard dat hij daardoor in ieder geval zeven dagen zijn werk niet normaal kon uitvoeren.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

16.600588-10

1.

op 10 juni 2010 te Mijdrecht [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend in een bedrijfspand gelegen aan de Constructieweg

- vlak voor het gezicht van die [slachtoffer 2], in zijn verdachtes, handen geklapt en daarbij voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: ‘Moeten jullie klappen’, en vervolgens

- naar die [slachtoffer 1] gewezen en daarbij die [slachtoffer 1], dreigend de woorden toegevoegd: ‘Jullie hebben met de verkeerde te maken, jouw vader gaat eraan’ en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: ‘Ik gooi een handgranaat bij jullie naar binnen, ik zoek jullie nog wel op’ en

- nadat hij, verdachte, het bedrijfspand waar die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] zich bevonden, was uitgezet, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft opgehaald en

- vervolgens in het zicht van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] dat op een vuurwapen gelijkende voorwerp, geladen met munitie;

2.

op 10 juni 2010 te Mijdrecht [slachtoffer 3] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers is verdachte opzettelijk dreigend met in zijn, verdachtes hand, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, ook nadat die [slachtoffer 3] had geroepen ‘laat dat wapen vallen’ in de richting van die [slachtoffer 3] gelopen;

3.

op 10 juni 2010 te Mijdrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] tegen diens gezicht gestompt, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden;

4.

op 10 juni 2010, te Mijdrecht een wapen van categorie I, onder 7 te weten een luchtbuks, als bedoeld in artikel 3 onder a van de Regeling Wapens en Munitie, voorhanden heeft gehad;

5.

op 16 februari 2011 en 17 februari 2011 te [woonplaats], [slachtoffer 4] heeft bedreigd met brandstichting en enig misdrijf tegen het leven, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] dreigend de woorden toegevoegd: ‘als je me niet binnenlaat is het morgen voorbij, dan steek ik je boerderij in brand’ en ‘ik maak je kapot’;

16.504683-09

primair

op 5 november 2009 te Mijdrecht opzettelijk mishandelend [slachtoffer 5] bij diens been heeft gepakt en deze met kracht naar buiten heeft gedraaid en die [slachtoffer 5] tegen zijn rug heeft geduwd en op diens rug is gesprongen, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 5] zwaar lichamelijk letsel (gescheurde kruisbanden en/of meniscusletsel) heeft bekomen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

16.600588-10

Feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 3: mishandeling.

Feit 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie.

Feit 5: bedreiging met brandstichting en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

16.504683-09

Mishandeling, terwijl het zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat bij het voorwaardelijke deel als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht wordt opgelegd, ook als dat inhoudt een behandeling bij De Wending of een soortgelijke instelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gezien de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, de door de officier van justitie gevorderde straf passend is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op 5 november 2009 zonder enige aanleiding zijn broer [slachtoffer 5] mishandeld. De rechtbank acht dit onacceptabel. Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een persoon, die bovendien zijn broer is. Daarbij heeft zijn broer gescheurde kruisbanden/meniscusletsel opgelopen. Ter terechtzitting van 30 mei 2011 heeft zijn broer voorts verklaard dat hij nog steeds last heeft van zijn knie.

Verdachte heeft vervolgens op 10 juni 2010 twee mannen, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], bedreigd en [slachtoffer 2] mishandeld nadat zij onenigheid hadden over het doorrijden na een aanrijding. Verdachte heeft bij de bedreiging zelfs een luchtbuks gebruikt. Op het moment dat de politie ter plaatse kwam heeft verdachte tevens de agent bedreigd met de luchtbuks en niet direct gehoor gegeven aan het bevel dit wapen te laten vallen. Daarbij komt dat verdachte in de nacht van 16 op 17 februari 2011 nogmaals een persoon, te weten de heer [slachtoffer 4], voor zijn woning heeft bedreigd. De rechtbank acht dit zeer ernstig. Verdachte heeft niet alleen wederom inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van een persoon, maar heeft ook meerdere personen angst aangejaagd. Zowel mishandelingen als bedreigingen zorgen in het algemeen gedurende een langere periode voor een groot gevoel van onveiligheid bij de slachtoffers.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit;

- een hem betreffende pro justitia rapportage d.d. 28 april 2011 opgesteld door S.L. Bouma (psychiater in opleiding) en F.R. Kruisdijk (psychiater), waaruit blijkt dat er sprake is van alcoholmisbruik;

- het ter terechtzitting van 30 mei 2011 door D. Bokking (reclasseringswerker) gegeven advies, inhoudende: een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf, waarbij als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling in De Wending.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 6 maanden geëist. De rechtbank is, in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten in soortgelijke omstandigheden wordt opgelegd en gelet op de ernst van de feiten, van oordeel dat de aan de verdachte op te leggen (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf hoger dient te zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden passend is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel van de gevangenisstraf, te weten 4 maanden voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Bovendien maakt deze voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade geheel dient te worden toegewezen, dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 750,- en dat de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. De officier van justitie heeft voorts niet-ontvankelijkheid gevraagd voor het overige deel van de vordering.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen en heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert een schadevergoeding van € 1.051,- voor het onder 16.504683-09 ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 618,- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 118,- ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht de rechtbank tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 285, 300 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

16.600588-10 feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 3: mishandeling;

feit 4: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en munitie;

feit 5: bedreiging met brandstichting en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

16.504683-09 mishandeling, terwijl het zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, ook als dat inhoudt een behandeling in De Wending;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 5] van € 618,-, waarvan € 118,- ter zake van materiële schade en € 500,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5], € 618,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 11 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 juni 2011.

Mr. Y.A.T. Kruijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.